Overslaan en naar de inhoud gaan
Ga naar Otheo
HomeBisdom Antwerpen
  • Startpagina
  • Contacten
  • Over ons
Search form expand icon
Mobile menu expand iconMenu
HomeBisdom Antwerpen
Mobile menu expand iconSluiten
  • Startpagina
  • Contacten
  • Over ons
  • Bisdom Antwerpen
    • Geschiedenis en situering
    • Beleidsploeg, administratie en beleidsdocumenten
    • Officiële berichten
    • In memoriam
    • Evenementen in het bisdom Antwerpen
    • Onze-Lieve-Vrouwekathedraal Antwerpen
  • Contactgegevens
  • Bisschop Johan Bonny
    • Mgr. Johan Bonny, 22ste bisschop van Antwerpen
    • Curriculum vitae
    • Bisschopsleuze en wapenschild
  • Wegwijs in het bisdom Antwerpen
    • Diocesane structuren in het bisdom Antwerpen
    • Vicariaat Antwerpen
    • Vicariaat Kempen
    • De Diocesane Diensten
    • Vicariaat Onderwijs bisdom Antwerpen (VOBA)
  • Bijbel
  • Liturgie, catechese en catechumenaat
  • Gezinspastoraal/ Aanspreekpunt Geloof en Homoseksualiteit
  • Vorming/opleiding
    • CCV
    • HIGW
    • Opleiding pastoraal handelen
    • Vormingskalender
  • Jongeren
  • Communicatie
    • Relevant
    • Otheo
    • Digitale nieuwsbrief
    • Privacyverklaring
  • Vacatures
  • Theologisch en Pastoraal Centrum
  • Dienst Zorg in het bisdom Antwerpen
  • Internationalisering en diversiteit
  • Kerkverlatingen

Dagelijkse blog: tussen 'opstaan' en 'naar buiten gaan' ...

Jezus is opgestaan! Hij wekt en wenkt ons. Ik ga de uitdaging aan om 7 x 7 maal op te staan. Ik maak me klaar om op dag 50 naar buiten te gaan.

Zondag 23 mei – PINKSTEREN

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,26-27; Joh 16,12-15)

Niet langer staren wij

naar de hemel,

varen laten wij de verte.

Nabij

is Hij en de hemel

waar de aarde wel bij vaart.

9 dagen baden wij

in water uit de Hemelvaart.

9 maal vragen wij

dat komt wat komen gaat:

een noveen

die de Geest van eenheid

stromen laat.

Boven water komen wij.

Op Pasen

bracht de nacht

de Zon aan de horizon.

50 dagen later

staat de Zon

hoog aan de hemel.

Warm worden wij

en de wereld.

Zonnestralen

halen ons naar buiten.

Niet te stuiten

is de zomer

van ons geloof.

 

ZALIG PINKSTEREN!

 

Zo kan het niet verder …, maar kan jij hulp vragen?

Als wij het woord ‘Pinksteren’ horen, dan denken wij aan het verhaal uit het tweede hoofdstuk van het boek Handelingen. De leerlingen zitten binnen. Ze hebben zich opgesloten. Ik stel me voor hoe ze bidden en meteen is de Geest in hun midden. Er zijn zoveel tongen van vuur dat men er plots de mond vol van heeft. Als de Geest werkelijk bij je binnenkomt, ga je dus naar buiten. Weet je wat er in de Bijbel staat over de omstaanders? Dat ze ‘buiten zichzelf waren’. Blijkbaar kan iedereen de Geest verstaan als we naar buiten gaan en uit onszelf treden. Als we ons niet in onszelf keren, komt dus naar buiten wat goed en God is. Maar … die lezing uit het boek Handelingen is dus NIET het evangelie.

Het evangelie van vandaag zegt dat het zo niet verder kan! We zijn al 49 dagen onderweg, maar zijn we eigenlijk … al een stap verder? Mag ik eerlijk zijn? Soms denk ik dat ik mij bevind in een omgekeerde processie van Echternach. Weet je trouwens wanneer die processie plaatsvindt? Inderdaad, enkele dagen na Pinksteren. Zoals in die processie komen we eigenlijk niet vooruit. We gaan twee passen naar voor en dan weer drie achteruit. Het is duidelijk: ‘alleen’ komen we er niet uit. Ondanks Pasen zitten wij nog gevangen in het lege graf. De rotswanden komen op ons af. De muren die we bouwden om ons heen, houden onze lasten vast. Zoeken we Hem nog? Of hebben we Hem verbannen naar de boeken die geschiedenis schrijven. Is Jezus ‘verleden tijd’? Of mag Hij onze toekomst blijven?

We kregen reeds 49 dagen om te ontsnappen uit de escape-room die we zelf hebben gebouwd. En het lukt ons dus niet. We snappen het niet. Ondanks Pasen denken we nog steeds dat we onszelf kunnen bevrijden. We redden het dus niet. 49 dagen heeft Hij ons naar buiten willen leiden, maar er is niemand die de uitgang ziet. 49 kansen hebben wij gekregen en tot 7 x 7 maal heeft Hij ons vergeven. Wat nu? Durven wij hulp vragen? Kunnen wij bidden om bijstand? Hebben wij in onze escape-room al gebeden om de Geest van leven? Weerklonk ‘kom heilige Geest’? Of dachten we echt dat we op eigen kracht naar buiten kunnen?

Het evangelie zegt dus dat er vandaag ‘een Helper’ komt. De Geest is dus blijkbaar een hulp in onze huishouding van het geloof. Ik denk dus dat die Helper vele taken krijgt. De Geest zorgt wellicht dat we ‘binnenshuis’ en dus vanbinnen klaar zijn om naar buiten te gaan. Wellicht helpt de Geest dus met het opruimen en het poetsen. Alles wat ons in de weg staat en alles waarover we struikelen, wordt netjes opzij gezet. De Geest zal er wellicht ook op letten dat we niet rondlopen in onze pyjama. We moeten ons aankleden om naar buiten te gaan. Wellicht denkt de Geest ook aan onze voeten. Hij schenkt ons schoenen. We kunnen het namelijk echt niet ‘op onze sloffen’.

Wist je dat de Geest niet alleen komt? Wie het evangelie van vandaag leest, merkt dat ook de Vader en de Zoon erbij zijn. Pinksteren staat bekend als het feest van de Geest en pas een week later is het tijd voor het feest van de drie-eenheid. Toch komen met Pinksteren de Vader, de Zoon en de Geest reeds samen. De hele familie is erbij. We vieren namelijk het doopfeest. Ja, zoals we met Pasen onze doopbelofte hernieuwen en herinnerd worden aan ons doopsel met water, zo gebeurt 50 dagen later iets soortgelijk. We herdenken dat we ook gedoopt zijn met de Geest. De Geest wil zich onderdompelen in ons. Vervolgens wil Hij in ons naar boven komen, opstaan en naar buiten stromen.

Allen zijn we gedoopt ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest’. Ook de doop met de Geest herhaalt deze korte en krachtige geloofsbelijdenis. Met deze zin is eigenlijk alles gezegd. Pinksteren brengt echter aan het licht dat die ene zin slechts zin heeft als die woorden ook gezien worden als een zending. Ja, we zijn gedoopt met water en met de Geest, om ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Geest’ op weg te gaan. In Zijn naam mogen we getuigen, spreken en leven. Pinksteren zegt dus dat we niet alleen staan. De Helper is er reeds en steeds. En als we de Geest niet voelen, mogen we altijd, en op alle tijden, met het getijdengebed bidden: ‘God, kom mij te hulp, Heer, haast U mij te helpen’.

 

Strootjes van hoop

werden aan elkaar geknoopt,

pluimpjes uitgereikt

en vederlichte zachtheid

werd bereid.

Pasen was echter opstaan

in een leeg nest.

Niemand vloog erin,

de tijd kroop

terwijl corona

verder tikte.

Zijn wij

als eieren gebroken?

Op welke schaal zijn wij gevallen?

Rauw en geroerd,

lijkbleek en wat vergeeld

bleven wij toch broeden

op de toekomst.

Smekend keken we op

naar de hemel.

Ja, uitvliegen zullen wij,

want nooit voorbij

is Pinksteren.

Lieve Gommers

Klik op een dag als u de bijbehorende blog wil lezen.

Wilt u reageren? Mail naar: lieve.gommers@bisdomantwerpen.be

Pasen
Paas-
maandag
Dinsdag
in de paasweek
Woensdag
in de paasweek
Donderdag
in de paasweek
Vrijdag
in de paasweek
Zaterdag
in de paasweek


Beloken
Pasen
Maandag
12 april 2021
Dinsdag
13 april 2021
Woensdag
14 april 2021
Donderdag
15 april 2021
Vrijdag
16 april 2021
Zaterdag
17 april 2021


3de Zondag
van
Pasen
Maandag
19 april 2021
Dinsdag
20 april 2021
Woensdag
21 april 2021
Donderdag
22 april 2021
Vrijdag
23 april 2021
Zaterdag
24 april 2021


4de Zondag
van
Pasen
Maandag
26 april 2021
Dinsdag
27 april 2021
Woensdag
28 april 2021
Donderdag
29 april 2021
Vrijdag
30 april 2021
Zaterdag
1 mei 2021


5de Zondag
van
Pasen
Maandag
3 mei 2021
Dinsdag
4 mei 2021
Woensdag
5 mei 2021
Donderdag
6 mei 2021
Vrijdag
7 mei 2021
Zaterdag
8 mei 2021


6de Zondag
van
Pasen
Maandag
10 mei 2021
Dinsdag
11 mei 2021
Woensdag
12 mei 2021
O.L.Heer Hemelvaart
Vrijdag
14 mei 2021
Zaterdag
15 mei 2021


7de Zondag
van
Pasen
Maandag
17 mei 2021
Dinsdag
18 mei 2021
Woensdag
19 mei 2021
Donderdag
20 mei 2021
Vrijdag
21 mei 2021
Zaterdag
22 mei 2021
Pinksteren

Paasmaandag

(bij het evangelie van de dag: Mt 28,8-15)

Mag Pasen jou begroeten? En wat zeggen jouw voeten?

Pasen maakt alles anders. Zelfs mijn blog. Niet alleen de lay-out werd opgefrist, maar ook de tekst zal groeien en buiten de groene lijntjes van de kaders kleuren. De veertigdagentijd was een periode van beperking. Zelfs mijn zinnen werden ingekort en ik gebruikte vele 'regels' om de witruimte te tonen die Pasen brengen zou. De tijd van minderen is nu niet meer, dus na Pasen probeer ik mijn inzet te vermeerderen. Ik zal wat langer stilstaan bij mijn opstaan en naar buiten gaan. Mijn zinnen zullen het lengen van de dagen volgen. Langer zullen zij vertellen over het verlangen om geloof een plek te geven in het leven.

Mijn blog kreeg de titel ‘tussen opstaan en naar buiten gaan’. Jezus staat op nog voor het morgen wordt. ’s Morgens in de vroegte is Hij reeds vertrokken. Hij kan niet wachten om ons tegemoet te komen. Hij wil ons begroeten. In het evangelie van vandaag horen we wat Hij zegt tot allen die Hem zoeken. “Wees gegroet”, zegt Hij. Een groet die ons doet denken aan wat de engel zei toen hij een bezoek bracht aan Maria. Wie had ooit gedacht dat de Heer ook ons zou aanspreken met de woorden: “Wees gegroet”. Ja, Hij zegt ons dat ook wij ‘in blijde verwachting’ zijn. Pasen mag groeien in ons. 50 dagen lang. Pas op Pinksteren zal ons geloof echt naar buiten komen. Enkel wanneer geloof de tijd en ruimte krijgt om te groeien, kan het later openbloeien en zich in geuren en kleuren, in alle talen en verhalen tonen aan de wereld.

De geschiedenis herhaalt zich. Maria schrok toen de engel haar bezocht. De engel zei “Vrees niet, jij hebt genade gevonden in Gods ogen”. Ook het paasverhaal van vandaag spreekt over Maria, over Maria in meervoud. Er zijn meerdere Maria’s die naar het graf gaan. Ook wíj mogen ons bij hen voegen. En ook zij … schrikken als ze worden begroet. Ze weten niet goed wat ze moeten denken en ze willen vooral zijn voeten voelen. Zoals een vingerafdruk zegt wie je bent, zeggen je voeten namelijk waar je voor staat en waar je heen gaat. En dan zegt Jezus wat ook Maria hoorde: “Wees niet bevreesd”. Verweesd waren wij achtergelaten. Na zijn dood waanden we ons alleen. We zagen zelfs onze broeders niet meer. Of we hadden niet door dat ze onze broeders en zusters waren. Jezus zegt echter dat we naar hen toe moeten gaan. Geloven doe je nooit alleen. Je kan het niet zonder Hem en zonder zijn mensen. Wie alleen is of alleen staat, is wellicht bang, maar samen zie je steeds meer dan angst. Samen kan je zelfs iets zien in het geloof.

Het evangelie van vandaag gaat echter niet enkel over mensen die zich hechten aan de Heer en geloven in het ongelofelijke. Terwijl de vrouwen zich vastklampen aan Jezus’ voeten, gebeurt er ook iets dat ‘laag bij de grond is’. Hogepriesters en soldaten staan paraat om het startschot te geven voor een heilige oorlog. Dieven stelen geld, maar wat als er geld wordt gegeven om valselijk te beweren dat er gestolen is? Hogepriesters en soldaten gaan de strijd aan met de verrijzenis en ze beweren dat de leerlingen in de nacht de verrijzenis hebben bedacht en het lijk hebben weggebracht. Maar wie zou in Godsnaam naar het graf gaan als je zelf het lichaam had gestolen? Waarom op zoek gaan naar iets dat je zelf in huis hebt?

Het evangelie van vandaag verhaalt dus hoe de verrezen Jezus de harten steelt van velen. Liefde is echter niet eenvoudig. Liefde is altijd ‘meervoud’. En geloof gaat altijd gepaard met bijgeloof en ongeloof. Dat was 2000 jaar geleden zo en dat is ook zo vandaag. Wellicht leest de Heer ook in onze ogen een mengeling van geloof en ongeloof. Kunnen wij echt geloven in het leven dat Hij ons belooft?

Lieve Gommers

Dinsdag in de paasweek

(bij het evangelie van de dag: Joh 20,11-18)

Lijk jij op Maria Magdalena? En wil je dat wel?

Ooit toonde ik een schilderij van Maria Magdalena en weet je wat iemand zei? Hij zei dat ik op haar leek. De vrouw op het schilderij had ook lange haren en gekrulde zinnen en haar emotie spatte in het rond. En daar stond ik dan. Ik wist niet wat ik denken moest. Was het een belediging of een compliment? Zei het schilderij louter wie ik ben of is Maria Magdalena eerder het prototype van elke mens?

Ik vind het zonde dat Maria Magdalena wordt beschouwd als een zondige vrouw. Waarom kijken wij niet naar haar zoals Jezus deed? Hij zag niet de zonde, maar wel het berouw. Hij hield van haar passie, haar roekeloos zoeken en haar onophoudelijk rouwen.

Het evangelie van vandaag vertelt dat Maria Magdalena aan het huilen is. Niet stiekem of in een hoekje. Het is geen verdriet dat je niet ziet. Het is pijn die er mag zijn. Het is diepe rouw die zich niet gauw laat verstoppen. Het zijn tranen die niet aan hun einde komen. De tijd van leegte wordt gevuld met stromen van droefheid.

Haar verdriet is zichtbaar, maar geeft geen uitzicht op het lege graf. Ze staat huilend bij de plaats waar Hij lag. Het is druk op het kerkhof. Vreemd op dat vroege uur. Er zijn twee engelen en een tuinman. Maar Maria van Magdala vindt dat blijkbaar niet eens raar. Ze reageert namelijk niet verbaasd. Misschien omdat ze wat verdwaasd is of omdat niets haar nog verbazen kan.

En dan klinkt tot tweemaal toe: “Waarom schreit gij?” Waarom een gesprek beginnen met een ‘waarom-vraag’ die geen mens beantwoorden kan? Of heb ik het mis? Dit verhaal leert ons toch dat wie die vraag stelt een engel is. Het is wellicht bovenmenselijk om te vragen naar wat je reeds weet. Wie vraagt om iets te krijgen of om iets te weten te komen, vraagt iets voor zichzelf, maar er zijn ook ‘vragen’ die iets ‘geven’. Ze schenken de mogelijkheid om in woorden te vatten wat ondenkbare chaos en emotie is. Wie vraagt naar het ‘waarom’ van tranen brengt het verhaal boven water. De tranen rollen weg als ze zegt dat ze niet weet waar haar Heer is neergelegd. Voor de tweede keer wordt de Heer haar ontnomen. Eerst stierf Hij en nu vindt Hij niet eens rust in zijn eigen graf. Ongerust vraagt ze zich af waar Hij is.

Het korte evangelie van vandaag bevat echter twee maal dezelfde vraag. Twee maal weerklinkt: “Waarom schreit gij?” Jezus herhaalt wat reeds klonk in het verhaal. Ook Hij vraagt – als de Engel der engelen – waarom ze huilt. Wellicht weet Hij dat verdriet niet in één, twee, drie verdwijnt. Enkel wanneer ze het verhaal meermaals heeft gedaan, kan ze een stapje verder gaan. Niet om het verdriet achter te laten, maar om het draagbaar te maken.

Jezus stelt echter nog een andere vraag. Maria van Magdala heeft niet zomaar Iemand verloren. Ze heeft ALLES verloren. Ze IS verloren. En terwijl ze juist zélf verloren is, vraagt Jezus wie ze zoekt. Zij heeft gevonden wie ze zocht zonder dat te weten. Ze beseft niet wat ze heeft. Ze herkent de Heer niet en wellicht herkent ze ook zichzelf niet meer. Ze denkt dat Hij de tuinman is en zij een ‘plant’: een mens die leeft, maar niet beweegt. Als kind begreep ik niet zo goed wat een tuinman op het kerkhof doet. Een grafdelver of een onderhoudsman had ik er wel verwacht, hoewel ik hun werk in de nacht toch een beetje verdacht vond. Een tuinman heb ik als kind altijd geassocieerd met iemand die groenten teelt. Ik zag dus een kerkhof vol met huilende uien, rijen van prei en diepe wortels. En eerlijk gezegd vond ik het als kind wel fijn dat er na Pasen dus niet enkel Brood en Wijn, maar blijkbaar ook groenten zijn. Nu denk ik dat een tuinman vooral buiten is. Hij is dus een buitenmens die buitenmenselijk is. Hij zit niet meer vast, niet in het graf, niet op de aarde. Hij is gewoon buiten en buitengewoon. Hij groeit uit boven de dood en kruipt zelfs in onze huid.

Dan noemt Jezus haar naam en zij herkent Hem: niet aan zijn stem, noch aan zijn lichaam. Ze herkent Hem, niet aan het breken van het Brood, maar aan zijn liefde, sterker dan de dood. Ze voelt de liefde trillen in zijn warme stem. En terwijl Hij zegt “Houd me niet vast”, leert ze van haar Rabboeni wat liefde werkelijk is: LOSLATEN!

Lieve Gommers

Woensdag in de paasweek

(bij het evangelie van de dag: Lc 24,13-35 – Emmaüs)

Wat wil jij niet weten?

Velen zijn werkelijk weg van Emmaüs. Ze lopen ermee te koop. Ze kunnen niet zwijgen over het sprekende verhaal en ze zijn niet weg te slaan van de maaltijd.

De laatste keer dat ik het verhaal vertelde, werd ik echter de mond gesnoerd. Er was iemand die alles wist: wie Kleopas was en waar Emmaüs lag. Ik geef toe dat ik teleurgesteld was. Ik wou en wil dat niet weten.

Als ik niet weet wie Kleopas is, dan zou ook ik het kunnen zijn. Sommigen zeggen dan dat ik ook de naamloze andere leerling kan zijn, maar dat wil ik niet. Ik wil niet naamloos zijn en onbestemd. Ik wil met Hem spreken en luisteren naar zijn stem. En ik wil vooral dat Hij ook mij bij name kent.

En Emmaüs wil ik echt niet op de kaart plaatsen. Ik wil dat Emmaüs niet bestaat. Dat zou toch krachtig zijn. De leerlingen gaan dan naar Emmaüs, een plaats die er niet is. Ze gaan dus ‘nergens naartoe’. Ze hebben geen doel meer. Ze gaan terug. Terug naar af.

Soms denk ik dat ik niet wil aankomen. In Emmaüs. Ik wil blijvend onderweg zijn. Met Hem. Als een nomade of een pelgrim die ‘een mens is van de weg’ en al wandelend thuiskomt. Bij Hem.
Soms echter wil ik ook zélf in Emmaüs wonen, in ‘the middle of nowhere’, in een vergeten plek, die niemand iets zegt en waar niemand iets zoekt of te zoeken heeft. En dan zou ik Hem vragen om te blijven. Niet zozeer in Emmaüs, maar wél bij mij. En niet alleen voor de nacht, maar voor altijd.

En natuurlijk zou ik met Hem aan tafel gaan. En gezien Hij onverwacht komt, heb ik wellicht niets in huis. Zeker geen vers brood en al helemaal geen wijn. Ik zie voor mij hoe hij een oude boterham in tweeën slaat en we ons een breuk lachen omdat het niet te eten is. Ik stel me voor hoe ik er dan een soepje van maak en we het oude brood dopen in een waterzooi van groenten uit de tuin van het leven.

