Overslaan en naar de inhoud gaan
Ga naar Otheo
HomeAttent
  • Startpagina
  • Over ons
Search form expand icon
Mobile menu expand iconMenu
HomeAttent
Mobile menu expand iconSluiten
  • Startpagina
  • Over ons
  • Wat is Attent
  • Onze werkingen
    • Ecokerk Bisdom Antwerpen
    • Werkgroep Gastvrijheid Migratie Diversiteit
    • Werkgroep Presentie
    • Rouwzorg Attent
  • Onze online brochures en publicaties
  • Diaconie: maatschappelijke inzet van de kerk

Hoe bouw je cultuur-overbruggende solidariteit op? Stijn Oosterlynck

Stijn Oosterlynck, stadssocioloog UAntwerpen vertelde over het onderzoek over “Solidariteit in superdiversiteit”. Die is moeilijk, maar wel mogelijk.

Stijn Oosterlynck, stadssocioloog UAntwerpen schetst op de Trefdag van Attent op 16 november 2018 eerst hoe onze samenleving evolueert naar superdiversiteit. “In de stad Antwerpen is de meerderheid van inwoners onder de leeftijd van 50 jaar van buitenlandse oorsprong of met migratieachtergrond. Nog steeds komt de helft van de migratie uit onze buurlanden en zijn de grootste groepen van buiten Europa nog steeds uit Marokko en Turkije. De top tien is: Nederland, Marokko, Turkije, Spanje, Frankrijk, Polen, Roemenië, Bulgarije, Irak en India. Elk conflictgebied in de wereld stuurt mensen uit, zodat de diversiteit steeds groter wordt.

Het integratiebeleid was lange tijd afgestemd op mensen uit Marokko en Turkije. Maar nu is er een superdiversiteit, niet alleen aan herkomstlanden, maar ook aan motieven, burgerschapsstatuten en opleidingsniveau. Mensen met een hoge opleiding leren sneller een andere taal, dan mensen met een lage of geen scholing, bijvoorbeeld. Maar ook binnen de herkomstgroepen zelf is er diversiteit, bijvoorbeeld tussen Marokkanen die hier al vele decennia wonen en recent aangekomen migranten uit Marokko. Superdiversiteit stelt enorme uitdagingen aan het integratiebeleid en is ook een uitdaging waar de Vlaamse samenleving niet goed mee omgaat. Het volstaat om te vergelijken met onze buurlanden om te zien dat Vlaanderen op vele criteria slecht scoort. Het gaat dan bijvoorbeeld over discriminatie op de huisvestings- en de arbeidsmarkt. Ook middenveldverenigingen – ook al staat in hun missie dat ze open staan voor diversiteit – zijn zelden een afspiegeling van de samenleving en slagen er dus ook niet in om diversiteit in de organisatie binnen te brengen.

NATIONALE SOLIDARITEIT 

Stijn Oosterlynck graaft wat dieper in de tijd. “In ons land hangt het ontstaan van de structuur van de solidariteit samen met de ontwikkeling van de natiestaat. Onze solidariteit is georganiseerd op basis van het nationaal toebehoren. Als je aan mensen hier vraagt: moet wie wil je solidair zijn, dan antwoorden ze: met de Belgen, de Vlamingen. We zijn dus bereid te delen en herverdelen met mensen waarmee we een lotsverbondenheid voelen. Dat was in 1830 zeker nog niet zo, maar op 150 jaar is België er in geslaagd een lotsverbondenheid te creëren onder haar onderdanen, ook door het vormgeven aan de welvaartstaat. Solidariteit is gebouwd op een culturele homogeniteit, op gedeelde waarden en normen, en op een zelfde verleden.”

“De sociale zekerheid herverdeelt op basis van wat je bijgedragen hebt. Als je werkt, betaal je sociale bijdragen. Als je te oud of ziek geworden bent om te werken, dan krijg je er iets uit terug. Dat houdt heel weinig rekening met culturele verschillen. Alleen wordt dit wat bemoeilijkt omdat sociaaleconomische ongelijkheid heel nauw samenhangt met de culturele diversiteit. En dan komt de vraag: mensen uit migratie dragen te weinig bij, waarom zouden we dan solidair moeten zijn? 

