Steven Wielandts, vicaris voor het godgewijde leven
Was je verrast over je nieuwe benoeming?
Na de eerste ‘emoties’ bij deze onverwachte benoeming als bisschoppelijk vicaris voor het godgewijde leven, schreef ik aan de religieuzen van ons aartsbisdom hoezeer ik verwonderd was toen de aartsbisschop mij dit voorstel deed. Die verwondering bleek snel een bemoediging te zijn om de nieuwe uitdaging aan te pakken. In groot vertrouwen omdat het mij gevraagd werd en omdat het nodig was. Immers, eindelijk was er een oplossing voor de opvolging van zuster Agnes Laureys, die in december 2015 afscheid had genomen van het vicariaat wegens nieuwe opdrachten in de eigen congregatie.
Dat een aartsbischoppelijke zoektocht van tien maanden bekroond werd met een onverwachte benoeming – een priester die geen religieus is, was wel degelijk het omkeren van een goede gewoonte en een lange traditie van vrouwelijke religieuzen als bisschoppelijk gedelegeerden – werd overwegend positief onthaald.
De eerste kennismaking met de medewerkers van het vicariaat was deugddoend, vreugdevol en dankbaar.
Dat waren voor mij goddelijke knipoogjes! Ik blijf me ondertussen verwonderen over het religieuze leven en blijf ook gelukkig in deze opdracht.
Hoe verloopt jouw kennismaking met het religieuze leven in het aartsbisdom?
Op verschillende manieren maak ik kennis met de ‘bonte schare’ aan religieuze gemeenschappen. Soms gaat het om een spontane uitnodiging - die zijn zelfs talrijker dan mijn agenda onmiddellijk aankan. Soms is er een specifieke aanleiding, een opvolging van een dossier met wat materiële zorgen. De vicaris is dan zeker niet de tovenaar die alle problemen met een vingerknip weet op te lossen. Maar luisteren brengt veel wijsheid samen en brengt altijd goede raad. Mijn luisterende betrokkenheid wil vooral blijk geven van vertrouwen en bemoediging.
Er zijn natuurlijk ook de ‘kerkrechterlijke verplichtingen’ zoals het voorbereiden of voorzitten van kapittels waarin een nieuwe overste en raad voor de congregatie moet gekozen of benoemd worden. Dat zijn steeds aangename verplichtingen gebleken. Het zijn meteen ook zeer intense ontmoetingen omdat ze bepalend zijn voor de toekomst van de gemeenschap. Op zo’n momenten ervaar je een groot vertrouwen om op een wijze en overwogen manier naar de toekomst te kijken.
Het is indrukwekkend te ervaren hoe angst voor de toekomst steeds de duimen moet leggen voor vertrouwen.
Hoe realisme het idealisme niet naar de keel moet grijpen! Je voelt als het ware de vleugelslag van Gods Geest.
Daarnaast zijn er ook de vormingsmomenten voor de oversten en hun raadsleden, drie keer per werkjaar. Het zijn telkens momenten van ontmoeting en het delen van zorgen en vragen. En voor mij een mooie kans om steeds beter de wereld van de religieuzen te leren kennen. Ook de vraag of ik recollecties en retraites wil begeleiden biedt een unieke gelegenheid tot kennismaking. En ten slotte: ik merk dat ik mijn lectuur wat heb ‘geheroriënteerd’. Literatuur over catechese en geloofsvorming ligt ondertussen in de onderste schuif. Boeken over het religieuze leven hebben de nodige ruimte op mijn werktafel opgeëist en krijgen af en toe meer aandacht.
Geen religieus, maar wel een priester als bisschoppelijk afgevaardigde: was het wennen voor de religieuzen? Voor jou?
Een vraag die je eerlijkheidshalve ook en vooral aan de religieuzen zelf moet stellen! Ergens hoop ik dat het nooit helemaal went, dat mijn opdracht niet te snel in routine of gewoonte of louter efficiënt functioneren vervalt. Het werken met mensen is niet zomaar programmeerbaar. Maar met mensen op weg gaan kan een zeer gelovig gebeuren zijn. Ik vraag me wel eens af: de zestig stadiën van Jeruzalem naar Emmaüs, hoe lang heeft men daarover gedaan? En ze stonden wellicht niet geprogrammeerd als zondagse wandeling op een bewogen eerste paasdag. En toch: die wandeling heeft geloofsgeschiedenis geschreven! Neen, zoals ik reeds zei: laat me maar in de verwondering leven. Verwondering scherpt mijn aandacht en doet soms onverwacht mooie dingen zien en inzien.
Wat zijn de uitdagingen die je in goede banen moet leiden? Hoe pak je die aan?
Dit is mijn zorg: hoe kunnen we het vicariaat voor het Godgewijde Leven verder uitbouwen ten dienste van de religieuze gemeenschappen? Hoe kunnen we hun noden leren kennen? Waarin kunnen we de gemeenschappen tegemoet komen? Ik wil mijn ogen niet sluiten voor de vele materiële zorgen en noden die bestaan. Ik ben bijzonder dankbaar dat we in deze kwesties goed kunnen samenwerken met het vicariaat voor het beheer van het tijdelijke.
Maar de voornaamste ‘spirituele zorg’ is het levend houden van het religieuze leven. Ik hou niet van een mentaliteit die mensen dood verklaart nog voor ze gestorven zijn! Nochtans hoor ik velen – soms zelfs personen die verantwoordelijkheid dragen in onze Kerk – zo over religieuzen spreken.
Moet ik mijn ogen en hart dan sluiten voor de vele kiem- en groeikansen in de ‘oude’ gestalten van het religieus leven?
Het zal misschien allemaal niet meteen hier in ons bisdom gebeuren - religieus leven doet ons ook over het muurtje kijken. Ik ben ervan overtuigd dat een bepaalde vorm van religieus leven, zoals we het vaak aantreffen in de diocesane congregaties, eens zal ophouden te bestaan. Het actieve apostolaat van vele religieuzen – opvoeding, ouderenzorg, ziekenhuizen – wordt vandaag behartigd door tal van andere initiatieven in onze maatschappij.
Deze congregaties blijven ‘op hun oude dag’ achter met de enorme uitdaging om op een nieuwe wijze te ontdekken hoe ze als religieuzen kunnen leven.
Zo zullen ze onder meer opnieuw pioniers zijn, zeker ook binnenkerkelijk, om hun doopselverantwoordelijkheid te beleven. Heeft onze Kerk daaraan misschien geen nood? ‘Vrijgestelden’ die getuigen van de kracht van het doopsel! Religieuzen zullen dat graag vertellen. En ze zullen kritisch-eerlijk zijn: niet zwijgend over de vele ‘Goede Vrijdagen’ en enthousiast over iedere paasbeleving! Ze zullen, soms letterlijk en materieel, ruimte bieden aan mensen van alle generaties om te herbronnen bij het Evangelie. En zo zullen ze het religieuze leven een toekomst geven.
Wanneer ze, ondanks hun leeftijd, hun zorgen, hun angst en verdriet om wat niet meer kan, in deze tijd toch gelovig blijven bidden en spreken, en door onze kerkgemeenschap durven beluisterd worden, zullen ze opnieuw profetisch zijn. En dat is doorheen de eeuwen hun diepste roeping geweest. Het maakt me echt gelukkig dat op een bevoorrechte plaats mee te mogen maken. En ik hoop oprecht dat onze religieuze gemeenschappen velen laten delen in dat geluk!