Wellicht denken nu velen dat ik niets uit het verhaal haal en vooral de eucharistie vergeet. Aangezien ik niets in huis heb, wil ik de eucharistie echter graag bewaren voor later. Ik vind – eerlijk gezegd – dat die te vlug komt in het verhaal. Kinderen moeten wachten tot ze zeven zijn en begrijpen dat het eucharistisch brood niet zomaar brood is, maar de Heer die zich geeft. Ik zou ook willen wachten en nog wat verlangen naar wat in mij leeft.
Kortom, die eerste avond samen wil ik de eucharistie nog niet. Natuurlijk wil Hij ons reeds zijn leven geven, maar wat als ik nog niet klaar ben om te antwoorden op zijn liefde? Of ben je daar nooit klaar voor?

Ik wil Hem eerst nog vaak herkennen: aan zijn woorden, maar vooral aan zijn daden die verraden wie Hij werkelijk is. En hoewel ik weet dat je nooit weet wat er gebeurt in een eucharistie, wil ik toch weten wat die leerlingen volgens mij niet weten wanneer ze met Hem aan tafel gaan. Ik wil minstens weten dat er iets te gebeuren staat. Ik wil tijd en openheid om het voluit te beleven.

En weet je wat mij het meest afschrikt in dit veel te mooie verhaal? Dat Hij verdwijnt uit het gezicht. Wanneer ze Hem herkennen, is Hij er plots niet meer. Of wellicht is Hij er nog wel, maar ze moeten Hem niet meer zoeken. Of ze moeten Hem niet meer zien, omdat ze geloven zonder te zien.

Ik zie dus niet zo veel in het verhaal. Of juist wel. Ik wil eigenlijk vooral: dat Hij komt wonen in Emmaüs en wil huizen in ons hart.

Lieve Gommers

Donderdag in de paasweek

(bij het evangelie van de dag: Lc 24,35-48)

Ben jij ook gevraagd als huwelijksgetuige?

De verrijzenis vat je niet in één, twee, drie. Wellicht zijn ook wij leerlingen die pas leren als het verhaal zich herhaalt. Jezus die Maria van Magdala ontmoet. Jezus die Kleopas en die andere begroet. En vandaag zijn ze met velen - te veel voor in coronatijden -. Ze staan over Hem te praten. Wie van de duivel spreekt, trapt reeds op zijn staart, dus wie van God praat, weet dat Hij naast je staat.

Jezus geeft hen de zegen. Hij wenst hen ‘vrede’, maar dat is niet wat er gebeurt. De leerlingen schrikken en beven. Ze nemen geen vrede met het verleden. Ze worstelen en strijden met de verrijzenis. Ze voeren oorlog met zichzelf. Hun verstand komt in opstand tegen de opstanding. Ze denken dat ze een geest zien. Ze verwachten dat Hij slechts een schim is van hun gedachten. En dan doet Hij zoals wij. Hij eet. Enkel wie leeft, heeft de behoefte om zich te voeden. Ik stel me voor hoe Hij graatmager is van drie dagen in de dood en de duisternis. En weet je wat Hij eet? Geroosterde vis. Voor het eerst zie ik hier het vuur van Pinksteren. Het wakkert de hoop aan dat het waar is. Ik stel me voor hoe hun hart begint te branden, zoals bij die leerlingen van Emmaüs. Ik denk aan het spelletje ‘warm-koud’. Je vindt dan wat je zoekt als het warm wordt onder je voeten. Ik zie voor mij hoe de leerlingen Jezus omarmen. Hij gaat voor hen door het vuur.

Na het eten, laat Hij nog even weten wat Hij zeggen wil. Een mens leeft niet van Brood of vis alleen, hij moet er Woord bij hebben. Jezus vertelt de Schriften die Hij heeft beleefd. Voor het eerst komen de Wet, de profeten en de psalmen tot leven. En plots weten de leerlingen wie zij zijn. Zij zijn GETUIGEN. Ze getuigen van het huwelijk tussen God en mensen. Bij het nieuwe verbond stonden zij op de eerste rij. Ze hebben het met hun eigen ogen gezien, met hun eigen oren gehoord en vooral hebben zij de liefde gevoeld en geproefd. Zij waren erbij. Tegelijkertijd begrijpen ze heel goed dat je identiteit niet alleen zegt wie je bent, maar ook wat je doet. Of te doen hebt. Ze zijn getuigen en hebben de taak om getuigenis af te leggen. Hun identiteit van ‘getuigen’ is een werkwoord. Het is wellicht ongehoord en volgens sommigen zelfs gestoord om te getuigen van wat je hebt gezien, terwijl het ongezien is. De leerlingen krijgen de taak om te getuigen over wat onmogelijk is. Voor God is namelijk niets onmogelijk: zelfs de verrijzenis niet. De leerlingen maken de opdracht om te getuigen echter niet onmiddellijk waar. De kracht ontbreekt hun. Het vuur, waarop vis geroosterd wordt, verbrandt definitief hun leven als vissers. Vanaf nu moeten ze écht de aandacht van mensen vangen. Maar … het kampvuurtje ligt nog aan hun voeten. Ze staan nog niet ‘in vuur en vlam’. Ze zijn nog bang. Omdat het heet kan worden. Onder hun voeten. En daar staan ze dan.

Weet je wat ik mij afvraag? Ik stel mij de vraag of zij … dat vuur brandend houden? Houden zij het Paaslicht brandend? Gooien ze af en toe hout of olie op het vuur? Blijven ze waken bij die warme vlammen die likkend en dansend vertellen over de liefde? Durven ze hun hand in het vuur steken. Voor Hem?

Wat mij ook opvalt, is … dat het vuur met de vis brandt in Jeruzalem. Jeruzalem is letterlijk ‘hoogverheven’. Het is het toppunt van geloof. De stad prijkt boven alles uit. De hoge ligging van de stad maakt dat kleine kampvuur wellicht tot een vuurtoren, een baken bij dag en nacht. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven en een lamp plaatst men niet onder een korenmaat. Daar, bij het kampvuur, worden zij van verre gezien. Zijn zij het licht der wereld? Ik denk het niet. Of NOG niet. Het is nog geen Pinksteren. Het hele gebeuren is nog niet echt bij hen ‘binnengekomen’. Laat staan dat ze naar buiten kunnen gaan en naar buiten kunnen komen met hun geloof.

Eerlijk gezegd stelt mij dat eigenlijk ook gerust. Zelfs leerlingen die het hebben meegemaakt, kunnen niet onmiddellijk beginnen aan hun taak. Daar, bij het vuur, moeten ze zich nog klaarmaken. Het Woord moet nog verteerd worden. Ze moeten nog leren om er iets van te bakken. Als zelfs die ooggetuigen de tijd krijgen om warm te worden, zullen ook wij niet ogenblikkelijk naar buiten moeten gaan. Jezus laat ook ons niet in de kou staan. Ook wij krijgen tijd en ruimte om het Pinkstervuur in ons te laten groeien. ​

Lieve Gommers

Vrijdag in de paasweek

(bij het evangelie van de dag: Joh 21,1-14)

Staan er sommen in de Bijbel?

De leerlingen hongeren steeds naar meer. En ze krijgen meer. Bij het meer van Tiberias. Daar leren ze dat vissers van mensen niet moeten vissen in de nacht. Dan moeten ze slapen. En dromen van de Heer.

De leerlingen gaan ’s nachts vissen, maar ze vangen niets. En Jezus, die niet eens een visser is, leert hen dat de vissen hen links laten liggen en dat ze dus hun netten rechts van de boot uit moeten werpen.

De leerlingen hebben nog heel veel te leren, want ze weten niet eens dat het de Heer is. Ze herkennen Hem niet. Je zou kunnen zeggen dat de afstand de reden is. De leerlingen bevinden zich namelijk op tweehonderd el van het strand. Het is dus al een wonder dat ze Hem verstonden. En van zover moet Hij sowieso een schim geweest zijn. Van zichzelf. Maar wonder boven wonder herkennen de leerlingen Jezus wél wanneer ze plots veel vissen vangen. Ze herkennen de Heer niet aan zijn woorden en deze keer ook niet aan zijn daden, maar veeleer … aan wat Hij doet mét en in hen. Ze herkennen Hem als ze zien dat ze iets doen dat ze helemaal niet kunnen. Ze merken dat wat ze doen te groot is voor mensenhanden. Hun visvangst getuigt van de Heer.

We zeggen nogal vaak dat ‘kwaliteit belangrijker is dan kwantiteit’, maar in het evangelie van vandaag gaat het toch vooral over de hoeveelheid. Als er zovelen zijn die door Hem worden opgevist, dan moet Hij toch wel de grote Messias en Bevrijder zijn. Ze vingen 153 vissen. Je zou je de vraag kunnen stellen waarom ze, terwijl ze de Heer ontmoeten, vissen gaan tellen. Ik zou wel degelijk iets anders doen! Misschien telt de hoeveelheid echter niet, maar enkel het getal. 153 is namelijk een droom voor wiskundigen. Ja, blijkbaar waren die vissers minstens even wijs als de drie wijzen. 153 bestaat namelijk uit 3 getallen en bijzonder is dat 13 + 53 + 33 juist 153 is. En meer nog, als je eender welk getal neemt dat deelbaar is door 3 en je elk van de afzonderlijke cijfers verheft tot de 3de macht en de uitkomsten bij elkaar optelt en dit herhaalt (en herhaalt, …), dan bekom je altijd 153. Als je niet gelooft zonder te zien, moet je het maar eens uitproberen. Als je dus, vissen of mensen of andere dingen die tellen, verheft tot de 3de macht en dan bij elkaar optelt, bekom je altijd 153. Wellicht gaat het in het verhaal dus om de 3de macht of de macht van drie of de triniteit. Als God – Vader, Zoon en Geest – om de hoek komt kijken, is een mens de koning te rijk! Alles wat door God ‘verheven’ wordt (tot de 3de macht) ontsnapt dus aan de nacht en toont in het getal 153 wat goed en God is.

De leerlingen hebben dus veel vis. Ze doen veel moeite om de vis aan land te slepen en … dan lijkt alles voor niets geweest. Ja, als ze aankomen brandt reeds een houtskoolvuur mét vis en brood erop! Waarom nog vissen vangen als er al vis is? Ja, wellicht leren de leerlingen dat vissen niets is ‘om de honger te stillen’. Ze moeten geen mensen gaan opvissen om er zelf beter van te worden of ervan te eten. Ze leren dat ze het moeten doen voor de Heer en voor de vissen. Niet zozeer voor zichzelf.

En weet je wat Jezus dan zegt? Hij vraagt hen om te komen ‘ontbijten’. Een ontbijt op het strand. Het lijkt bijna romantisch en het getuigt wellicht ook van de liefde van de Heer. Maar … wie heeft er nu ’s morgens zin in gebraden vis? Bij mij leidt dat tot ochtendmisselijkheid. Getoast brood vind ik OK, maar die vis is er toch te veel aan. Hoewel ik toegeef dat ‘brood en wijn’ voor een ontbijtje ook wat gek zouden zijn. Eerlijk gezegd zoek ik eigenlijk naar de gelijkenis tussen de wijn en de vis. Ik weet niet of er een verband is, maar normaal herkennen ze Hem aan het Brood en de Wijn dat samen de Eucharistie vormt. Is het misschien zo dat vis hen ‘van in den beginne verbindt’ en dat ook de wijn teken is van het (nieuwe) verbond tussen God en zijn kinderen?

Weet je trouwens dat 153, ja, dat getal van die vissen, ook het getal is dat hoort bij de woorden ‘zonen van God’. De Hebreeuwse woorden ‘beni ha elohim’ kunnen tellen. Elke Hebreeuwse letter staat voor een getal en als je de getalwaarde van de letters van ‘beni ha elohim’ optelt, dan kom je blijkbaar uit bij 153. Dus 153 vissen verwijzen dus wellicht naar ‘zonen van God’. Hij sticht een nieuw verbond met ons en maakt ons door zijn Zoon Jezus tot zijn zonen en dochters, tot zijn kinderen. Als het verhaal werkelijk dié boodschap brengen wil, dan … moet ik toch zeggen dat die boodschap erg goed verborgen is in wiskundige formules. Maar ja, misschien gaat het ook juist over iets dat heel moeilijk is: namelijk … OVER REKENEN OP GOD.

Lieve Gommers

Zaterdag in de paasweek

(bij het evangelie van de dag: Mc 16,9-15)

Wat als God jou iets vraagt dat niet mag … (of toch niet in coronatijden)?

De vraag van vandaag is … of je mag lachen tijdens het bidden. Ik was aan het bidden en kreeg de slappe lach. Ik las namelijk Mc 16,15. Dat vers vertelt wat we moeten doen: “Ga uit over de hele wereld”. Maar ja … dát is nu juist iets … dat we NIET mogen. We mogen niet reizen, hoewel Jezus wellicht zou zeggen dat het hier echt wel gaat over een essentiële verplaatsing.
De paasvakantie is bijna halverwege en er zijn zelfs mensen die vragen of mijn blog geen vakantie neemt. Alsof bidden en bezinnen ooit vakantie kunnen nemen. De vakantie is volgens mij juist de ideale tijd om méér tijd te besteden aan gebed en bezinning. Kortom, mijn blog neemt geen vakantie. Ze kan trouwens nergens heen. En een reisje naar zee leidt alleen maar tot een ‘verbrande blog’ of een blog die verzandt in oeverloosheid. Naar de Ardennen wil mijn blog ook niet, want daar zou die blog alleen maar doorbomen en door de bomen het bos niet meer zien. Mijn blog blijft dus thuis. Of beter: met mijn blog probeer ik ‘thuis te komen’. Bij God.

Vandaag ging ik ook letterlijk naar mijn ouderlijk huis. Mijn ouders behoren tot mijn bubbel. En soms bruist er ook wat in het struikgewas en ontmoet ik – geheel toevallig én mooi op corona-afstand – mijn neefjes en nichtjes. Ook die toveren steeds een lach op mijn lippen.

Vorige week, op Witte Donderdag, stuurde één van mijn neefjes zijn rapport. Dat is niet bijzonder. Hij doet dat elke keer. Maar nu was zijn rapport plots niet zo goed meer. Ik bekeek de cijfers van de grote en de kleine proeven en las de uitgebreide commentaren van de leerkrachten die niet konden wachten om te zeggen dat hij zich toch herpakken moest. Wellicht was de teleurstelling op mijn gelaat te zien, maar aangezien het rapport met whatsapp kwam, stuurde ik een lief berichtje naar mijn neef van dertien. Ik zei ‘oei, dat rapport is niet zo goed. Weet je zelf hoe dat komt?’ Hij wist het. Hij wist het goed. Hij weet altijd wat hij doet. Weet je wat hij antwoordde. Ik vroeg ‘weet je zelf hoe dat komt’ en hij antwoordde: ‘omdat het vandaag 1 april is’. Ik durf niet te zeggen dat humor in de familie zit, maar ik was er dus finaal ingetrapt. Hij had zijn rapport vervalst en slechte punten en kritische commentaren zwommen in het rapport van zijn aprilvis. Zijn prestaties waren dus eigenlijk niet verwaterd en hij mocht terecht vissen naar een compliment.

Kortom … de voorbije weken heb ik wel wat gelachen en … wellicht past dat ook bij Pasen en de BLIJDE BOODSCHAP die we moeten verkondigen. In het evangelie van vandaag vraagt Jezus zijn leerlingen en ook ons om het evangelie te verspreiden. Het woord ‘evangelie’ betekent letterlijk ‘blijde boodschap’, maar als die ‘blijde boodschap’ in kerken weerklinkt, krijg ik soms het gevoel dat niemand blij is met die boodschap. Het lijkt soms wel of niemand die boodschap wil kopen. Die blijde boodschap is natuurlijk ook niet te koop en ze is bovendien ook wat zwaar om te dragen. Van die boodschap kan je echter wel eten. Meer nog: je kan ervan leven.

Het laatste vers van het evangelie van vandaag vertelt dus dat wij over de hele wereld moeten gaan en het evangelie moeten verkondigen AAN HEEL DE SCHEPPING. Ik geef toe dat die laatste woorden in eerste instantie ook op mijn lachspieren werkten. Ik zag niet alleen Franciscus die met dieren sprak, maar ook mensen die in gesprek gingen met een snoep- of broodautomaat of personen die de zee en de woestijn probeerden te overtuigen om gelovig te zijn. Wat ik eerst lachwekkend vond, bleek later echter niet eens zo gek te zijn. Een humorist zit soms dichter bij de waarheid dan een dichter. We moeten over de hele wereld gaan en reizen om het evangelie te verkondigen aan de schepping en paradoxaal genoeg kunnen we dat OOK doen door onze (ecologische) voetafdruk te verminderen. Kortom: verkondigen aan de schepping is wellicht ‘goed doen aan alle schepselen’, aan mens en natuur. Dat is wellicht óók de blijde boodschap. Die blijde boodschap kost dus veel en is betrekkelijk duur, maar ze is vooral ook ‘duurzaam’. Kortom: hopelijk gaat die blijde boodschap de hele wereld rond en komt ze ook terecht bij ons!

Lieve Gommers

Beloken Pasen

(bij het evangelie van de zondag: Joh 20,19-31)

Ken jij Quasimodo? En zit er altijd muziek in een octaaf?

Ken jij Quasimodo? Wellicht denk je dan … aan de klokkenluider van de Notre Dame in Parijs. We zijn ondertussen bijna twee jaar na de brand en ik heb nog steeds geen idee of Quasimodo die brand eigenlijk overleefd heeft. Iedereen is als de dood voor zijn tragische leven. Hij ziet er niet uit en komt dus niet buiten. Uit angst sluit hij zich op in de kathedraal. Erg origineel is dat niet. Het is namelijk niet de eerste maal dat iemand zich opsluit op een plek die juist open en bloot getuigt. 2000 jaar geleden verstopten de leerlingen zich ook, maar ze werden toch gevonden. Door Jezus.

Vandaag vieren we het feest van ‘Beloken Pasen’. Het woord ‘beloken’ komt van ‘beluiken’, wat ‘afsluiten’ betekent. Vraag is alleen … ‘wat’ afgesloten wordt? In het evangelie van vandaag horen we dat de leerlingen zich afgesloten hebben van de wereld. Ze hebben zich teruggetrokken. Ze willen enkel samen-zijn met binnenstaanders. Net zoals Quasimodo zijn ze bang om buiten te komen. Toch is dat wellicht niet de echte betekenis van het woord ‘beloken’. Het gaat veeleer over het paasoctaaf dat wordt ‘afgesloten’. Pasen is geen eendagsvlieg. Echte feesten gaan niet slapen als het nacht wordt en ze duren tot in eeuwigheid. Het paasfeest is een feest van acht volle dagen. Nu nog Vadertje Staat overtuigen van deze waarheid en dan krijgen we nog wat meer vrije tijd. Want geef toe, wie écht Pasen wil vieren komt met die paasmaandag niet toe. We hebben niet zeven, maar acht dagen nodig om te bekomen van wat op Pasen aan ons gebeurt. Het scheppingsverhaal telt zeven dagen. Toch bleek die schepping niet compleet. Jezus is de nieuwe mens, de nieuwe Adam, de man die het paradijs terugbrengen kan. Op paasmorgen wordt dus de achtste dag geschapen. Iets totaal nieuws komt aan het licht. De verrijzenis is een nieuwe schepping die zelfs de aarde hemels maakt. De achtste dag, de dag van de verrijzenis en de nieuwe schepping, wordt acht dagen en acht nachten volop en voluit gevierd. Het is een huwelijksfeest. Een feest van het huwelijk tussen God en zijn mensen. En dat huwelijk verwekt en baart iets totaal nieuws. 8 dagen en 8 nachten duurt de wittebroodsweek. En ook daarna gaat de huwelijksreis voort. Heel de paastijd lang, 50 dagen aan één stuk, mogen wij de liefde van Pasen vieren. En het is niet vanzelfsprekend, maar van-God-sprekend dat zelfs daarna het huwelijk blijft voortbestaan. Elke zondag mogen wij het wekelijkse Pasen vieren en tot het besef komen dat Gods liefde zon brengt in elke dag.

Vandaag wordt het paasoctaaf dus afgesloten. In een octaaf zit altijd muziek. Om die reden wil ik vandaag ook kijken (en vooral luisteren) naar de openingszang of het introïtus van deze zondag. Vooral de eerste woorden vind ik interessant. Wat er op de eerste plaats komt? ‘Quasi modo’! Ja, dat klinkt vandaag bij het begin van de mis. Spijtig dat velen dit moeten missen omdat we maar met vijftien mogen vieren. Natuurlijk verwijst die zang niet naar de klokkenluider van de Notre Dame. Het is veeleer omgekeerd. Die gebochelde man zou op beloken Pasen ‘gevonden’ zijn, zoals de leerlingen door Jezus gevonden werden. Hij en zij waren ‘vondelingen’. En ze werden geadopteerd. Door God. Victor Hugo verwekte Quasimodo. En wellicht wou hij zeggen dat de persoon die de misvormde baby vond, besefte dat nieuw leven altijd op de eerste plaats komt en de verwondering voorafgaat aan alle woorden. Hij besloot het kind dus te noemen naar de eerste klanken uit zijn mond: Quasi modo.