In België is de armoede bij mensen met een Marokkaanse achtergrond 50%, terwijl het Belgisch cijfer 13% is. Bij de Turkse gemeenschap liggen de armoedecijfers iets lager, maar nog steeds veel hoger dan het Belgische cijfer. Met andere woorden: het samengaan van armoede met diversiteit, bemoeilijkt ook de solidariteit. Maar we hebben solidariteit nodig, om van een samenleving meer te maken dan een optelsom van individuen, om te bekomen dat mensen zorg dragen voor elkaar. Als solidariteit in de praktijk vooral geldt voor de eigen culturele groep, dan is dit een zo divers geworden samenleving een probleem. Zonder solidariteit die de culturele grenzen overstijgt, kunnen we de samenleving niet samenhouden. Vandaar de onderzoeksvraag: Wat kunnen manieren zijn om toch solidair te zijn? Wat zijn mogelijke oplossingen?”

OPLOSSINGEN SOLIDARITEIT EN SUPERDIVERSITEIT

“De eerste optie is assimilatie. Deze optie gaat tegen de wetenschappelijke consensus in, maar wordt door beleidsmakers toch nog genomen. Assimilatie, een woord met een zware geschiedenis, zet mensen onder druk om één te worden, om verschillen weg te werken. Het duwt naar gelijke waarden en normen en heeft een uitsluitende werking. Maar als er geen culturele meerderheid mee is, is dit gaan optie meer. In Brussel heeft 70% van de mensen een migratie-achtergrond. De resterende 30% zijn Vlamingen en Franstaligen. Wie is daar de culturele meerderheid?”

“Een tweede optie (de Amerikaanse) is: onderhandelen en discussiëren tot er opnieuw gemeenschappelijke grond gevonden is, een nieuw “wij”. Deze optie werkt meer insluitend, omdat je een aantal culturele verschillen kan aanvaarden, terwijl een aantal andere verschillen niet kunnen. Op de lange termijn is dit een goede optie. 

Wel stelt het de vraag: moeten we wachten tot we ergens ooit gedeelde grond gevonden hebben? Kunnen we nu al iets doen? Wat is de minimale gedeelde grond, waarvoor mensen toch verantwoordelijk willen zijn?  Die gedeelde grond is er, heel laagdrempelig: de plaats waar mensen wonen, werken, vrije tijd beleven, onderwijs volgen,… Dat is de derde optie. Als we het op die plaatsen aangenaam willen maken voor elkaar, delen we dan ook de verantwoordelijkheid? Als dat gebeurt, kunnen dan ook vormen van solidariteit in diversiteit ontstaan? Met andere woorden: kan er op die minimaal gedeelde plaatsen een soort van nieuwe lotsverbondenheid en loyauteit ontstaan, die overslaat naar de groep en naar bredere solidariteit? Het onderzoeksteam is op 31 plaatsen gaan kijken of het werkt. En het werkt, onder bepaalde voorwaarden”. Hij geeft een voorbeeld. 

Mater Dei,  een katholieke school in Leuven, zag op 10 -15 jaar tijd veel kinderen met een migratieachtergrond binnen komen in de school. In eerste instantie verzuchten directie en leerkrachten: we krijgen de leerlingen niet meer op het niveau dat het vroeger was, we krijgen ze niet meer doorgestroomd naar asorichtingen, … Ze probeerden met de beste bedoeling dat doel toch te bereiken, maar de leerlingen starten gewoonweg niet met dezelfde bagage. Het is dus veel moeilijker werken. En dan krijg je mensen die teleurgesteld geraken. Een nieuwe directeur vond dat de school opnieuw de samenleving rond de school moest herontdekken. Hij wilde die samenleving leren kennen en er banden mee smeden om het gemeenschappelijk schoolproject – solidariteit – opnieuw te gaan maken.

Iedere morgen stond hij aan de schoolpoort om praatjes te slaan. Na schoolvergaderingen gingen de leerkrachten iets drinken in de buurt, in een café waar ze anders niet naar toe zouden gaan,.. Dat allemaal om de buurt te leren kennen en relaties te maken met organisaties uit de buurt. Zo bleken veel kinderen naar het buurtcentrum te gaan voor huiswerkklasjes. Er ontstond samenwerking en men ging diversiteit in de klassen ook zien als een rijkdom. De dag start met een ronde gesprek dat binnen brengt wat de scholieren bezig houdt. Als er ergens een tornado of ramp is gebeurd, kan die leerling dat inbrengen. Dat is dan waardevolle kennis om  in gesprek te hebben. De aanpak is gelukt, zij het dat de directeur op een bepaald moment in burn-out is gegaan. Maar de school is er in geslaagd om een nieuw soort schoolgemeenschap te vormen, met  solidariteitsbanden waren, deze keer over culturele grenzen heen.

Kan de sociale zekerheid – de welvaartstaat – een grotere legitimiteit verkrijgen door de vorm te vernieuwen?