Eigenlijk gaat de openingszang nog verder: Quasi modo geniti infantes … : wees als pasgeboren kinderen! Ja, ook wij zijn pasgeboren baby’s die op Pasen door de Heer ‘gevonden worden’. Dit doet me denken aan de ‘School voor geloofsverdieping’ (wie dat nog niet volgt, moet dat zeker volgend jaar doen! – PS: hopelijk wordt deze sluikreclame niet gecensureerd). Eén van de leerlingen uit de School voor geloofsverdieping werd op Pasen gedoopt. En allen mochten op die eerste (of achtste) dag hun doopbeloften vernieuwen. Bij ons doopsel worden wij ‘nieuw geboren’. Als pasgeboren kinderen worden we ondergedompeld in Gods Paasliefde. En een week later klinkt dan: ‘Quasi modo geniti infantes’: wees als pasgeboren kinderen. Of nog: ‘laat je voeden door de Heer. Groei naar Hem toe’. Nog onmondig zijn wij. Nog niet in staat om over Hem te spreken. Maar we worden geroepen om uit te groeien tot ‘klokkenluiders’: klokkenluiders van de Notre Dame. Notre Dame begroette Jezus in haar leven en ze liet Hem groeien boven zichzelf uit.

Het evangelie van vandaag vertelt dus dat wij nog klein zijn in het geloof, net zoals ook de elf leerlingen nog niet durfden geloven in zichzelf en in de Heer.

Opvallend is dat Jezus in het evangelie van vandaag ook blaast over de leerlingen en zegt ‘ontvang de heilige Geest’. Beloken Pasen is dus ook ‘ontloken Pinksteren’. Op de achtste dag, de dag van de nieuwe Schepping blaast God het stof dat wij zijn ‘nieuw leven’ in. Wij worden nieuwe mensen: het leven van de Heer wordt ook in ons geboren.

En wellicht vragen velen zich nu af waarom ik op beloken Pasen niet over de gelovige of ongelovige Thomas spreek? De reden is simpel: omdat ik geloof dat het verhaal niet over hem gaat, maar wél over ons!

Lieve Gommers

Maandag 12 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 3,1-8)

Droom jij er ook van … om terug kind te worden?

Gisteren werden we pasgeboren kinderen genoemd. Probleem is dat kinderen niet graag kind zijn en vlug groot willen worden. Volwassenen daarentegen verlangen vaak wél terug naar hun kindertijd, maar ze denken dat ze ‘geen kind meer kunnen worden’.

Vandaag laat het evangelie van de dag Nikodemus aan het woord. Hij gelooft nog niet in een leven na de dood en al helemaal niet in een wedergeboorte tijdens ons aardse leven. Jezus zegt dat wie Hem wil volgen opnieuw geboren moet worden, maar Nikodemus meent dat dát niet kan. We lezen vandaag eigenlijk slechts acht verzen, maar ik zou iedereen willen aanraden om niet te stoppen bij vers acht. In vers negen wacht namelijk iets heel interessant. Nikodemus vraag namelijk ‘hoe zal dat geschieden’. Hij neemt de woorden van ‘Notre Dame’ in de mond. Ook Maria begreep niet dat voor God niets onmogelijk is en er in een mens altijd nieuw leven kan groeien! Zelfs als je maagd bent of reeds veel te oud!

“Hoe kan een mens geboren worden als hij al oud is?”, vraagt Nikodemus. Jezus verwijst dan naar het doopsel ‘met water en Geest’. Ja, wie gedoopt wordt, mag met Jezus doorheen het nauwe hol van de zwarte dood gaan, richting de verrijzenis en het nieuwe leven. Niemand is ooit te oud om gedoopt te worden. In Vlaanderen zijn wij vooral vertrouwd met het doopsel van baby’s, maar steeds vaker worden ook kinderen gedoopt die 7 jaar zijn en de eerste communie willen ontvangen. Tevens groeien ook de catechumenen. Elke catechumeen groeit in geloof, maar ook de groep van catechumenen groeit en wordt steeds groter en grootser.
Kortom, wie gedoopt wordt, wordt ‘opnieuw geboren’. Probleem is wellicht dat velen dát niet weten of … het nogal snel willen vergeten. Velen dromen wellicht van hun kinderentijd als een tijd zonder veel verantwoordelijkheid en zonder veel zorgen voor morgen. Velen willen wel dat onbezorgde kind-zijn, nog niet belast met een persoonlijke geschiedenis van fouten en falen. Die kant van het doopsel zien de meesten wel zitten. Velen zouden zo graag ‘opnieuw beginnen’ en ‘een nieuwe kans krijgen’. Niet voor niets stonden ze in rijen om via Johannes dat ‘doopsel van bekering’ te ontvangen. Velen willen anders gaan leven, maar hoe wordt het doopsel meer dan een goed voornemen dat bijna eindigt voor het begint? Kortom: iedereen voelt wellicht de nood om onbezorgd te zijn als een kind en gekoesterd te worden op de schoot. Maar … wie wil een kind zijn met groeipijn? En stel dat je volwassen en voornaam bent als Nikodemus, wil je dan terug een kind zijn dat gehoorzaamt aan een Vader die vooral vraagt om bedachtzaam te zijn? Hoewel mensen zoals ik, die wellicht in hun midlife-crisis verkeren, graag terug gaan studeren, willen velen toch liever niet als een kind leren over God en geloof. Ik ontmoet vaak catechisten of liturgisten die denken dat ze niets meer moeten leren, maar alleen moeten doorgeven wat ze ontvangen hebben. Sommigen zijn ontvankelijk. Anderen zijn kinderen die zeggen dat ze het beter weten. En diegenen die zeggen dat ze niets weten, weten meestal meer van de Heer dan ze zelf beseffen. De meeste mensen willen niet leren. Ze willen afgestudeerd zijn. Ze zijn blij met hun rapport. Vooral als dat ‘het laatste’ is. Probleem is dat God geen rapport geeft en sommigen dus ook niet studeren. Zij die altijd enkel voor de cijfers werkten, vinden dat ‘levenslang leren’ niet werkt. God geeft echter geen punten. Of dat hoop ik toch. Want wellicht zou ik zelf erg slechte punten hebben. En dan zou God een punt hebben, want ik heb nog veel te leren. Zoals wellicht iedereen.

De vraag van vandaag is dus … of jij een kind wil zijn. Van God. Maar het moeilijkste van kind-zijn staat pas in de laatste zin. Vers acht zegt dat de wind waait waarheen hij wil en dat je als kind dus niet weet waar je uitkomen zal. Vooral volwassenen zijn heel doelgericht. Ze willen een huisje, boompje, beestje, kindje. Ze dromen van roem of faam of willen voornaam zijn. Ze willen een hoge functie en vooral een groot loon zodat ze niet op de kleintjes moeten letten. Wie zich echter laat bewegen door de Geest, weet niet waar zijn of haar leven heengaat. Je hebt je toekomst niet geheel in de hand. Als kind geef je jezelf uit handen. Je hebt echt niet alles te zeggen. God zegt ons echter: ‘wie gelooft, komt wel terecht’.

Lieve Gommers

Dinsdag 13 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 3,7-15)

Waarom is de liturgie altijd hetzelfde?

Er zijn mensen die zeggen dat de mis altijd hetzelfde is. Als je één keer mist, mis je dus niets. Persoonlijk vind ik het vreemd dat de meeste mensen altijd meer willen: meer van hetzelfde. Ze willen meer geld, meer huizen, meer loon, maar … dat geldt dus niet voor de mis. Daar willen ze niet meer, maar juist minder. Of ze willen iets anders. Terwijl iedereen natuurlijk wel weet dat het juist niet anders is opdat wíj zouden veranderen.

Eigenlijk is de mis trouwens nooit hetzelfde, want onder andere de lezingen zijn altijd anders. Of toch bijna altijd. Vandaag worden twee verzen herhaald. Vers zeven en acht zijn niet van gisteren. Ze spreken over de toekomst en komen dus vandaag opnieuw aan bod.

Vandaag waait de wind dus uit dezelfde hoek. Wellicht waaide de wind gisteren zo hard dat we de lezing niet of niet helemaal hebben gehoord. Vandaag klinkt dus weer dat we opnieuw geboren moeten worden. We lijken wel een embryo dat zich schuil houdt in de moederschoot en wel stampt en beweegt, maar toch niet komen wil. Wellicht willen we de geborgenheid van die schoot niet kwijt. We willen liever drijven in het water dat vrucht draagt. We blijven nog graag even op de plaats waar geluiden fluisteren en waar de golven de rust niet breken.

Willen wij opnieuw geboren worden? Willen wij ‘naar buiten komen’? Naar buiten komen met ons geloof? Willen wij onszelf en ons geloof tonen?

Het doopsel is dus een ‘wedergeboorte’. God reikt je de hand om op te staan en naar buiten te gaan. Je wordt geboren om te leven. Van het geloof. Ik vind een doop van een volwassene enorm krachtig. Het enige minpunt is … dat de meesten niet durven huilen.

Ik huilde wel. Niet toen ik geboren werd. Ik werd blauw van het leven en ik huilde dus niet, maar ik piepte. Ik leek wel een muis, hoewel ik welkom was en muizen dat niet zijn. Ik huilde dus niet bij mijn geboorte. Mijn babyboek, dat mijn moeder minutieus bijhield, vertelt dat mijn doopsel wél ‘bloed, zweet en tranen’ kostte. Ik huilde onophoudelijk. En wellicht hoort dat ook zo. Zoals een boreling moet huilen om zuurstof te krijgen, zo moet een gelovige bij het doopsel wellicht ook naar ‘adem happen’ zodat God lucht en leven kan blazen in wat soms zwaar en ondraaglijk is.

Gedoopt-zijn is niet gemakkelijk. Het is niet zomaar ‘binnenkomen in de kerk’. Het is vooral zwaar werk. Het is handenarbeid. Het is hard werken met het hart. En het is niet alleen veel werk. Het is vooral nooit gedaan. Ik begrijp dus dat ik huilde, hoewel ik eigenlijk nog steeds niet weet of het tranen waren van vreugde of van verdriet. Ja, mensen huilen ook als iets te mooi is voor woorden. Tranen vertellen dan over de zin die niet gevat kan worden in woorden of zinnen.

Als corona er niet meer is, kunnen we terug met meer naar de mis en dan kunnen we vooral opnieuw de hand dopen in het doopwater dat ons toegewijd aan de deur opwacht. Het water doet het doopsel in ons opborrelen. In ons wil het stromen. Vraag is of jij ook tot tranen toe beroerd wordt in de mis? Raakt God jou aan? In Woord en Brood? Ben je ontroerd? Ik zie weinig mensen huilen in de kerk. Zelf pink ik soms een traan weg, maar ik wil dan liever niet dat iemand het ziet. Blijkbaar is het raar om te huilen in de mis. Ik vind dat vreemd. Waarom alleen deelnemen met oren, ogen, mond, handen en voeten? Waarom niet aanwezig zijn met het hart? En met emoties die uit het doopsel vloeien.

Wanneer ik heel emotioneel word? Soms van de lezing, maar soms ook van een blik. De laatste zinnen van het evangelie van vandaag spreken over Jezus die hoogverheven is en Mozes die de slang ophief in de woestijn. Volgens mij gaat het niet over Mozes, noch over de slang. Volgens mij gaat het vooral over ‘opkijken’. Als ik opkijk en mijn ogen gaan naar een kruis dat mijn hoofd letterlijk en figuurlijk te boven gaat, dan heb ik soms het gevoel dat Hij mij ziet staan. En ook dan toont zich soms een traan.

Hoewel sommigen beweren dat de mis altijd hetzelfde is, denken mijn hart en mijn emotie er dus duidelijk anders over.

Lieve Gommers

Woensdag 14 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 3,16-21)

Heb jij het levenslicht gezien?

De hele paastijd lang balanceren we tussen de doop met water en de doop met de Geest. Het water van de doop kreeg de zegen in de paaswake en de Geest zal ons verder vormen met Pinksteren.

Wie spreekt over het doopsel kan ook niet zwijgen over peters en meters. Een tiental jaar geleden kreeg ik een vreemde vraag. Een moeder van een kind dat zeven jaar gewacht had op het doopsel vroeg of de meter en de peter bij het doopsel dezelfde moeten zijn als bij de geboorte. Kortom: het peter- en meterschap is zo ingeburgerd in Vlaanderen dat niemand nog weet dat het eigenlijk te maken heeft met geloof. Omdat ‘peters en meters’ zo profaan geworden zijn, voel ik niet zo veel meer voor die woorden. Ik introduceer graag een nieuw begrip. Ik spreek zelf steeds over ‘tochtgenoten’: mensen die gelovig met een dopeling op weg gaan. Wellicht is dat woord ook niet perfect, maar woorden kunnen de werkelijkheid nu eenmaal nooit volledig vatten.

Ik ben tochtgenoot van velen (of dat hoop ik toch), maar meter ben ik slechts één keer. Of beter: ik ben altijd meter, maar slechts voor één iemand. Ik ben meter van de oudste zoon van mijn oudste zus. Normaal probeer ik wel dicht bij hem te staan, maar in corona-tijden ben ik meter op afstand van 1,5 meter.

Vandaag verjaart mijn petekind. Zijn zestiende verjaardag kon hij reeds vergeten en nu gooit corona opnieuw roet in het eten. Ik geloof natuurlijk dat hij eeuwig zal leven, maar toch had ik graag zijn verjaardag gevierd.

Vandaag gaat het evangelie van de dag over het eeuwig leven. En over het laatste oordeel. Ik weet niet waarom dat oordeel zo noemt. De woorden suggereren dat het laatste oordeel op het laatst komt en het einde vormt. Het laatste oordeel is echter helemaal niet ‘het laatste’ wat er gebeurt. Pas daarna begint het. Daarna start het eeuwig leven.
Het is misschien wel het laatste oordeel omdat er daarna niet meer geoordeeld wordt, hoewel dat dus betekent dat het oordeel niet ‘eeuwig’ is.
Het laatste oordeel werd in de middeleeuwen vaak afgebeeld boven de deuren van de kerk. Wie dus naar binnen ging, kreeg de vraag voorgeschoteld of men klaar was voor het laatste oordeel. Eerlijk gezegd ben ik blij dat ik niet in de middeleeuwen leefde, want ik zou terecht bang zijn om de kerk binnen te gaan. Natuurlijk ben ik niet klaar voor het laatste oordeel. Wie is dat wel? Ik vraag me ook af hoe een mens zich daarvoor moet klaarmaken. Schmink om jezelf te verbergen, lijkt me geen goede optie. Mooie kleren zijn volgens mij niet nodig, want daar kijkt Jezus wel doorheen. Natuurlijk kan je het kwaad van de wereld de rug toekeren en binnenstappen in de ruimte die goedheid toont in de hoogte en de breedte. Je kan vergeving vragen en jezelf louteren in het aardse vagevuur dat boete heet. Maar ben je dan werkelijk ‘klaar’ of is ‘gereed’ een beter woord? Gereed betekent ‘klaar’, maar ook ‘bereid’. Gaat het niet veeleer om bereid-zijn? Bereid-zijn om de Zijne te zijn?

Vers 21 vertelt dat ‘wie de waarheid doet naar het licht gaat’. Ik vind die zin fantastisch. Vaak laat de waarheid zich niet zien. Wie kent jouw ware gelaat? En sta jij altijd in de waarheid? Meestal gaat het echter over de waarheid spreken en zeggen wat waar is, maar dit vers spreekt dat tegen. Het gaat nu over de waarheid ‘doen’ en wellicht ook over ‘recht doen aan de waarheid’. Wie het goede doet, IS dus waarheid en niet alleen ‘waarheid’. Wie goed doet, is zoals Hij: de Weg, de Waarheid en het Leven. Ja, de waarheid doen zet je op weg naar het leven dat eeuwig is. Blijkbaar is dat eeuwig leven ook licht. Of dat beweert toch het evangelie van de dag en ik ga ervan uit dat dát toch de waarheid is. Aangezien de tekst van vandaag volgt op het ‘opnieuw geboren worden’ veronderstel ik dus … dat het hier eigenlijk gaat over ‘het levenslicht zien’. Wie de waarheid doet, wordt wellicht opnieuw geboren en ziet het levenslicht.

Lieve Gommers

Donderdag 15 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 3,31-36)

Weet jij wat leven is?

Het eeuwig leven blijft natuurlijk duren. Het is ‘oneindig’. Het zal dan ook niemand verbazen dat het evangelie van vandaag opnieuw over het ‘eeuwig leven’ gaat.

Wellicht hebben wij, leerlingen, die herhaling ook nodig om te begrijpen wat dat ‘eeuwig leven’ eigenlijk is. Hoewel we de eeuwigheid niet kennen, beseffen we toch enigszins wat ‘eeuwig’ is omdat we weten wat het NIET is. Het is niet begrensd in de tijd en de ruimte. Het is niet eindig en nooit gedaan. Persoonlijk heb ik dus niet zoveel problemen met het woord ‘eeuwig’. Ik meen echter dat het veel moeilijker is om te definiëren wat ‘leven’ is.

Om eerlijk te zijn vind ik het leven niet gemakkelijk. Er zijn mensen die het leven één groot feest vinden. Anderen beschouwen het eerder als een hel en de meesten omschrijven het leven als een mix van aardse zorgen en hemelse momenten.

Vanzelfsprekend zijn er mensen die heel stellig beweren dat ze weten wat ‘leven’ is. Ze oordelen en veroordelen mensen die – volgens hen – niet leven. Sommigen beweren zelfs dat je niet leeft of geen leven hebt als je leeft voor het werk of voor de Kerk. Ik geef toe dat ik zo’n levensfilosofie niet kan volgen. Sommigen denken dus te weten wat ‘leven’ is, maar de meesten beseffen wel dat we eigenlijk niets weten van het leven. We leven wel, maar we weten eigenlijk niet wat we aan het doen zijn. We beleven het leven, zonder dat leven helemaal te vatten.

Terwijl ik dus al iets meer dan veertig jaar worstel met het leven en met de vraag wat ‘leven’ eigenlijk is, geeft de evangelist Johannes een heel eenvoudig antwoord: geloven is leven en leven is geloven. Bovendien klinkt ook: “Wie niet gelooft, zal het leven niet zien”. Volgens Johannes kan je dus niet leven zonder te geloven. Ik vraag me dan natuurlijk af hoeveel levenden er dus eigenlijk niet leven en hoeveel doden er eigenlijk leven terwijl wij denken dat ze dood zijn.

Er zijn vele mensen die wel geloven in het leven, maar het geloof is toch hun leven niet. Ons geloof daagt ons wellicht uit om niet zozeer te geloven in het ‘leven’, maar wel in ‘de Levende’. Wie gelooft in de Levende, ontmoet het Leven. En blijkbaar is dát echte leven ‘eeuwig’ en dus voor ons nog onbekend. Wellicht herkennen de leerlingen daarom de Levende Christus niet. En dat is wellicht ook de reden waarom ook wíj Hem niet altijd herkennen, rond ons en in ons.

De vraag van vandaag is dus wellicht of wij geloven in de Levende. Geloven wij dat Hij levend is en eeuwig leeft? Bij ons en met ons?

Eerlijk, ik denk dat ik nog heel mijn ‘leven’ nodig heb om dát te leren.

Johannes zegt ook dat de Levende ‘van boven komt’. Ik weet alleen dat Hij mijn hoofd te boven gaat. Hij zegt ook dat wie behoort tot de aarde de ‘taal van de aarde’ spreekt. Volgens mij is de ‘taal van de aarde’ echter NIET de grondtaal van de mens. De echte ‘grondtaal’ gaat wellicht aan al onze menselijke en dwaze woorden vooraf. Zou die grondtaal de ‘taal van de liefde’ en de ‘taal van de Levende’ kunnen zijn? Een taal die geen woorden nodig heeft omdat ze ‘vanzelf’ spreekt? De evangelist Johannes zegt dat Jezus Gods eigen woorden spreekt. Persoonlijk geloof ik dat God alle talen spreekt en Hij elk van ons verstaat, maar … wij spreken zijn taal niet. Jezus spreekt Gods taal en vertaalt voor ons wat God tot ons zegt. Jezus is dus vertaler-tolk, naast misschien ook ‘arts’ (genezer), ‘advocaat’ en ‘leraar’. En natuurlijk is Hij ook ‘tuinman’. Of toch voor wie met Pasen opstaat en in de vroegte naar het graf gaat.

Het is dus moeilijke taal en eigenlijk versta ik er helemaal niets van. Mijn ‘aardse taal’ raakt namelijk niet aan de hemel. Kortom: ik kan beter zwijgen. En luisteren. Naar Hem.

Lieve Gommers

Vrijdag 16 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 6,1-15)

Wil jij ‘meer’ zien?

Vandaag gaan we terug in de tijd. Het is opnieuw ‘kort voor Pasen’. Het evangelie van de dag vertelt hoe de leerlingen enige tijd voor Pasen wilden baden in het meer. Er was echter geen plaats meer. Een zee van mensen had zich verzameld rond de Heer. Ik vraag me af of ze gedoopt wilden worden of gewoon ‘meer’ wilden zien. Ik weet niet of die vijfduizend mannen en wellicht nog meer vrouwen en kinderen zich echt ‘gast’ voelden bij dat meer, maar Jezus toont zich wel als hun ‘gastheer’. Hij vindt het zijn verantwoordelijkheid om de mensen die Hem bezoeken ook eten te geven. ‘Het was trouwens kort voor Pasen’ en er moest dus gegeten worden. Het was niet het eerste, noch het laatste avondmaal, maar mensen moesten wel gevoed worden om goed te kunnen zoeken naar Pasen. Er waren echter slechts vijf broden en twee vissen. Je zou kunnen zeggen dat Jezus niet veel in huis had en vooral niet bedacht was op onverwachte situaties, maar een goede gastheer moet nu eenmaal kunnen improviseren. Vooral als het over proviand gaat. Velen beweren dat Jezus alle aanwezigen aangezet heeft om te delen. Kinderen geven vaak het goede voorbeeld, dus de kleine jongen gaf zijn vijf broden en twee vissen en de volwassenen aapten hem na. Het is natuurlijk een heel groot wonder wanneer je misschien wel tienduizend mensen kan overtuigen om te delen van wat men heeft. Naast Jezus ken ik niemand die dáár reeds in slaagde. Maar de vraag is of het verhaal daarover gaat … ?

Je gelooft het of niet, maar ik heb de wonderbare spijziging ook meegemaakt. Niet 2000 jaar geleden, maar ‘kort voor Pasen 2021’. Ik ging naar de mis. Dat is geen ‘meer’, maar ook niet ‘minder’. Het was geen ‘Witte Donderdag’, maar de vrijdag was reeds goed en wel aangebroken. In de Goede Vrijdag-viering waren we met vijftien. Iedereen is namelijk als de dood voor corona. Na de Woorddienst en de kruishulde vond de communiedienst plaats. Op Goede Vrijdag is er vanzelfsprekend geen eucharistie, dus we aten ‘oud brood’ dat de vorige dag geconsacreerd was. Jezus’ dagen waren geteld en ook het Brood telde mee. Op Witte Donderdag was er echter niet goed geteld. Er was namelijk te weinig Brood. Op Goede Vrijdag ging ik als laatste te communie. Wat ik kreeg? Jezus die gevierendeeld was. Ik kreeg nog geen vierde van een hostie. Het was eigenlijk niet meer dan een kruimel. Ik kreeg dus bijna niets, maar toch was het ongelofelijk ‘veel’. Ik zeg niet dat het een wonder was, maar het was wél bijzonder. Als ik gewoon een hele hostie had gekregen, had ik niet geweten ‘hoeveel’ dat eigenlijk is. Nu besefte ik werkelijk wat ‘meer’ is. Het nietige stukje liet de kruisdood van de Heer niet alleen zien, maar ook proeven. Mensen kunnen niet leven van kruimels. Ze hebben meer voedsel nodig. En terwijl ik die kruimel at, besefte ik dat de tijd voor Pasen juist daarover gaat. Het gaat juist over ‘hongeren naar Hem’: hongeren naar zijn Woord, hongeren naar zijn Brood, hongeren naar zijn nabijheid. Er was niet te weinig Brood. Het was juist gepast. Het was goed dat ik eucharistisch moest vasten. Juist daardoor besefte ik wat ik miste en keek ik uit naar Pasen.

In het verhaal van de wonderbare spijziging is er veel over. Wel 12 manden. Ik vraag me af wat wij ervoor overhebben om elke dag opnieuw ‘Pasen’ te beleven. De 12 manden werden gevuld met brokken die de mensen hadden overgelaten. Vraag is wat wíj overlaten aan de Heer. Wat willen wij niet ‘in eigen hand nemen’? Geven wij onszelf uit handen? Leggen wij onszelf en ons leven in de handen van de Heer?

De mensen aan het meer waren ‘de koning te rijk’ na het hele gebeuren. Ze wilden Jezus zelfs tot koning kronen. En weet je wat Jezus deed? Hetzelfde als wat er in de paasverhalen gebeurt nadat men heeft gegeten en Hem heeft herkend. Jezus verdween uit het zicht. Alleen trok Hij zich terug in het gebergte. Nog even bleef verborgen wat met Pasen aan het licht komt.

Lieve Gommers

Zaterdag 17 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 6,16-21)

Kan jij zien in het donker?

Ook vandaag voert de evangelist Johannes ons mee naar het meer. Ik vind dat opvallend, omdat ik denk dat de kernvraag juist is: ‘wie wil er met Jezus in zee gaan?’

In het evangelie van vandaag staat dat de duisternis reeds gevallen was en Jezus nog niet bij hen gekomen was. Of misschien was het juist duister omdát Hij nog niet bij hen was.

En dan ZIEN ze plots hoe Jezus over het water stapt. Het feit dat ze dat zien is volgens mij al een wonder. Het was namelijk reeds nacht. Licht zie je natuurlijk altijd beter als het donker wordt of duister is. Het was niet alleen duister, maar onweerswolken hingen boven de hoofden van de leerlingen. Er was veel wind en het meer wemelde niet van vissen, maar het woelde van onrust. Dan komt Jezus naar hen toe en zegt: “Wees niet bang”. Ik weet niet of de leerlingen bang waren van onweer. Misschien is die storm veeleer een teken of symbool van hun gemoed. De leerlingen wisten niet meer goed wat ze moesten doen. Zelfs op het water, waar ze als vissers thuis waren, zijn ze de weg kwijt. Ze zien niets meer. Hun leven is donker en duister. En dan … is Jezus er. Of beter: wellicht was Hij er al, maar zagen ze Hem niet. Omdat het nog licht was.

Eerlijk gezegd herken ik dat wel een beetje. En wellicht vele mensen. Als alles goed gaat, hebben we vaak geen oog voor God. Soms vergeten we zelfs om Hem te danken en te loven voor het goede dat ons overkomt. Maar wanneer het kwaad ons treft of wanneer onrecht en haat ons raakt, dan richten wij ons smekend en vragend tot Hem. Als het leven donker en duister is, gaan mensen eerder op zoek naar de Heer. Als de nood het hoogst is, beseft een mens pas dat de Redding altijd nabij is. De Heer is er steeds, maar zijn Licht valt vooral op wanneer we Hem het meest nodig hebben.

Persoonlijk denk ik dus niet dat de leerlingen bang zijn van iemand die over het water wandelt. Jezus zegt: “wees niet bang”, maar ik kan me echt niet voorstellen dat zijn leerlingen bang zijn van Hem. Ze zijn misschien wel bang van wat Hij doet. Dat waren ze wellicht ook vóór zijn dood. Ze waren bang voor de gevolgen van zijn woorden en daden, maar ik geloof eigenlijk niet dat ze angst kenden omdat Hij over het water liep. Ze waren misschien wel bang van zichzelf en hun gedachten. En van het ongeloof dat hen overviel toen ze Jezus zagen komen. Het leek wellicht een droom. Of voor sommigen misschien een nachtmerrie: ze werden mogelijk ongerust omdat Jezus hen zelfs na zijn dood niet gerust liet.

Ik vind het dus werkelijk niet interessant of Jezus historisch al dan niet over het water liep. Ik vind het wel boeiend om te zien dat Jezus te voet komt. Hij nadert niet met een vliegtuig, noch met een fiets, trein, taxi of schip. Hij komt ‘te voet’. Eigenlijk denk ik dat heel deze paastijd gaat over ‘voeten’. De paasvrouwen kussen zijn voeten, die zeggen waar Hij voor staat en waar Hij heengaat. Ook nu komt Hij ‘te voet’ en Hij zegt hen dat ze stappen moeten zetten in het geloof. Om met Pinksteren naar buiten te wandelen. Jezus zegt: “wees niet bang”. Ze mogen niet bang zijn om hun handen en voeten te gebruiken. Zij en wij mogen niet bevreesd zijn om er werkelijk ‘voor te gaan’.

Weet je waarheen die leerlingen op weg waren toen Jezus naar hen toekwam? Vers 21 geeft het antwoord. Ze waren ‘op weg naar de kust’. Ze zochten ‘vaste grond onder de voeten’. Ze wilden dat de kust veilig was. Ik weet niet of Jezus naar hen toekwam om hen ‘veiligheid’ te geven. Pinksteren zal ons leren dat geloven is ‘als spelen met vuur’. Het is misschien ‘heilig’, maar zeker niet ‘veilig’. Wie gelooft, wordt in de wind gezet en zal stormen oogsten. Als Jezus zegt: “wees niet bang”, belooft Hij hen wellicht geen veiligheid. Hij komt hen tegemoet en schenkt hen louter zijn nabijheid.

De leerlingen willen dat Jezus in het schip komt, maar Hij houdt de boot af. En dan strandt het schip. Even mogen ze nog vertoeven in een veilige thuishaven. Op de kust komt echter reeds boven water wat ze niet mogen. Zij en wij mogen hun roeping niet laten varen.

Lieve Gommers

Zondag 18 april

(bij het evangelie van de dag: Lc 24,35-48)

Is de tweede keer de goede keer?

Vandaag is het zondag. Het is een rustdag en ik mag rustig rusten. Eigenlijk kan ik zelfs zwijgen en hoef niets te schrijven. Ik heb namelijk reeds geschreven over het evangelie van vandaag. Op donderdag in de paasweek (8 april) weerklonk hetzelfde verhaal. Omdat het zo ‘ongelofelijk’ is, wordt het vandaag nog eens herhaald.

Ik ga niet in herhaling vallen, maar zoals iedereen reeds weet, vertelt zelfs hetzelfde Bijbelverhaal elke dag iets anders. Vandaag word ik vooral getroffen door de aanrakingen, die in coronatijden niet eens veilig zijn. Jezus zegt: “betast mij”. Dat mag nu natuurlijk niet. Tenzij Jezus tot je bubbel behoort. Of behoort Hij sowieso tot elke bubbel? Ik denk dat ik die vraag toch beter niet voorleg aan de overheid, want dan krijgen ze misschien nog spijt van het besluit dat we mogen vieren met vijftien.

Jezus zegt: “betast mij”. Ze zien niet wie Hij is. Ze herkennen Hem niet. Noch aan zijn lichaam, noch aan zijn stem. Maar wat als ze Hem voelen? Kan je blind iemand herkennen door die persoon te betasten? Ik denk dat iemand die geblinddoekt is echt wél zou ontdekken wie ík ben. Ze zouden het wellicht voelen aan mijn lange, gekrulde haren. Maar over het algemeen geldt dat je iemand al goed moet kennen om hem of haar blind te herkennen. Ik weet dus niet of ik Jezus tastend zou vinden.

De vrouwen bij het graf wilden Jezus zo graag aanraken. Ze wilden Hem voelen. En nu krijgen de leerlingen de kans om Hem te betasten. Hun stille hoop wordt werkelijkheid. Duidelijk is vooral dat ‘voelen’ en ‘aanraken’ sterker zijn dan ‘zien of horen’. Wanneer ken je iemand echt? Het verhaal lijkt te zeggen dat je iemand wel kan kennen door die persoon te zien of te horen, maar misschien ken je een mens pas echt wanneer hij of zij jou raakt. Wanneer je geraakt wordt door de ander en de ander ook jou mag aanraken, heb je echt ‘kennis’ van en met de ander.

In dit verhaal lijkt Jezus wel te zeggen dat het voor ons veel belangrijker is om Hem te voelen dan om Hem te zien. Centraal is wellicht niet of wij Hem zien in ons leven, maar wel of wij ‘voelen’ dat Hij er is. Ik speel nogal graag met woorden en ook met letters, dus ik kan je perfect vertellen dat wanneer je de letters van ‘geloven’ door elkaar klutst en slechts één letter laat vallen je zowel het woord ‘voelen’ als ook het woord ‘gevoel’ kan maken. Geloven is dus wellicht voelen dat Hij nabij is.

Toch denk ik dat ‘voelen’ nog wel meer is dan beseffen dat iemand er is. Als ik het evangelie van vandaag lees, voel en proef ik de liefde. ‘Voelen’ en ‘aanraken’ zijn namelijk ook sterk verwant met ‘strelen’ en ‘liefkozen’. Willen we onze band met Jezus ook beleven met liefde en tederheid? Of nog: houden we van Hem? Of laat Hij ons koud? Voelen we iets voor Hem? En laat ons gevoel ons ooit in de steek?

De leerlingen uit het evangelie van vandaag vertellen ons trouwens ook wat dat gevoel van liefde met hen doet. Nadat ze Jezus ‘betast’ hebben, worden ze vervuld van vreugde. Ze zijn vol van Hem. Er is echter niet alleen ‘vreugde’, maar ook ‘verbazing’ en zelfs ‘ongeloof’. Liefde is nu eenmaal ongelofelijk. Kan jij geloven dat de Heer om jóu geeft? Kan jij geloven in zijn liefde? Ben jij ‘verbaasd’? En blijf jij je gevoelens nog de baas?

Vervolgens toont het verhaal van vandaag dat alles gaat over ‘buikgevoel’. Jezus vraagt namelijk iets om te eten. Wellicht verwijst elkaar betasten en voelen namelijk naar ‘twee handen op één buik’ en misschien zelfs naar ‘vlinders in de buik’. En het gaat zeker en vast over liefde, waarvan je kan leven. Hij is eten en drinken tegelijk. Hij is ‘alles’ voor de leerlingen. Hij wil echter ‘alles’ voor ‘allen’ zijn en daarom zendt Hij hen en ons de wijde wereld in. Weet je waar we mogen beginnen? Vers 48 vertelt het ons. We moeten beginnen in Jeruzalem! Of beter: op de plek waar we reeds zijn! Ja, laten we Hem hier en nu in woord en daad beminnen.

Lieve Gommers

Maandag 19 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 6,22-29)

Vijftig dagen brood

Voor het youtube-programma ‘Sterke Tijden’ (veertigdagentijd) verzon ik de rubriek ‘40 uur bidden’. Ik zocht twee mensen die bereid waren om zich 40 uur lang, zonder onderbreking, terug te trekken in een kerkgebouw. Hoewel ze met twee waren, moesten ze dit alleen doen: elk in hun eigen kerk. Ze waren dus 40 uur lang alleen. Of beter: alleen met God. Ik hoop stiekem dat mijn rubriek ‘40 uur bidden’ ook na Pasen navolging krijgt en dat velen zich geroepen weten om niet alleen ‘af en toe’ en ‘even’ te bidden, maar minstens één keer een tijd te beleven van 40 uren ommekeer.

Hoewel ik dus droom van navolging gebiedt de eerlijkheid mij om te zeggen dat de rubriek ‘40 uur bidden’ niet opgevolgd werd door een soortgelijke rubriek. Hoewel ik ook rubrieken creëerde voor het youtube-programma ‘Sterke Tijden’ (vijftigdagentijd) moet ik eerlijk bekennen dat ik me veel te laat realiseerde dat ‘40 uur bidden’ vervangen had moeten worden door ‘50 dagen brood’.

Velen vinden wellicht dat ‘50 dagen brood’ eerder verwijst naar vasten en gevangenschap. Waarom in de vreugdevolle paastijd leven van ‘water en brood’? Mag het niet wat meer zijn?

Toch vind ik dat we de boot gemist hebben door de rubriek ‘50 dagen brood’ te vergeten. Het zijn de boten en het brood uit het evangelie van vandaag die mij voerden naar de overkant en mij dit nieuwe perspectief toonden.

Heel de vijftigdagentijd tussen Pasen en Pinksteren gaat het over ‘brood’. En misschien zelfs over ‘water en brood’. We leven eigenlijk in ‘gevangenschap’. Net zoals de leerlingen zitten we vast in twijfel en ongeloof. We trekken ons terug in onze eigen huizen. Corona is één reden, maar is dat werkelijk een excuus voor het feit dat we zwijgen over de Heer die ons aanspreekt? Tegelijkertijd worden we ook uitgedaagd om 50 dagen te leven van het Brood dat oprijst uit het feest van Pasen. 50 dagen lang staat alles in het teken van het Brood en de eucharistie waarin we de levende Heer mogen herkennen. Vandaag vraag ik me eigenlijk af over welk soort brood het gaat. Gaat het over ‘wit brood’ en wittebroodsweken waarin we onze nieuwe verbondenheid met de Heer vieren en mogen genieten van zijn aanwezigheid? Of is het veeleer ‘ongedesemd brood’ dat nog niet is opgerezen. De Heer, die als gist is, moet zijn werk nog doen en ons doen uitgroeien boven onszelf uit. Of gaat het misschien over ‘volkoren-brood’: brood dat ons kan bekoren en ons vol maakt van Hem? Of is het speltbrood misschien. Zo lijkt het soms toch. Jezus is soms zo moeilijk te vinden en te herkennen. Als was Hij een speld in de hooiberg van het leven. Terwijl het water mij in de mond komt, besef ik dat ik uiteindelijk toch kies voor een ‘sandwich’. We zitten ‘gesandwicht’ tussen Pasen en Pinksteren. We zijn ‘omringd’ met sandwich-brood dat niet alleen heerlijk, maar ook voedzaam is. Het is ‘zacht’ en geeft geborgenheid, maar tegelijkertijd worden wij als sandwich platgedrukt door de harde twijfel, het ongeloof en de angst. Niet ‘50 dagen brood’, maar ‘50 dagen sandwichen’ dus. Eigenlijk vraag ik me af of ik voor zo’n rubriek kandidaten gevonden had. En belangrijker nog: zou ‘50 dagen sandwichen’ effect hebben? Zou je zo het levende Brood en de eucharistie meer kunnen smaken? En zou je zo meer beseffen wat er in het evangelie van vandaag aan het ‘meer’ gebeurt? Velen varen naar de overkant om Jezus te zoeken. Zouden wij – zoals op het water – heen en weer geslingerd worden tussen Pasen en Pinksteren en zouden we uiteindelijk ‘gevoed en gesterkt’ worden om te belanden aan de overkant en daar het geloof te vinden?

In het evangelie van vandaag zegt Jezus dat wij moeten werken. Op het einde van de paasvakantie en bij het begin van de werkweek klinken zijn woorden hard. We moeten ‘werken’. Het is geen werk om werkeloos rond te hangen en wat rond te varen. We moeten recht op het doel van Pinksteren afgaan. Wat we moeten doen? Jezus zegt dat we niet alleen moeten ‘zoeken’. We mogen Hem zoeken in alle hoeken, maar je treft Hem pas aan als Hij in jou mag werken. “Welke werken moeten wij verrichten?”, vragen de mensen aan Hem. En Hij zegt dat ze moeten meewerken met Hem. Ze krijgen de opdracht om te ‘geloven’. In Hem en in het eeuwig leven. Ik weet niet of dat zwaar werk is. Moeilijk is het zeker, maar de vraag is vooral: word je dat werk ooit moe? En kom je wel toe met een week van 38 uren?

Lieve Gommers

Dinsdag 20 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 6,30-35)

Waar het hart van vol is, loopt de mond van over …

In de liturgie lezen we heel de week de zogenaamd ‘broodrede’. Waar het hart van vol is, loopt de mond van over. We kunnen niet zwijgen over het Levende Brood dat op Pasen boven tafel kwam. Ik begrijp de broodrede niet. En ik ben wellicht niet de enige. Daarom dat min of meer dezelfde boodschap dag na dag herhaald wordt. Elke hap doet ons hongeren naar meer en brengt ons dichter bij de volheid. Hoewel het over ‘brood’ en dus over iets ‘aards’ en ‘alledaags’ gaat, is het zo ‘hemels’ dat het ver afstaat van ons verstand en begrip. Ik begrijp zelfs het woord ‘broodrede’ niet. Oké, het is een redevoering over ‘brood’, maar geef nu toe dat het Brood niet echt ‘redelijk’ is. Met ons verstand en onze rede kunnen we toch nooit vatten wat dat Brood in wezen is. Het Brood gaat ons hoofd te boven. Volgens mij kan dat Brood niet ons verstand, maar enkel ons hart aanspreken. En het kan ons de mond snoeren en stil maken wanneer er enkel woorden over onze lippen komen die getuigen van angst of ongeloof.

Kortom, ik vind de ‘broodrede’ een naam die niets zegt of iets zegt dat ze niet wil zeggen. Ik zou het zesde hoofdstuk van Johannes eerder bevragen. Als titel zou ik kiezen voor de vraag: ‘Wie is het?’ Of nog beter: ‘Wie zegt gij dat Ik ben?’ Wie is Hij? Wie is Jezus voor ons? Is Hij het levende Brood? Herkennen wij Hem in de eucharistie? Doen we überhaupt moeite om naar de mis te gaan of verstoppen we ons achter de regel van 15? Zeggen we dat er geen plaats is in de herberg? En is er geen plek voor ons of is er veeleer geen plaats voor Jezus in ons leven? En als we eucharistie vieren, herkennen we Hem dan? In zijn Woord of bij het breken van het Brood? Ik wil hier niet biechten, maar ik geef wel toe dat ik Hem niet altijd zie. Ik kan niet altijd door de priester en het Brood heen kijken om vervolgens de Heer te ontdekken. Soms is de eucharistie zo ‘vlak’ en ‘afgerond’ als een hostie. Ik voel en proef Hem niet. Ik herken dan zelfs het brood niet in de hostie, laat staan dat ik het levende Brood dan werkelijk laat binnenkomen. Ik troost me dan door te zeggen dat ik Hem niet herken, maar Hij mij beter kent. En ik dank Hem dan, omdat Hij er wil zijn, zelfs als Hij niet gezien, niet herkend en niet bemind wordt.