Stijn Oosterlynck antwoordt dat de welvaartstaat niet aan legitimiteit verliest, maar wel aan legitimiteit om te delen met mensen met migratieachtergrond. Op dit moment vertrouwen wij de welvaartstaat, omdat er een gemeenschapsidee onderzit. Nu zijn we solidair met 10-11 miljoen andere Belgen. Die kunnen we niet allemaal ontmoeten, maar toch hebben we daar een voorstelling bij. Maar dit sluit de multidiversiteit niet in. Daarom willen we werken aan die gemeenschapsverbeelding, zodat we het normaal vinden dat er in de gemeenschap ook mensen zitten met een andere culturele achtergrond. En het onderzoek toont dat het lukt op de plaatsen waar mensen actief zijn. We speculeren dat deze aanpak effect zal hebben op langere termijn, zodat een meer diverse welvaartstaat aanvaardbaar wordt. Overigens is onze welvaartstaat ook heel lokaal begonnen, met een stakingskas in een café, lokale armenzorg, lokale huisvestingsmaatschappijen,… Ook met solidariteit in diversiteit kan lokaal echt tot stand komen en zich verder zetten in grotere structuren.

Kan ontmoeting solidariteit vergroten? 

Voor de sociologie zijn er vier bronnen van solidariteit. Eerste bron is de onderlinge afhankelijkheid, die ontstaat naarmate een samenleving complexer wordt. We zijn niet meer allemaal landbouwer, maar hebben heel veel soorten jobs. Maar die kan je alleen maar doen, als je beroep doet op anderen. De tweede bron zijn de seculiere waarden en normen. Ook die houden ons samen. Maar daar is het al minder zeker van dat dit vandaag nog zo is. De derde bron is sociale strijd. Mensen die zich samen ergens voor inzetten, ontwikkelen echt solidariteit. Verzet tegen het kappen van een bos bijvoorbeeld. Of ook mensen in armoedesituatie die samen opkomen voor hun rechten. De vierde bron is de ontmoeting. Mensen die elkaar ontmoeten en elkaars verhaal leren kennen, krijgen sympathie voor elkaar en dat is een bron voor solidariteit. Maar deze bron heeft zijn beperkingen. Voor deze ontmoetingen moeten mensen tijd willen maken, je moet er dus al ergens zin in hebben. Dat geldt niet voor iedereen en dus maak je al een sterke selectie.

De onderlinge afhankelijkheid is een veel sterkere bron om solidariteit te ontwikkelen. De meest succesvolle multiculturele ontmoetingen in onze samenleving zijn de ontmoetingen die niet zo bedoeld zijn. De Kringloopwinkel is daar een zeer geslaagd voorbeeld van. Je vindt er alle slag van mensen samen. En ze zijn er omdat ze een reden hebben om er te zijn. De tip die hier uit volgt is: als je ontmoeting organiseert, probeer dan een reden te vinden voor de ontmoeting. Maak van diversiteit niet de inzet van de ontmoeting, want dan ga je al heel wat mensen moeilijk tot bij jou krijgen. Probeer iets te vinden waar mensen dingen kunnen doen. Rommelmarkten hebben geen  diversiteitscoördinatoren, maar het lukt wel om daar met een heel diverse groep te zijn. Ook stadslandbouw en volkstuintjes werken goed. In de marge van de activiteit ontmoeten mensen elkaar. Wanneer mensen ergens zijn met een reden, krijg je gemakkelijker gesprekken en interculturele ontmoetingen. En ze zijn ook veel minder geladen.

Als ik een nieuwe vrijwilligersgroep wil maken die superdiversiteit in zich kan dragen, hoe pak ik dat best aan?

Solidariteit onder mensen die elkaar als gelijken zien, gaat vrij spontaan. Wanneer je solidariteit wil bekomen tussen groepen die elkaar niet als gelijken zien, dan stel je vast dat je bijna altijd mensen nodig hebt, die zich daar specifiek op richten, en die bijzonder competent zijn om daar mee om te gaan. Het start en loopt niet vanzelf. Dat advies hebben we ook aan het beleid gegeven. Om diversiteit te ontwikkelen moet veel meer worden ingezet op het ondersteunen van interculturele competenties in het verenigingsleven. Iedere buurt kan vrijwilligers gebruiken die goed weten hoe daarmee om te gaan en die kunnen inschatten: wat is hier vandaag nodig?”

Redactie: Rita Boeren

netwerkmoment
Laatste aanpassing op 18/06/2026 om 15:58
HomeAttent
Algemeen
  • Contacteer ons
Sociale kanalen
  • Facebook
© Attent 2026
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Abonnementsvoorwaarden
  • Vacatures
Ga naar Otheo