‘Wie zegt gij dat Ik ben?’ In de evangelielezing van vandaag stelt Jezus deze vraag niet. Hij geeft het antwoord. Of beter: Hij is het antwoord. Hij zegt dat Hij niet dood is, maar juist Brood dat leven geeft. Hij is 'alledaags’. Hij is het Brood voor elke dag. Vreemd genoeg is Hij brood dat mensen niet nodig hebben. Nee, ik bedoel niet de hedendaagse mensen die ‘brood’ links laten liggen en leven van cornflakes, muesli en salades. Natuurlijk zijn er velen die noch brood, noch de Heer nodig hebben, maar het evangelie van vandaag zegt juist dat ook wie gelooft Hem niet meer nodig heeft. Wie tot Jezus komt en leeft van en in Hem heeft blijkbaar geen honger en dorst meer. Hij lenigt elke nood. Hij is Brood dat al onze noden vervult. Ik vraag me af wat dit over mij zegt. Ik geloof wellicht niet genoeg, want ik blijf hongeren. Naar Hem. Ik heb Hem nog nodig, wellicht omdat ik Hem nog niet genoeg ruimte geef. Om te leven in mij.

Ooit zei een vormeling tegen mij dat hij Jezus niet lustte. Hij lustte geen hosties. Hij vond het niet ‘lekker’. Wij zijn zo verwend dat wij vinden dat ons voedsel ‘lekker’ moet zijn, eerder dan ‘voedzaam’. Ik weet niet of de smaak van Jezus altijd aangenaam is. Ik betwijfel ook of dat geestelijk voedsel ons altijd moet smaken. Misschien moeten we ons leven en onze wereld van tijd tot tijd bekijken als een oorlog, een gevecht tussen onszelf en wat goed en God is. Ik heb – gelukkig – nooit een oorlog meegemaakt, maar ik veronderstel dat er in een oorlog niet gegeten wordt om te snoepen. Wellicht eet men dan wat er is. En men eet om staande te blijven. Men voedt zich, niet om te leven, maar om te over-leven. Wellicht is dat ook wat de eucharistie biedt: Brood om te over-leven in een tijd waarin men niet gelooft in het geloof en waarin de Heer geweerd wordt. Wellicht biedt de eucharistie niet zozeer ‘genoegen’, maar wel ‘genoeg’: genoeg om van te leven: genoeg om het geloof te beleven. We hebben niet meer, maar ook niet minder nodig. Als we de Heer hebben, hebben we dan niet ‘alles’? Aan wat zal het ons dan nog ontbreken?

Lieve Gommers

Woensdag 21 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 6,35-40)

Opstaan om aan tafel te gaan …

Wij, christenen, staan op wanneer het evangelie weerklinkt. Vandaag zegt het evangelie ook letterlijk ‘dat we mogen opstaan’. Op de laatste dag zullen ook wij opstaan! We zullen een nieuw en eeuwig leven vinden bij de Heer. Ik weet nog steeds niet wat dat eeuwig leven is. Aangezien het begint op de laatste dag meen ik dat er in het eeuwig leven geen dagen meer zijn. Of beter: wellicht zijn er geen duistere en donkere nachten meer, omdat we eeuwig mogen leven in het licht van Zijn aangezicht.

In diverse verhalen en boeken, en later ook in films, wordt veelvuldig gezocht naar de eeuwige jeugd en onsterfelijkheid. Doorheen de geschiedenis waren mensen zelfs bereid om te sterven voor het zogenaamde levenselexir. Ze wilden met volle teugen drinken van het leven en hoopten een drank te vinden die dood en ouderdom doet wegvloeien. Tegelijkertijd beseften mensen wel dat een eeuwig, aards leven eerder een ‘hel’ is. Stel dat jij zou blijven leven terwijl je geliefden sterven. Iets eindeloos wordt trouwens ook al snel iets zonder ritme, zonder tempo, zonder doel. En als allen eeuwig zouden leven, zou er ook al vlug geen plaats meer zijn in de herberg van de aarde. Overbevolking zou wellicht leiden tot honger en strijd: tot een leven dat geen leven is.

Mensen van alle tijden en alle culturen verlangen dus naar een eeuwig leven dat ‘hemels’ is. Merkwaardig genoeg kijken we dus uit naar het hemelse paradijs dat we nooit gezien hebben. We streven naar iets dat het aardse leven overschrijdt en alle kwaad en dood vermijdt.

We verlangen dus naar iets dat we niet kennen.

(…) Augustinus (kerkvader, begin 5de eeuw) zegt: Nauwkeurig bezien weten we helemaal niet waarnaar we eigenlijk verlangen, wat we eigenlijk zouden willen. We kennen het eeuwige leven helemaal niet; zelfs ogenblikken waarop we menen het aan te raken, bereiken het niet werkelijk. “Wij weten niet wat wij moeten vragen”, herhaalt hij een uitspraak van de heilige Paulus (Rom. 8, 26). Wij weten alleen: dat is het niet. In het niet weten, weten we toch dat het moet bestaan. “Er is daar, om zo te zeggen, een zekere wetende onwetendheid (docta ignorantia)”, schrijft hij. Wij weten niet wat wij werkelijk zouden willen; wij kennen dit “eigenlijke leven” niet, en toch weten wij dat er iets moet zijn, iets dat wij niet kennen en waartoe wij ons gedrongen voelen (…) (Encycliek Spe Salvi, 2007, 11)

We weten dus wat het eeuwig leven ‘niet’ is. Het is niet zoals het aardse leven. Het is geen leven waarin pijn, verdriet, kwaad en onrecht heersen. Wat het wél is, is moeilijker te zeggen. Om die reden wordt zowel in de Bijbel als ook in onze kerkelijke traditie gebruik gemaakt van beelden. Er worden vele verschillende beelden gebruikt omdat we allen beseffen dat elk beeld tekortschiet en slechts een gedeelte van de realiteit beschrijft. Denk maar aan het verhaal van de 6 blinden die elk proberen een olifant te beschrijven. De blinde die voelt aan een poot vergelijkt de olifant met een boom. De blinde die de slurf aanraakt, denkt spontaan aan een slang en de blinde die raakt aan de staart, denkt aan een koord. Al die beelden vatten iets van de waarheid, maar tegelijkertijd kunnen ze de hele waarheid niet zien. Zo bevat ook de Bijbel en onze kerkelijke traditie vele ‘beelden’ die zeggen wat we niet weten en iets zien in wat wij niet zien. Wat opvalt is … dat vele van die beelden ons tonen wat ook het evangelie van vandaag verhaalt. Het eeuwig leven wordt verbonden met brood en vooral met hongeren en dorsten naar de Heer. In heel wat beelden speelt het brood een hoofdrol. Denk maar aan het beeld van de eindtijdelijke maaltijd, de bruiloft of het maal met rijstpap en gouden lepeltjes.

Velen vinden die beelden ouderwets. Bruiloften komen niet meer veel voor, rijstpap is bijna nostalgie en gouden lepeltjes zijn verbannen naar de sprookjes. Eten doen velen in de zetel. Het ontbreekt ons aan niets, maar wel aan tijd voor de maaltijd. We eten tussendoortjes of tussen de maaltijd door spelen we met een gsm, die gouden lepels vervangt. Is het dan vreemd dat wij, in onze tijd, niet meer begrijpen wat het evangelie zegt? Hoe kan je begrijpen dat de Heer Brood is en je honger en dorst stilt als je geen honger en dorst kent? Ik ken geen honger en dorst. Of ik dorst toch niet naar water, noch naar brood, maar ik ben als de dood voor onzichtbaarheid. Het enige wat ik écht begrijp van dat beeld van de maaltijd … is de aandacht, het gesprek en de tijd. De maaltijd als een tijd dat Iemand je ziet, je hoort en tot je spreekt. Ja, het is wellicht ‘hemels’ als je er gewoon mag zijn!

Lieve Gommers

Donderdag 22 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 6,44-51)

Tafeltje dek-je, ezeltje strek-je?

Mensen zeggen nogal vaak dat het brood niet uit de hemel valt. Je moet ervoor werken. Het evangelie van vandaag spreekt dit tegen. De tekst schrijft zelfs zwart op wit dat het geen nieuws is. Het is niet nieuw dat er ‘brood uit de hemel valt’. De Israëlieten mochten reeds manna rapen in de woestijn. Het regende brood en zo kwam na regen zonneschijn. Het evangelie zegt echter dat er niet alleen manna te rapen valt. De hemel schenkt zelfs voedsel dat niet bederft: voeding voor bedorven mensen. Jezus is het Brood dat uit de hemel neerdaalt en eeuwig leven geeft.

Geloven christenen dan in ‘tafeltje dek-je, ezeltje strek-je’? In het sprookje zijn ‘woorden’ genoeg om de tafel te dekken met heerlijke spijzen. En een domme ezel blijkt zelfs goud waard. De balkende ezel smijt geld over de balk. Het geld groeit niet op zijn rug, maar hij heeft er wel zijn buik vol van. Hebben ook wij genoeg aan een paar woorden? Kan één woord leiden tot geld of brood? Dat is toch ongelooflijk! Toch zegt de Bijbel dat zoiets ‘niets’ is. Woorden kunnen niet alleen geld of brood geven, maar zelfs ‘het eeuwig leven’. Wie het Woord van Jezus hoort, ontvangt niet zomaar geld of spijzen, maar mag oprijzen uit de dood en opstijgen naar het eeuwig leven. Wie Jezus Woord aanneemt, ontvangt dus meer dan hij kan dragen. Wie gelooft, ontdekt wat meer waard is dan geld en brood. Het eeuwig leven is onbetaalbaar. Niemand ‘verdient’ het. ‘Geloven’ kan je niet ‘voor de kost doen’ en het eeuwig leven is niet te koop. Toch is het in de ‘aanbieding’. Het wordt ons aangeboden, gratis en voor niets. Vraag is alleen of wij het aannemen. Kunnen en willen wij ‘ontvangen’? De meeste mensen kunnen dat niet. Ze kunnen wel ‘geven’, maar ‘ontvangen’ vraagt om nederigheid. Om te ontvangen moet je afzien van je zelfstandigheid. Geven is dus zoveel gemakkelijker dan ontvangen.

Vorige week heb ik mij heel de week verdiept in de sociale leer van de Kerk. Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik er niets van begreep. Ik begreep helemaal niets van diaconie en sociale actie. Ik dacht, zoals velen, dat het ging over ‘geven’. En natuurlijk zijn acties zoals Welzijnszorg, Broederlijk delen, maar ook ‘de Warmste week’ en ‘Kom op tegen kanker’ ongelooflijk waardevol. Toch zijn het niet de gelovigen die hiermee het verschil maken. Wees gerust dat er ongelovigen zijn die veel meer geven! Diaconie of solidariteit gaat dus niet over wat giften geven. Het gaat veeleer over ‘ontvangen’ en ‘ontvankelijkheid’. Geven is zelfs gevaarlijk. Nee, ik bedoel niet dat de ontvanger dan steeds meer wil of profiteren zal. Ik wil zeggen dat wie geeft al snel de indruk krijgt dat hij als gever niet alleen meer heeft, maar ook meer waarde bezit. Velen voelen zich ‘beter’ als ze iets geven. Vanuit een meer-positie geven ze aan wie minder heeft. Dat is niet ‘slecht’ en misschien zelfs ‘goed’, maar eigenlijk niet ‘christelijk’. Christenen delen niet van hun overvloed. Ze zien de anderen als hun gelijken. Elke mens is kostbaar in Gods ogen. Elke mens is waardevol en verdient al wat hij nodig heeft om te bestaan. Kortom … een christen geeft niet van wat hij heeft, maar hij deelt het leven met wie niets of minder heeft. Echte diaconie of solidariteit is dus je leven delen. Ambrosius zei reeds in de 4de eeuw dat wie iets aan een arme schenkt hem slechts geeft wat hem toebehoort. Christelijke diaconie of solidariteit is dus eerder ‘ontvangen’ dan ‘geven’. Door ons leven te delen met armen, kleinen, vreemdelingen of gevangenen ‘geven’ wij misschien wel iets, maar het gaat eigenlijk veeleer over ‘ontvangen’: de ander ‘ontvangen’ in je eigen leven en beseffen dat je jezelf terugkrijgt. Wie minder heeft, kan ons het besef geven dat geld niet telt en we eigenlijk enkele kunnen leven van de liefde. Wie bezig is met het opbouwen van een vermogen of een huis wil wel eens vergeten dat het leven niet over ‘mij’ gaat, noch over ‘mijn gezin’ of ‘mijn familie’. Paus Franciscus zegt het 100x. In Laudato Si, Querida Amazonia en Fratelli Tutti. We zijn allen broeders van elkaar. We zijn één mensenfamilie, dus elk voor zich, is niet alleen ‘niet eerlijk’, maar ook ‘niet christelijk’. Wij zijn hoeders van onze broeders en enkel wie zorgt voor wie minder heeft, zorgt ook voor zichzelf. Juist in de zorg voor kleinen kunnen wij uitgroeien tot christenen die zichzelf niet méér achten en geen wederdienst verwachten, maar juist getuigen van de zachte kracht van liefde, gelijkwaardigheid en solidariteit.

Lieve Gommers

Vrijdag 23 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 6,52-59)

Ondergedompeld in liefde …

In het evangelie van vandaag spreekt Jezus niet aan het water of aan een meer. Deze keer zit hij binnen. Toch ontmoet Hij vooral buitenstaanders: mensen die zich ver willen houden van wat Hij vertelt. Hij is in de synagoge. Kerken en synagogen lijken plaatsen van rust en vrede, maar juist daar ontstaat onrust en twist.

Ruzie in de Kerk is van alle eeuwen. Meer dan van buitenaf wordt de Kerk van binnenuit bevraagd en belaagd. In de eerste Kerk ontstond er dus twist. Sommige Joden namen geen vrede met wat Jezus zei. Het was in strijd met hun gedachten. Ze vroegen zich af hoe Jezus ‘zijn eigen vlees te eten gaf’. Ze lachten met Hem. Zijn woorden smaakten naar kannibalisme. Ze lustten Hem rauw en kookten van woede. Ze wilden dus weten welk vlees ze in de kuip hadden. Ze stelden Hem op de proef met vele vragen. Ze wilden niet alleen weten of Hij van vlees en bloed was, maar vooral of Hij hún vlees en bloed was, of ze ‘vrienden en familie’ waren. Ze bevroegen Hem, keer op keer, en telkens weer gaf Hij hetzelfde antwoord. Hij zei dat het eeuwig leven is weggelegd voor wie zijn vlees eet en zijn bloed drinkt. Terwijl er verdeeldheid heerste onder de Joden zei Jezus dat enkel eenheid met Hem kan leiden tot de eeuwigheid. Wie Hem eet, weet zich welkom in het eeuwig leven. Wie één wordt met Hem, zal nooit alleen zijn.

Hoe moeten we die eenheid en eeuwigheid denken? Hoe kan Hij opgaan in ons en wij in Hem? Eén van de uitspraken van paus Benedictus XVI spreekt mij enorm aan. Hij vertelt wat het eeuwig leven zou kunnen zijn. Hij schrijft:

(…) Het zou het ogenblik zijn van de onderdompeling in de oceaan van oneindige liefde, waarin er geen tijd, geen vóór en na meer is. Wij kunnen slechts proberen te denken dat dit ogenblik het leven is in de volle zin: ons steeds opnieuw onderdompelen in de wijde ruimte van het zijn, waarin wij eenvoudig door vreugde overweldigd worden. Zo drukt Jezus het bij Johannes uit: “Ik zal u weerzien, (en) uw hart zal zich verheugen en uw vreugde zal niemand u kunnen ontnemen” (Joh. 16, 22). In deze richting moeten we denken als we willen verstaan waarop de christelijke hoop zich richt, wat wij verwachten van het geloof, van ons "bij Christus zijn".

(Encycliek Spe Salvi, 2007, 11)

Wij zijn dus wat druppels in een oceaan. We gaan op in Hem en zijn niet meer van Hem te scheiden. We worden niet zomaar samengevoegd of verbonden, maar werkelijk ver-enigd, vermengd. Vraag is of we durven springen, durven duiken, durven zwemmen. Durven we ‘kopje onder te gaan’? Durven we zover in het water te gaan dat we niet meer kunnen staan, maar enkel kunnen drijven op zijn kracht? Of staan we nog aan de kant? Wachtend op Hem die reeds gekomen is.

Heel het evangelie van vandaag spreekt over Jezus’ onderricht. Hij schenkt ons vele woorden. Als een meester beheerst Hij onze gedachten. Als een leraar zegt Hij dat een mens de liefde niet verleren kan. In de lange broodrede worden wij bedolven onder vele woorden. Als golven in de oceaan beuken de woorden op ons in. Ze doen ons schommelen tussen hoop en wanhoop, tussen geloof en ongeloof. We ontvangen vele woorden. Toch gaat het daar niet om. De tekst draait niet rond de woorden. Het evangelie gaat over wat er niet staat! En over wat niet in woorden te vatten is. Het woord dat wordt gehoord zegt veel meer dan woorden kunnen. Als Jezus tot ons spreekt over zijn Brood en het eeuwig leven, wil Hij wellicht niet dat we enkel horen. Het woord tot ons gericht wil ons oprichten. Het Woord wil vleesworden in ons. Wij mogen het eten. We mogen leven van zijn Woord en Brood. In het eerste hoofdstuk van Johannes lezen we dat het Woord is vlees geworden en onder ons heeft gewoond. In de broodrede uit hoofdstuk 6 klinkt die zin plots anders: de Heer is vlees en bloed geworden en woont in ons. Vraag is dus niet of Hij welkom is in de synagoge. Vraag is ook niet of Hij thuis kan komen in de Kerk. De vraag is veeleer of wij Hem een plaats geven in ons hart en in ons leven.

Lieve Gommers

Zaterdag 24 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 6,60-69)

Ben jij er weg van?

In het evangelie van vandaag horen we dat het geloof in het eeuwig leven ons wordt gegeven. Er zijn blijkbaar mensen ‘aan wie het niet gegeven is’. Of misschien beter: er zijn mensen die geen aandacht schenken aan het geschenk en het aanbod overbodig vinden. Er zijn dus leerlingen die hun handen vol hebben en Jezus laten vallen. Ik vind het opvallend dat het ‘leerlingen’ zijn. Het gaat over mensen die al een tijdje met Hem meegaan. Ze volgen Hem al lang, maar kunnen zijn woorden en gedachten niet meer volgen. Ze hebben veel van Hem geleerd, maar keren zich nu tegen Hem. Ze gingen met Hem op weg, maar nu trekken ze weg van Hem. Ze wilden wel met Hem verbonden zijn, maar ze geloofden niet dat Hij ‘hun vlees en bloed kon worden’. Velen verlieten Hem. De twaalf bleven, hoewel we weten dat één van hen Hem eigenlijk niet volgde. Hij achter-volgde Hem. Om Hem over te leveren.

We horen vandaag een belangrijke vraag. Jezus vroeg aan de twaalf: ‘willen jullie ook weggaan?’ Ik beeld me in hoe de leerlingen blijven staan. Aan de grond genageld stellen ze zich de vraag of ze nog verder willen gaan. Welke weg willen ze banen? Willen ze in zijn voetsporen treden? Simon Petrus geeft antwoord. Of beter: hij stelt een vraag. Hij zegt niet dat hij met Jezus mee wil gaan. Hij vraagt: ‘naar wie zouden wij anders gaan?’ Het lijkt wel alsof er geen alternatief is. En misschien is er ook geen andere keuze. Misschien zijn ze zelf uitgekozen. Kunnen zij ‘weg van Hem’ als Hij de weg is, de waarheid en het leven? Simon Petrus gelooft dus in Hem en zijn kraaiende ongeloof lijkt nog ver weg. Ooit zal hij Jezus verloochenen. Dat weten wij en dat weet Jezus, maar Petrus is zich van geen kwaad bewust. Gerust belijdt hij zijn geloof. Hij zegt: ‘wij geloven en weten dat Gij de heilige Gods zijt’. Hoewel dat geen ‘wetenschap’ is, heeft Petrus toch weet van het mysterie. Hij zegt wat hij gelooft of minstens ‘wat hij wil geloven’. Hij bevestigt wat hij van de Heer heeft gehoord.

Ik word getroffen door wat er staat, maar vooral door wat er niet staat. Alleen Petrus spreekt. De andere elf hullen zich in zwijgen. Spreekt Petrus in hun naam? En kan dat wel? Kan je in naam van een ander ‘geloven’? Kan je in naam van een ander ‘ja-zeggen’ tegen Hem? Ik vraag me af of die elf bevestigend knikten? Zwegen ze instemmend? Of zwegen ze gewoon omdat ze niet wisten wat ze moesten zeggen? En vooral: niet wisten wat ze moesten doen. Stel dat je met Jezus op weg gaat en het gaat niet meer. Stel dat je niet begrijpt wat Hij met je doet en van je vraagt. Je kan dan weggaan, zoals velen deden. Je kan ook zwijgen en gewoon doorgaan. Omdat dát makkelijker is. Ik weet dus niet of wie weggaat Hem werkelijk verlaat. Misschien ben je soms wel meer verlaten door de mensen die met je meegaan, maar niet achter je staan. Waarom je leven nogmaals omkeren? Er zijn mensen die blijven op hun werk of op een andere plek in hun leven, niet omdat ze het eens zijn, maar wel omdat weggaan moeilijk is. En wie weggaat, weet niet eens of er wel een andere weg is. Ik zou echt willen weten wat die andere elf dachten. Ik geloof nooit dat ze al volop en voluit geloofden. Ik denk dat ze dachten: ‘We zullen wel zien. We hebben niets meer te verliezen’. Wie weggaat, verliest namelijk alles. En natuurlijk weet wie blijft ook niet wat hij krijgt, maar ze weten wel dat dan niet alles verloren is. Ik beeld me in dat ze de weg kwijt zijn. Hoe zou je zelf zijn als een stroom van mensen de andere kant uitgaat?

In 2018 wandelde ik van Wuustwezel naar Compostela en ook terug. Op de lange terugweg ontmoette ik vele mensen die nog op weg waren naar hun doel. Ze begrepen niet dat ik terugging. Meer nog, ze zeiden mij dat ik verkeerd liep of ze vroegen wat ik vergeten of verloren was. Blijkbaar is het dus fout om ‘naar huis te keren’. Kennelijk denken mensen dat je iets vergeten bent wanneer je ook wil weten wat de terugweg met je doet. Iedereen ging de andere kant uit. Alleen ik liep tegen de stroom in. Het was vreemd en ongewoon. Het maakt je stil. Het doet je zwijgen. Zoals ik tijd nam om te luisteren. Naar God, naar mezelf en naar de natuur, zo beeld ik mij in dat ook de elf luisterden. Niet alleen naar Petrus en ook niet enkel naar de Heer, maar ook naar de stilte die overbleef wanneer al die anderen waren verdwenen. Wellicht luisterden ook zij naar de leegte. En ik vraag me af of ook zij – in de leegte en de afwezigheid – ontdekten wat volheid en nabijheid is.

Lieve Gommers

Zondag 25 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 10,11-18)

Herder of zwerver? Niet zo zwart-wit!

Herder-zijn. Het is een bijna uitgestorven beroep. Toch heb ik er al meer dan één ontmoet. Vooral op mijn voettocht van Wuustwezel naar Santiago en terug kwam ik af en toe een herder tegen. Ze hadden allemaal een kudde. Eén keer, in Villarmentero de campos, zag ik een kudde zonder herder. Je zou denken dat die kudde verloren was. En misschien was dat ook zo. Er gebeurde echter iets vreemds. Eigenlijk werd ik achtervolgd door die kudde. Als ik links ging, maakten die schapen ook een draai en als ik stopte, hielden ook zij halt. Hoewel ze schapen waren, aapten ze mij dus na. Ze deden wat ik deed. Ze dachten blijkbaar dat ik hen kon leiden. Ik kende echter mijn eigen doel niet eens. Of toch niet zo goed. Laat staan dat ik wist waarheen zij moesten gaan. Nee, de herder bracht geen redding. Het waren twee oudjes die de schapen wél de baas konden. Ze brachten de kudde terug op het rechte pad. En zo had ik plots geen volgers meer. Of alleen maar op mijn blog die schaapachtig lachte met mijn pelgrimsstaf.

Sindsdien vraag ik mij af of wij, christenen, niet erg gelijken op die schapen. Vele mensen willen niet vergeleken worden met een arm schaap. Ze willen geen zwart schaap zijn en niet ‘lam’ genoemd worden. Ze willen niet wollig zijn, noch worden kaalgeplukt of geschoren. Ze willen niet zijn als een verloren schaap dat niemand wil. Toch denk ik dat we lijken op die schapen in Villarmentero de campos. We lopen maar wat rond en volgen de eerste de beste, die meestal niet ‘de beste’ is. En erger nog, zoals die schapen in dat kleine dorp zien wij niet eens het verschil tussen een echte herder en een zwerver. Een herder is behoedzaam en weet goed wat hij doet. Hij kent zijn bestemming en stemt zich daarop af. Een zwerver cirkelt wat rond zichzelf. Hij vindt geen weg die hem ligt, noch een plek voor zijn thuis. Hij heeft meestal wel een rugzak vol met goede bedoelingen, maar een doel heeft hij niet. Een zwerver is een landloper en een zandloper. Zijn tijd glijdt weg omdat hij niet gedijt. Ik zie het voor mij: links een prentje van een herder, rechts een afbeelding van een zwerver. Zoek de 10 verschillen. En wij vinden ze niet. Wij zien alleen gelijkenissen. Vaak zijn wij schapen die zomaar volgen, zonder te weten ‘wie’, ‘wat’ en ‘waarheen’. We volgen zelfs ‘zwervers’, ook al leidt dat tot niets en nietigheid.

We zijn dus schapen en net zoals die schapen in Villarmentero de campos kennen én herkennen wij de herder niet. Hoe vaak hebben we de voorbije weken reeds gehoord dat de leerlingen hun meester wél zien, maar niet herkennen. En vooral niet ‘erkennen’ dat Hij hun rabboeni en herder is. Ook wij vinden Hem vaak niet en als Híj ons vindt, dan zijn wij vaak al zo van Hem vervreemd dat wij niet weten wie Hij is. Ook wij herkennen Hem niet altijd in zijn Woord en bij het breken van het Brood.

Het evangelie van vandaag gaat over de ‘goede herder’. De schapen, en dus ook wij, weten dat blijkbaar echter niet zo ‘goed’. Het moet hen gezegd worden. Het moet verhaald en herhaald worden. Jezus zegt hen wie Hij is. Hij is een herder die zich voorstelt als een onbekende bekende. ‘Ik ben de goede herder’, zegt Hij. Terwijl Hij zich bekend maakt, moeten mensen wellicht bekennen dat ze Hem niet hadden herkend. Ik vind het een prachtig verhaal, hoewel het natuurlijk geen verhaal is, maar echter dan de werkelijkheid. Toch loop ik als een schaap verloren in de tekst. Ik val vooral over de zin: ‘Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij’. Natuurlijk kent Hij ons. Hij kent ons zelfs zo goed dat Hij weet dat wij Hem niet herkennen. Hij kent de zijnen, maar weten wij dat wij ‘de zijnen’ zijn? Hij zegt ‘de mijnen kennen Mij’, maar klopt dat wel? Weten wij dat Hij ons wil herderen en leiden? Weten wij dat Hij voor ons wil leven en zelfs zijn leven voor ons wil geven? Ik denk dus dat wij Hem niet kennen. En meestal volgen we Hem ook niet.

Vandaag is het ook roepingenzondag, maar weet je dat ik een herder nog nooit heb horen roepen. Herders roepen niet. Ze praten met hun schapen. Ze spreken ze aan bij hun eigen naam. Ze fluisteren als een paardenfluisteraar en ze worden toch gehoord. Meestal zeggen ze zelfs niets. Ze laten de schapen wat begaan en als het tijd wordt om op te staan, dan gaan ze gewoon vooraan. Ze leiden niet met woorden, maar met daden. En juist door niet te roepen, verraden ze hun liefde. Ik denk dus dat het niet zo erg is als we Hem niet kennen of herkennen. Als we maar zien en voelen dat Hij ‘liefde’ is.

Lieve Gommers

Maandag 26 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 10,1-10)

Binnenkomer en buitenstaander

Wat gebeurt er na de verrijzenis? De leerlingen herkennen Jezus niet, dus Hij vertelt wie Hij is. Stel dat jij je voorstelt. Wat vertel je dan? Velen zeggen waar ze vandaan komen, wat ze doen en waar ze wonen. Ook Jezus maakt zich zo aan ons bekend.

Vorige week donderdag zei Jezus dat Hij uit de hemel kwam. Zijn leerlingen hoorden het donderen in Keulen en begrepen er niets van. Ook sprak Hij over wat Hij in het leven doet. Zo vertelde Hij gisteren dat Hij niet geschapen is, maar leeft als een geboren Herder. Tevens mochten we beluisteren waar Hij thuis is. Hij verwees naar zijn Vader en naar zijn huis van eeuwigheid. Ook herhaalde Hij meermaals zijn identiteit of eigenheid. Zo zei Hij dat Hij Brood des levens is. Maar zelfs na al dat spreken en eten, bleken de leerlingen nog niet veel te weten. Jezus blijft zich dus beschrijven. Ook vandaag leren zijn leerlingen Hem beter kennen.

In het eerste deel van het evangelie valt mij op dat de leerlingen niet buitenstaan. Ze zijn geen buitenstaanders. Bang zitten ze binnen. Opgesloten in zichzelf en angst. Ze lijden aan het leven. Ze willen dieven en rovers mijden. Ze zitten op elkaar gepakt als schapen. Ze proberen zich te warmen en rollen zich in wol. Ze zitten gevangen in een kooi: een schaapskooi met een deurwachter. Maar niet enkel de deurwachter wacht. Ook de schapen wachten en vragen wat er achter zit? Wat zit er achter Jezus’ woorden? Wat wil die herder zeggen?

In de eerste zinnen zitten de leerlingen dus binnen en Jezus komt van buiten. Hij is buiten-gewoon. Ik stel me voor dat Hij plots binnenkomt. De schapen zuchten opgelucht. Door de deur te openen, brengt Hij ademruimte. Hij geeft hen frisse lucht. Dan leidt Hij hen naar buiten. Ze trekken naar de weiden. De wijde wereld wacht. Als Hij hen buiten heeft gebracht, komt Pinksteren aan het licht. De schapen krijgen zicht op hun roeping. Ze moeten zichtbaar zijn. Een kudde kan namelijk tonen dat er ergens een herder is.

Vanaf vers 7 wordt alles anders. Er is sprake van een ‘andere keer’, een ommekeer. Jezus valt plots met de deur in huis. “Ik ben de deur”, zegt Hij. Blijkbaar is Hij de deur tussen binnen en buiten. De deur en zijn leven zijn niet afgesloten en zelfs de eeuwigheid sluit Hij niet uit. Allen kunnen het eeuwig leven binnengaan. Vraag is echter of wij Hem verstaan.

Wat is een deur voor ons? Een ingang of een uitgangspunt? Een barrière of een toegang? Een weg naar buiten of een weg naar onze binnenkant? Sluit een deur ons op of brengt ze veiligheid? Leidt ze naar vrijheid of naar geborgenheid? Vallen wij over de drempel of verlaagt Hij juist de drempel? Biedt die deur een uitweg of is dan het hek van de dam? En blijft die deur daar of zal ze ver-gaan? Waar staat die deur? Vinden wij ze en kunnen we er aan?

Ik vraag me dus af wie zijn deur platloopt. Voor velen is het allemaal niet ‘naast de deur’: Jezus en geloof staan ver van hun bed. Sommigen zoeken misschien eerder een achterdeurtje of ze willen gewoon niet weten wat er ‘voor de deur staat’. Vraag is echter niet wat anderen doen. Vraag is wat het ons doet. Wat doet het jou als Jezus zegt: “Ik ben de deur”? Ik voel me dan ‘uitgenodigd’. Ik weet dan dat Hij mij welkom heet. Ik voel mij verwacht. Voor ik binnenga, zou ik echter toch nog willen weten wat mij wacht. Is het een deur van een schaapskooi, van een huis, van een kerk? Of is het de deur misschien van mijn hart? De evangelietekst zegt dat wij langs die deur mogen in- en uitgaan. We mogen Hem in- en uitademen. Het bloed loopt in ons hart en vloeit in onze aderen uit. Er staat dat wij door die deur mogen in- en uitgaan en ‘weide zullen vinden’: groene weiden waar wij het leven lusten. En rusten mogen wij in de armen van de herder. We mogen binnen- en buitengaan: wie bij Hem is, voelt zich overal thuis. Bij de Heer is er geen binnen en buiten meer. Hij verbindt binnen en buiten, aarde en hemel, tijd en eeuwigheid.

In corona-tijden zijn vele deuren gesloten. In het evangelie van vandaag vertelt Jezus echter: ‘Ik ben de deur en mijn deur staat altijd voor je open’.

Lieve Gommers

Dinsdag 27 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 10,22-30)

Harten stelen zonder te roven

Gisteren hoorden we dat Jezus een ‘deur’ is tussen binnen en buiten. Vandaag staat Hij ook op de drempel. Hij bevindt zich in de zuilengang van de tempel. Zou dat lijken op de narthex van een kerkgebouw? De narthex is een ruimte tussen de ‘voordeur’ en de kerk: een voorhal of portaal. Soms is die ruimte klein, maar in Vézelay is het werkelijk een zaal. Er is een zee van ruimte en weinig licht. Het lijkt wel het vagevuur tussen binnen en buiten en misschien is het dat ook. In het verleden was dat de plaats voor doopleerlingen en boetelingen. Wie nog niet gedoopt was, kon nog niet helemaal thuiskomen in de kerk en boetelingen moesten zich nog ‘omkeren’ om de liturgie terug bij te wonen.

Vandaag bevinden we ons in de narthex. Heel de paastijd lang worden we heen en weer geslingerd tussen binnen en buiten, tussen geloof en ongeloof. Ik vind het fijn om in het evangelie van vandaag te horen dat we in die narthex niet alleen zijn. Er vertoeven vele mensen en zelfs Jezus is daar ook. Niet omdat Hij niet binnen hoort, maar wél omdat Hij wil zijn waar mensen zijn.

Het evangelie vertelt dat het feest van tempelwijding wordt gevierd. Gisteren zei Jezus dat Hij de deur is. Vandaag vertelt Hij opnieuw wie Hij is. Hij is de tempel die wordt afgebroken en op drie dagen weer herrijzen zal. Nee, dat zegt Hij niet in deze tekst. Of enkel impliciet. De tekst spreekt over de wijding van de tempel, maar volgens mij is de vraag veeleer of je de Heer herkent in de tempel. Het gaat over de ‘tempelwijding’, over wie Hem is toegewijd? Zien wij Hem als tempel? Komen we thuis bij Hem? Eren wij de Heer?

Jezus zegt in het evangelie van vandaag dat velen Hem niet eren. Hoewel ze in een kring rond Hem staan, lopen ze toch aan Hem voorbij. Hoewel ze naar Hem luisteren, horen ze Hem niet. Hoewel ze Hem bevragen, zien ze Hem niet als antwoord. Jezus zegt hen dat ze ‘arme schapen’ zijn, omdat ze niet behoren tot zijn kudde. Er staat in vers 22 dat het winter is en het wordt ook koud. In de tekst hangt een kilte. Waar is de warmte van het vuur waarop de vis geroosterd werd? Vandaag is Jezus hard en koel. Hij zegt dat velen verloren lopen. Ze laten zich beroven. Anderen nemen alles van hen weg: zelfs hun hoop en hun geloof. Hij benadrukt dat zij niet de zijnen zijn. Hij herhaalt: ‘de mijnen kennen Mij’. Er is dus onderscheid tussen schapen. Niet allen worden geleid door Hem.

Ik vraag me eigenlijk af hoeveel plaats er was voor schapen. Wellicht waren er heel wat schapen in de tempel. Ze werden er geofferd. Zouden ze allemaal hard en koud worden ‘afgeslacht’? Ook voor de schapen tot wie Jezus sprak, waren zijn woorden wellicht een harde klap. Wie wil nu horen dat men er niet bijhoort? Jezus zegt hen dat ze niet geloven, hoewel ze Joden zijn. In het Jodendom gelooft men wel dat de Messias komen zal, maar als Hij dan gekomen is, gelooft men niet in Hem.

In elke tempel of kerk huizen vele generaties. Herinneringen hangen aan de muren. De stenen vertellen over wie voor ons kwam. Onze voorvaderen zijn onze voorgangers in de tempel. Ook Jezus spreekt in de tempel over zijn familie. Hij verwijst naar zijn Vader. “Wij zijn één”, zegt Hij, maar er is geen mens die dat begrijpt. Dat is het mysterie van de triniteit. God is Vader, Zoon en Geest. Voor ons is het niet vreemd dat een zoon ook vader kan zijn. Vele zonen worden ooit ook vader. Ze zijn dan zoon en vader tegelijk. Vraag is alleen of dat de eenheid is die wordt bedoeld. Wellicht kennen wij die ‘eenheid’ niet, omdat wij nu eenmaal verdeeld zijn. Onze gedachten zijn een mix van hoop en wanhoop, van geloof en ongeloof. Wij voelen ons ‘gemengd’. Wij zijn geen mens uit één stuk. Wij zijn gefragmenteerd. Hoe zouden wij dan kunnen leren wat die ‘eenheid’ is? Jezus zegt dat alles wat de Vader toebehoort ook het Zijne is. Alles hebben zij gemeenschappelijk. Wat de Vader heeft, leeft ook in Hem. De schapen van de Vader geven dus gehoor aan de Zoon. Nooit gaan ze verloren en niemand kan ze roven. Jezus steelt echter hun harten en in ruil geeft Hij hen het eeuwig leven.

En terwijl Jezus voor de zoveelste keer zegt wie Hij is, vraagt de tekst ons vooral wie wíj zijn. Zijn wij schapen die luisteren naar Hem. Of zijn we ongelovig en verward? Is het reeds lente of is er nog winter in ons hart?

Lieve Gommers

Woensdag 28 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 12,44-50)

Kan je licht horen?

Wat gebeurt er met jou als iemand zijn of haar stem verheft? Kijk jij daarvan op? Bij mij gebeurt dat vooral wanneer ik die kracht in de stem van de ander niet verwacht. Als ik iemand ken als rustig en beheerst en plots spreekt hij met luider stem, dan wordt mijn blik gericht naar hem.

In het evangelie van vandaag horen we dat Jezus spreekt ‘met luider stem’. Hij zegt het luid en duidelijk. Toch begrijpen wij er niets van. Hij zegt met krachtige stem dat het niet over Hem gaat. “Wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft”, benadrukt Hij. Jezus is niet onzichtbaar, maar wél transparant. Wie naar Hem kijkt, ziet de Vader. Wie Hem aanschouwt, kan door Hem heen kijken en een glimp opvangen van God die te groot is voor onze ogen. Wie Jezus bekijkt, ziet dus meer dan een mens. Wie Hem waarneemt, ontvangt de ‘waarheid’. Wie naar Hem kijkt, ziet het licht.

Jezus zegt vandaag ook dat Hij ‘als een licht in de wereld is gekomen’. Niet als een bliksemschicht die mensen bang maakt. Hij zegt juist dat Hij niet gekomen is om te oordelen en te vernietigen. “Ik ben gekomen om de wereld te redden”, benadrukt Hij. Hij is dus licht dat je niet hoort of stoort, maar opkomt als de zon en plots weer zicht en richting geeft.

Weet je wat ik mij afvraag? Waarom zien mensen Jezus niet als Hij het licht is? Velen hebben geen oog voor Hem. Ze zien Hem niet staan. Als Hij ‘licht’ is, hoe komt dat dan? Zouden mensen het licht zo gewoon zijn dat ze het helemaal niet meer zien? Als je elke dag dezelfde weg gaat, let je niet meer op en zie je de omgeving helemaal niet meer. Het is zo gewoon dat we er letterlijk aan voorbijgaan. Zou dat met het licht ook zo zijn? Vaak zien wij ‘licht’ pas wanneer het donker is. Als het duister is in ons bestaan, dan komt het licht wél bij ons binnen. Dan zien wij wél het licht dat in het licht verborgen is.

In het evangelie van vandaag roept Jezus ons letterlijk op om het licht recht in de ogen te kijken. Hij roept of spreekt toch ‘met luider stem’. Hij wil écht dat we het horen. Hij wil écht dat we iets zien in het licht.

Vandaag plaatst Jezus niet alleen zijn woorden in de schijnwerpers. Hij zegt ook dat zijn woorden ‘werkwoorden’ zijn. Ik vind het interessant om te zien wat wij met zijn woorden moeten doen. Onderstreep jij soms de werkwoorden? In deze tekst ben ik geneigd om dat te ‘doen’. Het gaat over zijn woorden HOREN, zijn woorden ONDERHOUDEN en zijn woorden AANVAARDEN. Horen is dus niet genoeg en zelfs ‘onderhouden’ niet. Je kan namelijk perfect doen wat de ander vraagt zonder die woorden te aanvaarden. Je doet het dan omdat het moet, niet omdat jij er achter staat of het aanvaardt. Jezus vraagt ons dus ‘met luider stem’ om zijn woorden te horen en om te zetten in daden, maar Hij roept ons ook op om zijn woorden te aanvaarden. Aanvaarden betekent ‘accepteren’, ‘aannemen’ en toelaten dat Hij je inneemt. Aanvaarden is wellicht ook de woorden laten binnenkomen en tot ‘de jouwe maken’.

Wie Jezus en zijn woorden aanvaardt, zal geen aanvaring meemaken. Wie Hem echter verwerpt, wordt door de Vader niet opgevangen. Wie een negatief oordeel uitspreekt over de woorden van Jezus zal zichzelf veroordelen tot de dood. Het eeuwig leven is blijkbaar vooral weggelegd voor wie zich niet neerlegt bij Jezus’ woorden. Enkel wie opstaat en die woorden aanvaardt en waarmaakt, zal eeuwig leven vinden bij de Vader.

In het evangelie van vandaag zegt Jezus trouwens niet alleen dat Hij ‘licht’ is. Hij noemt zichzelf ook een ‘verkondiger’. Licht kan blijkbaar ‘verkondigen’. Licht kan blijkbaar spreken en aanspreken. Vraag is of wij dat licht verstaan? Spreekt het ons aan?

Weet je hoe ik mij de Verrezene voorstel? Als iemand die ‘overbelicht’ is. Als iets of iemand overbelicht is, zie je er niets meer van. Je ziet zelfs de contouren niet. Je ziet dan alleen het overweldigend licht. Het licht neemt alles in zich op en maakt dan alles één. Alles is dan licht en het licht is alles. Ik vraag me af of alles, groot en klein, ooit opgaat in dat licht om eeuwig in en bij Hem te zijn? ​

Lieve Gommers

Donderdag 29 april

(bij het evangelie van de dag: Mt 11,25-30)

Een patroon dat wederkeert …

Tegenwoordig zijn er toch geen heiligen meer. Dat zei de moeder van Catharina van Siëna. Haar dochter werd echter een grote heilige en zelfs patrones van Europa. Blijkbaar herkent een moeder dus haar dochter niet. Ze ziet niet dat zij een heilige is. Als een moeder haar kind niet eens herkent, is het dan vreemd dat de leerlingen hun broeder Jezus niet herkennen en na de verrijzenis niet weten wie Hij is?

We vieren vandaag Catharina van Siëna. Zij is niet alleen patrones van Europa. Er zit in haar leven ook een patroon dat wederkeert. Dit patroon toont ons ‘de gemeenschap’. Heel haar leven lang was ze georiënteerd op het gemeenschappelijk goed en de gehele samenleving. Blijkbaar groeide ze reeds op in een zeer grote gemeenschap. Ze was het 25ste kind in het gezin. Als je dan nog niet weet wat delen is … . Zij zette haar leven van geven en delen echter ook verder wanneer ze reeds volwassen was. Ze verzamelde voedsel en kleding voor wie niets had, ze bezocht de gevangenen en zelfs de mensen met pest werden niet door haar gemeden. Als een ‘zuster’ verpleegde ze hen. Ze voelde zich echter niet alleen één met armen en zieken. Ze had ook veel gemeen met de hele samenleving en de politiek. Ook de grote gemeenschappen in de steden lieten haar niet onberoerd en haar wereld werd steeds groter. Uiteindelijk zag ze de hele wereld als één gemeenschap. Als broeder en zuster van allen werd de wereldpolitiek haar thuis. Ze liet zich niet de mond snoeren door kardinalen en pausen. Ze sprak hen ook niet naar de mond. Meer nog, ze sprak hen terecht en riep hen op om samen te werken aan gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid en een gevoel van gemeenschap.

Als vrouw in een mannenwereld was ze haar tijd met minstens 650 jaar vooruit. Haar boodschap is zo oud, maar ook zo actueel. Wat zou zij zeggen als zij de huidige situatie ziet? Wellicht zou ze bevestigend glimlachen bij de mooie woorden van paus Franciscus. Ze zou waarschijnlijk wel instemmen met de sociale gedachten in Evangelii Gaudium, Laudato Si, Querida Amazonia en Fratelli Tutti. Toch zou ze wellicht ook zeggen dat we nog steeds wachten op daden. Zeker in deze coronatijden, waarin de economie niet alleen slachtoffers, maar ook ‘armen’ maakt. Misschien zou ze zich ook aanmelden om coronapatiënten te verplegen of allen te vaccineren. Of ze zou beargumenteren dat de jongsten oud en wijs genoeg moeten zijn om eerst de ouderen en de zwakken te vaccineren. Ze zou wellicht het egoïsme aanklagen van jonge mensen die zich inspannen om toch ingeënt te worden, louter om te reizen of te ontspannen. In deze coronatijden vraagt Catharina van Siëna als patrones van Europa aan alle Europeanen waar ons gemeenschapsgevoel is gebleven. Is het opgesloten in een lockdown? Of willen wij echt wel het welzijn van allen?

Het evangelie van vandaag spreekt ook over de voorkeursoptie voor kleine mensen. Wie wijs is en verstandig luistert best naar kleine mensen. Zij tonen waar het systeem van onze samenleving faalt of is achterhaald. Jezus spreekt vandaag tot wie uitgeput is en onder lasten gebukt. Wellicht heeft Hij vandaag veel, heel veel toehoorders. Iedereen is corona beu en de maatregelen zijn een juk dat bijna niemand nog kan dragen. “Ik zal u rust en verlichting schenken”, zegt Jezus aan elk van ons. Jezus is er gerust in, meer dan ik en meer dan de meeste mensen. Hij gelooft in ons. Hij meent dat wij corona kunnen overwinnen. Zelfs als corona altijd op één of andere manier aanwezig blijft, meent Hij dat wij sterker zijn. Wij zijn in staat om elk juk, hoe zwaar dan ook, te dragen als wij dat samen doen, als wij gemeenschap vormen en een samenleving zijn die draagt wat een mens alleen niet dragen kan. Vraag is alleen of wij zo’n samenleving willen zijn? Of is het elk voor zich? En slechts één of enkelen voor allen? Jezus wil er alvast zijn voor iedereen, voor rijk en arm, voor groot en klein.

In het evangelie van vandaag noemt Jezus zichzelf ‘zachtmoedig’. Misschien moeten ook wij dát zijn: zacht-moedig: zacht, maar toch ‘krachtig’, toch moedig. Laten we zacht zijn en een hart hebben voor wie het materieel of psychisch moeilijk heeft. We zijn echter ook geroepen om de vermoeidheid achter te laten en ‘moedig’ te zijn. Laten we moedig stappen zetten in de richting van gemeenschap en samenhorigheid. Laten we de moed hebben om altijd en in elke omstandigheid ‘goed te doen’! ​

Lieve Gommers

Vrijdag 30 april

(bij het evangelie van de dag: Joh 14,1-6)

Rarara … wie ben Ik?

Zelfs als iemand zich heeft voorgesteld, weet je natuurlijk nog niet wie hij is. Je kent dan misschien zijn naam en je kan misschien iets over die persoon vertellen. Toch kan je niet stellig zeggen dat je die mens echt kent.
Misschien is het ook zo met Jezus. Zijn leerlingen, en ook wij, herkennen Hem niet. Hij zegt dus wie Hij is. Hij stelt zich voor. Niet één keer, niet twee keer en ook de derde keer is niet de goede keer. Tot zevenmaal toe laat Jezus zich kennen. Bij de evangelist Johannes ontdekken we namelijk zeven ‘Ik ben-woorden’. Jezus zegt: Ik ben het Brood des levens, Ik ben het licht der wereld, Ik ben de deur, Ik ben de goede Herder, Ik ben de opstanding en het leven. Ook vandaag en zondag maakt Jezus tijd om zich voor te stellen. Hij onthult zijn identiteit. Ondanks het feit dat Hij vertelt wie Hij is, moeten de leerlingen en ook wij bekennen dat Hij onbekend blijft. Wat Hij zegt, is slechts een sluier die nog niet wordt opgelicht. Ondanks zijn woorden kunnen de leerlingen enkel raden wie Hij is. De leerlingen weten zich dan ook geen raad. En ook wij begrijpen niet waarvoor Hij werkelijk staat. Met hand en tand, met woord en daad probeert Jezus uit te leggen wie Hij is. We vangen zijn woorden op, maar vatten ze niet. Pas als je Hem ontmoet in het Brood of als een herder, pas als Hij voor jou een deur of een licht is, zal je zien en inzien dat Hij de Heer en Messias is.

Wat mijn favoriete beeld is? Welk ‘Ik ben’-woord mij het meest aanspreekt? Om eerlijk te zijn, zegt het getal mij het meest. Zeven keer zegt Jezus wie Hij is. Zeven is een heilig getal, vol van volheid. De zeven ‘Ik ben-woorden’ zeggen mij dus vooral dat Hij ‘heilig’ is: een ongrijpbaar mysterie, oneindig groot en zelfs sterker dan de dood.

Maar als ik toch één beeld moet kiezen, dan weet iedereen reeds wat mijn voorkeur krijgt. Ik ben werkelijk weg van de ‘Ik ben-woorden’ uit het evangelie van vandaag. Vandaag klinkt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’. Jezus is de weg. Vraag is echter ‘welke weg’? Is Hij een kruisweg met één kruispunt dat hemel en aarde verbindt? Of is Hij een weg die nimmer doodloopt? Hij is zeker geen autosnelweg. Bedoeling is niet om je snel te brengen van a tot z. Het gaat niet over aankomen, maar over met Hem op weg gaan. Ik denk dus dat Hij geen bestaande weg is, maar eerder een weg die nog wordt gebaand.

Tijdens mijn voettocht van Wuustwezel naar Santiago en ook terug kreeg het evangelie van vandaag een bijzondere betekenis. Ik besefte onderweg dat Jezus de weg is. Hij laat werkelijk over zich heen lopen. Hij wordt als een weg ‘platgetrapt’. Hij wordt verdronken in een plas. Soms wordt Hij zelfs weggespoeld of overwoekerd. Ze nemen Hem in of breken Hem uit. Ze laten Hem links liggen of Hij mag niet tot zijn recht komen. Soms wordt Hij zelfs vervangen door een andere en bredere weg. Hij is nochtans het rechte pad. Hij draait er niet omheen. Hij kronkelt zich niet in bochten. Hij is een weg die zich voor ons opent, terwijl wij niet weten waarheen Hij leidt. De weg is geplaveid met liefde en met zand waarin Hij schrijft.
Ik vind het mooi dat Hij die de weg is ook de waarheid en het leven is. In ons taalgebruik zijn die drie geen synoniem, maar juist door Jezus kunnen we de eenheid zien. Het leven is een weg naar de waarheid en dé Ware. Hij, die de weg is, laat ons leven in de waarheid. Hij is de weg naar het eeuwig en ware leven.

In deze paastijd horen we dus dat we er nog niet zijn! Pasen is wel het hoogtepunt, maar de verrijzenis is niet het einde. Pasen is het toppunt van ons geloof, maar we moeten afdalen en terug met onze beide voeten op de grond komen. De weg wacht. We hebben de taak om de hemel naar de aarde te brengen en ook hoogte te krijgen van wat laag bij de grond is. We mogen de verrijzenis niet naar beneden halen, maar zijn Pasen wil wél het fundament zijn van ons leven.
Pasen en de verrijzenis geven ons ‘reisplicht’. We mogen even stilstaan, maar we zijn vooral geroepen om op weg te gaan en overal te vertellen over de wegen waarop Hij ons zal begroeten. We mogen Hem ontmoeten in zijn Woord en in zijn Brood. Hij komt ons tegemoet waar het goede gebeurt. Vaak zal Hij niet worden gezien, noch worden herkend. Mensen onderweg kijken namelijk vooral links en rechts en ze kijken vooruit. Alleen wie niet wil vallen, kijkt af en toe ook naar de grond en dan zie je de weg, die Hij is. Hij is de weg die ons wil dragen en ver-dragen, wil richten en oprichten.

Lieve Gommers

Zaterdag 1 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 14,7-14)

Vader-dag?

Op 1 mei, de dag van de arbeid, gedenken we de heilige Jozef. Hij timmerde aan de Weg die Jezus is. De meeste mensen kennen 1 mei als een vrije dag. De dag van de arbeid is namelijk een dag waarop we juist niet doen wat die dag zegt. We arbeiden niet. Soms beseffen we het belang van iets pas wanneer het er niet is. Misschien is dat bij ‘arbeid’ ook wel zo. Wie arbeidt, is zo druk bezig met werken dat men nauwelijks nog tijd heeft om te merken dat arbeiden van belang is. In onze tijd is er vooral aandacht voor de waarde van het werk. Hoeveel levert de arbeid op? Wat zijn de kosten en de baten? Hoeveel krijgt de arbeider en wat verdient de werkgever? De sociale leer van onze Kerk bekijkt de waarde van ‘werk’ echter op een heel andere manier. Zo wordt benadrukt dat de arbeider altijd belangrijker moet zijn dan het product. Zelfs als het werk van iemand nog zo goed is, dan is de arbeid toch niet per se ‘gelukt’. Belangrijker dan het product van het werk is dat de arbeider kan werken aan zichzelf! Dat is lang niet altijd zo. Velen moeten alleen produceren, zonder dat ze kunnen leren of kunnen groeien in het werk en in het leven. Als de werkgever het product belangrijker vindt dan de arbeider, is de arbeider volgens mij ook geen werk-nemer meer, maar louter een ‘gever’, zonder veel te ontvangen. Als het geven en ontvangen niet in evenwicht zijn, is er dus geen sprake van een evenwichtige job, noch van een evenwichtige arbeider. De arbeider verliest zich dan in de arbeid en herkent zichzelf niet meer in het product. Hij doet wat ‘nodig’ is, maar zijn noden blijven onvervuld. Iedereen weet dat zo’n arbeid ‘geen doen is’. Toch is er nog veel werk aan de winkel, want heel vaak doet het werk de arbeider geen goed.

Van mijn werkverleden leerde ik vooral dat een arbeider, wat hij of zij ook doet, gezien en gehoord wil worden. Een goeiemorgen is goed en ook een goeiedag mag. Mijn vroegere baas vroeg dagelijks “Alles goed?”. Ik vond dat toen wat raar. Alsof op één nachtje alles veranderd was. Nu besef ik pas hoe belangrijk die vraag was. Wat ik antwoordde? Ik zei altijd hetzelfde. Hij vroeg steeds: “Alles goed?” en ik zei met een lach: “alles is veel, hé”. Alles is ook veel en ‘alles’ kan nooit goed zijn. Tenzij misschien in de hemel, maar toch niet op aarde. Hoewel de vraag dus eigenlijk retorisch was en zelfs het antwoord niets nieuws bracht, vertelde de vraag wel dat de arbeider van belang was en zelfs op de eerste plaats kwam. De vraag ‘alles goed?’ ging namelijk aan het werk vooraf. Ik vind het dus belangrijk dat een werkgever zijn werknemers zo vaak mogelijk begroet. Volgens mij doet zo’n kort gesprek altijd goed. Vanzelfsprekend zijn er ook procedures en documenten nodig over welbevinden op het werk, maar geef nu toe: eigenlijk zijn die documenten bedoeld om ‘overbodig’ te worden.

In het evangelie van vandaag gaat het echter niet zozeer over arbeid, maar wel over het werk van de Vader. Jezus verwijst naar zijn Vader. Niet naar Jozef, maar naar zijn Vader in de hemel, hoewel ik denk dat Jozef ondertussen ook wel in de hemel is. 1 mei is dus als het ware ‘Vader-dag’: een dag om te kijken naar wat de Vader aan en met jou doet. Welke arbeid verricht Hij? Sommigen vinden dat God, de Vader, niet veel doet. Hij doet niet veel aan onrecht en oorlog. Anderen beweren dat Hij zijn werk gedaan heeft en uitrust van het werk dat soms zijn uitwerking mist. Is God werkelijk werkloos? Of heeft Hij zijn handen vol met deze wereld? Jezus geeft ons vandaag het antwoord. Hij zegt dat de Vader blijvend in Hem zijn werk verricht. Wie wil weten wat God doet, moet dus kijken naar de Zoon. De Vader werkt met, in en door de Zoon. Toch zegt Jezus ons vandaag ook dat we de verkeerde vraag stellen. De vraag is niet wat God doet, noch of Hij werkt. De vraag is of Hij wel werken mag? In en door ons? Mag Hij zijn werk verrichten in ons?

In de tekst van vandaag zegt Jezus dat Hij niet alleen in en door ons wil werken, maar dat Hij vooral VOOR ons wil werken. Hij wil er zijn voor ons. Hij wil werken en leven voor zijn mensen. Hij zegt: “Wat gij zult vragen in mijn Naam, zal ik doen”. Als wij het juiste vragen zal Hij doen wat wij vragen. Hij is een werk-nemer die voor ons zijn leven wil geven. Vraag is alleen of wij … het product belangrijker vinden dat de arbeider … ? Willen wij alleen zijn goede werken of … hebben we écht oog voor Hem?

Lieve Gommers

Zondag 2 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,1-8)

Krijg jij het aan de stok met Jezus?

Ook op zondag rust Jezus niet. Hij stelt zich opnieuw aan ons voor. Toen Hij zei dat Hij Brood was, smaakte dat naar meer. Wanneer Hij vertelde over de gastvrije deur bloeide ik open. Toen Hij vermeldde dat Hij de weg was, kwam ik een hele stap verder. Ook het beeld van de arme en zorgzame herder vond ik heel rijk. Vandaag zegt Hij echter dat Hij een stok is. Met die stok gaat Hij veel te vlug voor mij. Ik kan Hem niet meer volgen. Waarom in Godsnaam een stok? Natuurlijk weet ik wel dat Hij uit het goede hout gesneden is. Toch zou ik dan eerder kiezen voor het beeld van een boom die diep geworteld is, een stam die stevig staat en een kruin waar mensen zich kunnen nestelen en thuis kunnen komen. Waarom dan een 'stok': een wijnstok?

Eerlijk gezegd heb ik lang gedacht dat een stok ‘enkel voor ouderen’ is. En voor wie niet met beide voeten op de grond staat. Wie niet goed te been is, heeft een stok nodig om staande te blijven. Op mijn vele voettochten naar Santiago kreeg ik het echter aan de stok met mijn vooroordelen. Mijn wandelstok werd een bondgenoot. Hij zorgde meermaals dat ik niet op de grond belandde en hij beschermde mij zelfs tegen een hond. Hij ontpopte zich tot een kapstok en één keer werd hij zelfs letterlijk een stok achter de deur. Aangezien de deur van de herberg geen sleutel had en ik niet uitkeek naar onverwacht bezoek, barricadeerde ik de deur. Als er al een inbreker geïnteresseerd zou zijn in het nietige bezit van een pelgrim stak mijn wandelstok daar dus een stokje voor. Niets of niemand kon zich meten aan mijn stok. Meer nog, mijn stok was zelfs in staat om de diepte te peilen. Meermaals stopte ik mijn stok in een plas of in een beek om te zien hoe diep ik vallen kon. Hij hielp mij ook te springen over sloten. Terwijl hij overgoten werd met vuil en modder deed hij steeds recht aan mij. Hij deed mij groeien over angsten en zorgen heen. Zelf werd hij echter steeds korter. Na weken en maanden zag ik hoe hij kromp. Zijn scherpe onderkant werd eerst wat stomp en later ontdekte ik ook dat hij steeds kleiner werd. Hij gaf zichzelf. Zijn leven werd steeds korter. Ik denk dat mijn pelgrimstocht hem minstens 10 centimeter kostte.

In het evangelie van vandaag zegt Jezus echter niet dat Hij een wandelstok is. Hij is een wijnstok. Ik heb onderweg naar Santiago al wel wat wijngaarden gezien, maar eerlijk gezegd ben ik er Jezus niet tegengekomen. In maart was de wijngaard nog dor en kaal. En de wijngaarden die ik in de zomer zag, waren van die aard dat een pelgrim er niet komen mag. Ze veroverden elke helling en deden pelgrims verdrinken in hun weelde.

Het evangelie zegt dat Jezus de wijnstok is en wij de ranken, maar klopt dat wel? Draaien wij rond Hem heen? Zijn wij ‘verslingerd’ aan Hem? Doet Hij ons groeien en bloeien? En welke takken worden in het vuur gegooid? Zijn dat nooit de takken die veel vruchten dragen? Zijn het werkelijk de lege ranken die worden gemeden en afgesneden? Ik heb eigenlijk vaak het gevoel dat niet alleen God aan het werk is in Gods wijngaard. Hij is het lang niet altijd die de ranken bijsnijdt. Er zijn wellicht vele anderen die – al dan niet in zijn naam – takken uitrukken en geen druiven, maar ranken plukken.

Ik vind het ook opvallend dat er sprake is van een wijnstok. Waarom noemt die stok een ‘wijnstok’ en geen ‘druivenstok’? Waarom verwijst die stok naar één van de eindproducten en niet naar het bestanddeel dat toch veel fundamenteler is. Ik vind het confronterend dat het dus blijkbaar niet over de druiven gaat. Belangrijk zijn vooral de wijnstok en de ranken. En natuurlijk moeten die ranken vrucht dragen en druiven voortbrengen, maar het gaat blijkbaar niet over die druiven. In de naam ‘wijnstok’ staat dat vooral de wijnen van belang zijn. Je kan veel vruchten dragen, maar wat als ze niet belanden in de wijn? Wat als die vruchten niet gezien en geplukt worden? Wat als ze verdwijnen of zelfs verschrompelen tot rozijnen?

Probleem is wellicht dat niet iedereen uitkijkt naar de maaltijd met Brood en Wijn. Ze willen niet dat de ranken groeien. De vruchten worden platgedrukt of gaan gebukt onder de vele schaduwzijden van het leven. Er wordt gewoon niet op de vruchten gelet of ze worden zelfs geplet in een bodemloos vat. Soms krijgen de vruchten wel wat ruimte, maar vaak lukt het niet om de vruchten te plukken en te genieten van een gelukt product: de wijn smaakt vaak zuur. Het lijkt wel azijn. Vraag is dus wellicht niet alleen hoe wij ‘vrucht kunnen dragen’, maar vooral ook ‘hoe wij wijn kunnen zijn’? Hoe kunnen wij bijdragen aan de tafel van de Heer? Hoe kunnen wij leren om vruchten te dragen die wijn produceren? Hoe en wanneer kunnen wij aan tafel klinken op onze verbondenheid met de Heer?

Lieve Gommers

Maandag 3 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 14,6-14)

Wanneer ken je iemand echt? En zal de tijd dat leren?

Het evangelie van vandaag kennen we al lang. We hoorden het zaterdag namelijk ook. Vraag is of we de tekst echt kennen of enkel ‘herkennen’? En belangrijker nog: kan je iets herkennen zonder het te kennen? En kan je iemand herkennen als je die persoon niet kent? De leerlingen van Jezus herkenden Hem niet. Of toch niet onmiddellijk. Wellicht toont dit wat ook het evangelie van vandaag ons zegt: de leerlingen kénden Jezus niet. Of toch niet zo goed. Ze hadden nochtans veel tijd gekregen om Hem te leren kennen. Maar wat leert de tijd? Wellicht leert de tijd enkel dat geen enkele tijdspanne volstaat om helemaal te vatten wie iemand is.

Je hebt het wellicht al eens meegemaakt: je kent iemand al lang en toch besef je plots dat je die persoon niet kent. Je hebt weet van zijn eigenschappen, je bent zelfs zijn kleine kantjes gewend, maar toch blijkt plots dat die ander ‘anders’ is dan jij had gedacht en verwacht. Er is echter ook nog de andere kant: je denkt dat de ander jou kent. Je vertrouwt erop dat hij weet wie je bent. En plots blijkt hij helemaal niet te weten waar jij om geeft, wat voor jou van belang is en waar jij voor leeft.
Het is erg om iemand niet te kennen, maar het is misschien nog erger om niet gekend te worden. Want ja, onbekend is vaak ook onbemind.

Vandaag stelt Jezus zijn apostelen in vraag. In het evangelie zegt Jezus: “Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus?” De apostel Filippus kent Jezus niet en toch verdient Hij een feestdag. We vieren vandaag namelijk het feest van de heilige apostelen Filippus en Jakobus. Het gaat niet over Jakobus van Compostela. Die viert feest in de vakantie, op 25 juli. Vandaag staat Jakobus de mindere centraal. Ik denk niet dat Jezus ‘Jakobus de mindere’ kent. Jezus kent en beschouwt hem wellicht niet als de mindere. Zijn in zijn ogen niet alle mensen gelijk? Ik weet niet veel over Jakobus de mindere. Ik weet dus méér over Jakobus de meerdere. Ik heb ‘méér kennis’ van hem, maar ik betwijfel toch of dat iets zegt over hun naam. Filippus kent Jezus dus niet. Het is ongeweten, maar eigenlijk vieren we dus vandaag het feest van de onwetenden. We gedenken de mensen die Jezus niet kennen. Toch moet ook worden gezegd dat ze echt hun best doen. Filippus volgde Jezus al lang en stelde Hem allerlei vragen. Hij wou zijn kennis wel vergroten, maar Jezus is nu eenmaal veel te groot voor zijn verstand. Ik voel eigenlijk wel een band met die onbekende apostel. Ik begrijp wel dat Hij Jezus helemaal niet kent. Jezus heeft net gezegd wie Hij is. In de eerste zinnen van het evangelie vertelt Hij dat Hij de weg, de waarheid en het leven is. Stel dat je vervolgens zegt dat je Hem echt kent. Persoonlijk vind ik dat pretentieus. Kan een mens zeggen dat hij de weg, de waarheid én het leven kent? Er is geen mens die zijn levensweg kent. Niemand weet zeker welke weg voor hem of haar is weggelegd. En wie durft te beweren dat Hij de Heer kent, die de waarheid is? Ken jij de waarheid? Soms komt de waarheid als een glimp aan het licht, maar het is vooral ‘waar’ dat wij de waarheid niet bezitten. Soms vatten we de waarheid, vaak ontglipt ze ons en soms laten we de waarheid opzettelijk vallen. Jezus zegt dat Hij ook ‘het leven’ is, maar wie kent het leven? Wie weet wat leven is? Kortom: ik vind het eigenlijk normaal dat Filippus niet weet wie Jezus is. Ik zou het zelfs ‘zonde’ vinden als Hij dat wel wist. Waarom ik dat ‘zonde’ vind? Om twee redenen. Ten eerste omdat iemand die zegt dat hij Jezus kent eigenlijk zichzelf vergoddelijkt en ten tweede omdat Filippus anders zou zwijgen. Als Hij Jezus zou kennen, zou hij geen vragen stellen. En bijgevolg zouden wij dan ook niet horen wat Jezus aan Filippus antwoordt. Jezus spreekt over zijn woorden en zijn werken. Hij zegt ook dat wat Hij doet, moet doorwerken in ons.

Filippus en Jakobus zijn apostelen. Heb je je wel eens afgevraagd wat het verschil is tussen een apostel en een leerling? Een apostel is letterlijk een ‘boodschapper’ of een ‘gezant’. Sommige mensen denken dat je eerst leerling moet zijn en alles moet leren en pas dan kan je apostel worden en het doorgeven. Ik geloof daar niets van. Als een apostel een ‘boodschapper’ is, dan is een leerling wellicht de ‘consument’. De meeste consumenten doen echter zelf hun boodschappen. Ik vind de volgorde belangrijk: velen doen eerst hun boodschappen om er dan van te eten. Ze zijn met andere woorden eerst apostel en dan pas consument. Of nog: ze leren door te doen, ze leren van het apostel-zijn. Paus Franciscus zegt eigenlijk hetzelfde. Hij zegt dat allen leerling-missionarissen zijn. We leren leerling zijn als we Jezus laten werken in ons. En zou het kunnen dat wij Hem dan écht leren kennen?

Lieve Gommers

Dinsdag 4 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 14,27-31a)

Neem jij er vrede mee dat Hij weggaat?

Jezus is nog maar net terug en Hij zegt dat Hij weer weggaat. Zou jij daar vrede mee nemen? Jezus is kortgeleden verrezen en nu horen we in het evangelie dat Hij verschijnt aan zijn leerlingen, maar onmiddellijk zegt dat Hij ook weer verdwijnt. Voor het eerst in deze paastijd komt Hemelvaart aan het licht. De leerlingen zien er echter niets in. Ik stel me voor hoe droefheid hen overvalt. Ze vechten tegen hun tranen. Ze strijden met hun emoties en kampen met onvrede. “Vrede laat ik u na”, zegt Jezus, maar ik denk dat de leerlingen het eerder wreed vinden. Jezus stelt zelfs dat ze blij moeten zijn dat Hij weggaat. Ja, echt waar! Ik ben alleen blij als iemand weggaat die ik haat, maar Jezus vertelt dat je blij moet zijn omdat Hij opstijgt naar de Vader. Kunnen wij blij zijn als het de ander goed gaat? Of denken we alleen aan onszelf en aan het feit dat die ander ons verlaat?

Jezus kondigt zijn verdwijning aan. Het is geen onrustwekkende verdwijning. Toch wekken zijn woorden onrust. En Hij weet perfect wat zijn leerlingen voelen. Hij verwoordt het zelfs. “Laat uw hart niet verontrust worden”, zegt Hij. Dan zegt Hij dat Hij heengaat, maar ook wederkeren zal. “Ik keer tot u terug”, stelt Hij. Ik vind het vreemd. Jezus is met zijn leerlingen op reis. Ze zijn al een lange tijd op weg en plots zegt Hij dat Hij weggaat. Maar Hij is toch al weg? Samen met zijn leerlingen. Kan je weggaan als je reeds weg bent? Het lijkt alsof Hij op reis vertrekt en zal terugkeren, maar dat is dus niet zo! Hij ís namelijk al op reis. Hij gaat niet op vakantie, noch op kruistocht, pelgrims- of missiereis. Hij gaat naar HUIS. Hij gaat naar zijn Vader. Eigenlijk gaat Hij dus niet weg. Hij gaat terug. Terug naar zijn Vaderhuis, waar Hij thuis is. Toch belooft Hij om niet eeuwig thuis te blijven. Hij zegt dat Hij de aarde en de mensen nog vaak zal bezoeken. Hij gaat dus weg van de weg en beklimt de trappen van zijn hemels Vaderhuis. Toch laat Hij zijn leerlingen niet in de steek. Hij neemt hen mee. Nee, ze kunnen niet mee op Hemelvaart, maar Hij draagt hen in zijn hart en zijn gedachten. Meer nog, elders lezen wij … dat Hij in zijn huis zelfs een plaats bereidt voor hen. Niet voor nu, maar voor de tijd die komen zal.

Jezus spreekt dus open en bloot over zijn dood, verrijzenis en Hemelvaart. Er zijn geen taboes. Hij verzwijgt niets voor zijn leerlingen. “Ik zeg het u, opdat gij, wanneer het gebeurt zult geloven”, zegt Jezus. Ik hoor dus vooral dat de leerlingen hun oren niet geloven. Wanneer Jezus spreekt over zijn dood, verrijzenis en Hemelvaart willen de leerlingen er niets van horen. Herkenbaar nietwaar? Hoe reageer jij als iemand nader ingaat op zijn naderende dood? Velen van ons focussen dan op het leven. Ze willen niet spreken over het einde. Jezus begint er echter wel over. Hij voorspelt wat er gebeuren zal. Nee, Hij voorspelt niet alleen zijn dood, verrijzenis en Hemelvaart. Hij voorziet vooral dat men geloven zal. De leerlingen kunnen en willen Hem nog niet geloven. Jezus voorspelt dat hun ongeloof in geloof veranderen zal. Als Jezus naar de hemel gaat, zal het geloof het ongeloof van mensen te boven komen. Mensen zullen opstijgen boven zichzelf uit en geloven in wat ongelooflijk is.

“Veel zal ik niet meer spreken”, zegt Jezus dan. Ik weet eigenlijk niet waarom Hij niet meer spreken zal. Misschien omdat alles gezegd is? Of omdat de leerlingen tijd nodig hebben om zijn woorden te kauwen en te herkauwen? Een beetje zoals wij nú doen. Of zal Hij niet meer spreken omdat ‘spreken’ zo menselijk is? We zeggen wel dat God in Bijbelse woorden tot ons spreekt en dat de Heer mensen roept, maar eigenlijk vraag ik me af of spreken niet ‘des mensen’ is. Zou Jezus, als Hij thuiskomt in het hemels Vaderhuis, spreken met zijn Vader? Of zijn woorden niet nodig en zelfs overbodig? Zouden Vader, Zoon en Geest elkaar niet woordeloos verstaan? Als Jezus zegt dat Hij niet meer zal spreken, bedoelt Hij wellicht dat woorden wel kunnen werken, maar niet sterk genoeg zijn. Daden zeggen zoveel meer. Na al zijn woorden zullen zijn dood, verrijzenis en Hemelvaart veel-zeggend zijn. Ze zullen spreken over wat te groot is voor woorden!

Lieve Gommers

Woensdag 5 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,1-8)

Ga jij soms van je stokje?

De week is nog maar halverwege en we zijn de zondag al vergeten. Vandaag wordt dus herhaald wat zondag werd verhaald. De evangelielezing klinkt nogmaals. Opnieuw horen we dat Jezus de wijnstok is. Ik vraag me af of wij, de wijnranken, ondertussen al gegroeid zijn. Of zijn we verslapt, verwelkt en dichtgeklapt? Houdt Jezus ons nog recht of zijn wij van de stok gelost?

Vandaag klinkt dus de vraag: ‘Ga jij soms van je stokje?’ Ik ben een paar keer flauwgevallen. Ik had geen macht en kracht meer. Ik lag plots op de grond en had geen flauw idee hoe ik daar was beland. Ik denk dus dat je flauwvalt als je ‘van je stokje gaat’. Als een rank niet met de wijnstok verbonden blijft, krijgt die tak geen voeding en geen krachten meer. De rank valt dan weg, wordt dor en droog en kan niet meer omhoog. We mogen dus niet van ons stokje gaan. We moeten sterk staan. Het is Jezus, de wijnstok, die ons doet ‘opstaan’. Hij richt ons naar wat hoog en hemels is. Hij doet ons flirten met de Zon.

Het valt mij op dat Jezus zegt dat Hij de ‘ware’ wijnstok is. Wanneer is iemand ‘de ware’? En wat is een ‘ware wijnstok’? Zijn er ook onware wijnstokken? Zijn die nep, van plastiek of van metaal? Misschien val ik te veel over de taal, maar ik zou toch graag achterhalen waarom Hij niet gewoon een wijnstok, maar wél de ‘ware’ wijnstok is. Het antwoord is simpel en gaat gewoon aan deze tekst vooraf. In het Oude Testament wordt meermaals over een wijnstok gesproken. Het volk Israël wordt onder andere in psalm 80 en bij de profeet Jesaja vergeleken met een wijnstok. Maar wat bleek? Die wijnstok was ‘onvruchtbaar’ en bracht weinig vruchten voort. Meer nog, het Jodendom begon zich te keren tegen de Heer. Die wijnstok was dus oud en verlept. Ze bracht niets nieuws en had geen toekomst meer. Jezus neemt de plaats in van die wijnstok. Hij is de wáre wijnstok van het leven. Hij brengt geen dronken vrolijkheid, maar diepe vreugde. Hij zorgt niet dat mensen lallen, maar juist dat ze vele talen spreken. Binnen enkele weken, met Pinksteren, zullen we horen dat de mensen denken dat de leerlingen dronken zijn. En wellicht deden ze zich ook te goed aan de Wijn: aan het Brood en de Wijn die Jezus is.

In het evangelie van vandaag zegt Jezus niet alleen iets over zichzelf en over ons. Hij spreekt ook over de Vader. Hoe stel jij God voor? Eerlijk gezegd zie ik Hem niet als een wijnbouwer. Jezus zegt dat nochtans: “mijn Vader is de wijnbouwer”. Ik vraag me af of dat een typfout is. Is Hij de wijnbouwer of de wijnbrouwer? Of beiden misschien? Uit de tekst blijkt alleszins dat God niet werkloos is. Hij moet hard werken. Hij heeft geen kantoor-job en ook geen hoge functie. Hij is arbeider. Of kapper, want Hij knipt mensen en snijdt hen wat bij. Het valt mij op dat God ook geen brandweerman is. Met de stokken stookt Hij een vuurtje en Hij verbrandt wat op de grond is beland. Ik zie het voor mij: met de vruchten die wij mogen dragen maakt Hij wat wijn. Gezien onze vruchten niet zo talrijk zijn, zal het wellicht maar een beetje zijn. Toch scheelt dat ‘een slok op een borrel’. In pre-corona-tijden kon je wel eens te communie gaan onder twee gedaanten. Als ik dat deed, nipte ik wat van de wijn of ik doopte mijn hostie en hoopte dat ik smolt. Het was hoogstens een druppel, niet meer dan dat. Toch maakt die druppel wijn een groot verschil. Iets kleins kan zo belangrijk zijn. Die druppel wijn is als een beetje bloed. De eucharistie zegt dat het bloed is van het Nieuwe Verbond. Ik denk dus dat Jezus ons dan ‘in het bloed zit’ en dat wij ‘zijn bloedbroeders’ zijn.

Ik vind het eerlijk gezegd wel gek dat de wijnbouwer een Zoon heeft die een wijnstok is. Is dat niet raar? Of betekent dat gewoon dat die wijnbouwer zich zodanig identificeert met zijn wijngaard dat Hij helemaal één is met wat Hij doet? Ik denk dus dat die wijnbouwer en die wijnstok een persoon ‘uit één stuk zijn’. Niet ‘gespleten’, niet ‘verdeeld’. Hun aandacht gaat onverdeeld naar de mensen. Kortom: ik hou wel van het beeld van de wijnstok. En ik denk dus dat we moeten danken omdat die wijnstok ons zo nabij is. Wij mogen zelfs zijn ranken zijn.

Lieve Gommers

Donderdag 6 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,9-11)

De vreugde van de liefde

Vandaag gaat het evangelie over ‘de vreugde van de liefde’. Wie in liefde leeft met de Heer vindt vreugde. Liefde doet deugd en geeft leven. Paus Franciscus heeft er zelfs een exhortatie over geschreven. In 2016 schreef hij Amoris Laetiti. Het betekent ‘de vreugde van de liefde’. Ik weet eigenlijk niet waarom zo’n titel in het Latijn moet zijn. Wellicht omdat dan iedereen verstaat dat het eigenlijk gaat over een mysterie: het mysterie van de liefde.

Wie ooit al eens een exhortatie of encycliek las, weet dat de teksten ‘nummers’ zijn. Niemand wil graag een nummer zijn, maar de paragrafen in een kerkelijk document worden dus echt wél geteld. Ik zal vandaag even mijn top drie vermelden. Of toch mijn top 3 van nummers uit de hitlijst van Amoris Laetitia.

Op plaats nummer 3 staat een tekst waar echt muziek in zit. Nummer 319 zegt: ‘Hij die niet besluit voor altijd lief te hebben, kan moeilijk één dag oprecht liefhebben’. Ik vind dat nogal straf. Ik vraag me trouwens ook af of ‘liefhebben’ wel een goed woord is. Liefde is toch per definitie geen ‘hebben’. Je ‘bezit’ de ander toch niet. De zin uit nummer 319 beweert dus dat oprechte liefde voor altijd is. En misschien belangrijker nog: blijkbaar is die liefde voor altijd geen gevoel, maar een besluit. Liefde is dus blijkbaar een beslissing. Je moet beslissen of je wel of niet voor de ander kiest. En blijkbaar is die beslissing geen resultaat van de liefde. De liefde is geen premisse op basis waarvan ik beslis. Neen, de liefde is blijkbaar juist gegrond in die beslissing. Liefde groeit dus uit die keuze en niet andersom. Zo keert de paus ons denken om.

Op plaats nummer 2 in de hitlijst prijkt nummer 192: ‘Waar geen plaats is voor ouderen, woekert het virus van de dood omdat men zich losrukt van de eigen wortels’. De paus zegt het niet, maar dát virus is erger én besmettelijker dan corona. Voor vele West-Europeanen is oud-zijn een hel. Ze worden niet meer geteld. Er is nog wel plaats voor hen, maar ze worden vooral ‘geplaatst’: op een aparte plek, speciaal voor ouderen. Velen krijgen wel goede zorgen, maar de vraag is of ze dát op de eerste plaats nodig hebben. Ik zou alleszins niet graag samenwonen met enkel leeftijdsgenoten. Daar zou ik niet van genieten. Ik kan veel leren van mensen die jonger zijn en ik hou van de ouderen die mij een jong gevoel geven. Wie ouderen links laat liggen, doet ook geen recht aan de eigen wortels. Volgens de paus houden ouderen van wortels. Of ze weten tenminste wat een wortel is en hoe die groeit. Dat weten de meeste jongeren niet. Ze eten wortels uit blik of ze denken dat wortels geboren worden in de supermarkt. Ze zeggen dat wortels helpen om goed te kunnen zien. Ik denk dus dat de paus bedoelt dat ouderen ons kunnen helpen om onze geschiedenis goed te bekijken en te leren van het verleden.

En welk nummer voor mij op de eerste plaats komt? Dat is nummer 163. 163 is geen liefdeslied zoals de hit op nummer 3. Het is ook geen lied uit de goede, oude tijd, zoals die hit op nummer 2. Het is niet idealistisch en speelt niet op het gevoel. Het is door en door realistisch. Nummer 163 zegt: ‘Je kan niet beloven om doorheen het hele leven dezelfde gevoelens te hebben voor elkaar’. Liefde voor altijd betekent niet dat je altijd dezelfde gevoelens koestert voor de ander. Liefde is dus per definitie ‘veel méér dan een gevoel’. Het verbindt niet alleen mensen, maar ook gevoelens van allerlei aard. Wij hebben vaak het gevoel dat liefde een emotie is. Nummer 163 zegt dat de liefde kan blijven, hoewel de gevoelens veranderen. Wellicht klopt dat voor de liefde tussen twee mensen. Maar zou dat ook niet zo zijn bij onze liefde voor de Heer? Wie gedoopt is, is levenslang met Hem verbonden. Maar geef nu toe, die liefde kent in de meeste mensenlevens een ‘woelige geschiedenis’. We hebben niet levenslang dezelfde gevoelens voor de Heer. Soms voelen we zijn nabijheid, dan weer is er afstand of zelfs een gevoel van afwezigheid. Af en toe vervult Hij ons met de vreugde van de liefde, maar soms is die liefde ook angst en bezorgdheid, bekommernis en ongerustheid.

Kortom: dit is mijn top 3 uit Amoris Laetitia. Ik weet echter niet of mijn top 3 kan tippen aan de 3 verzen uit het evangelie van vandaag, maar ook die 3 verzen vertellen dat we niet mogen twijfelen aan Gods blijvende liefde.

Lieve Gommers

Vrijdag 7 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,12-17)

Kan je iemand verplichten om lief te hebben?

Wij associëren liefde met ‘een gevoel’. In onze tijd leeft het idee dat men niemand kan verplichten om een ander lief te hebben. De sociale leer van onze Kerk spreekt dat tegen en zegt dat liefde veel meer is dan een gevoel. Ook het evangelie van vandaag bevestigt dat. De tekst valt met de deur in huis. In de eerste zin wordt eigenlijk alles reeds gezegd. Er staat: ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad’. Liefde is dus blijkbaar een GEBOD. Het is niet echt een bevel of een verplichting, maar wel een leefregel. Liefde is dus niet ‘doen wat wij willen’ of ‘doen wat goed voelt’, maar veeleer ‘doen wat de Heer van ons vraagt’. De sociale leer van de Kerk zegt dat je niemand kan verplichten om de ander lief te hebben, maar toch is liefde een plicht! Het is namelijk een plicht omdat elke mens ‘recht heeft op liefde’. Vanzelfsprekend heb ik het hier niet over seksuele liefde. Als je seksualiteit als een recht gaat bekijken, kom je volgens mij al snel uit bij één of andere vorm van misbruik.

Ik heb het hier dus over de naastenliefde uit het evangelie van vandaag. Die naastenliefde is eigenlijk onze plicht. We kunnen onze plicht natuurlijk verzuimen. Plichtsverzuim leidt meestal tot ontslag, maar als gelovigen worden wij echter nooit ontslagen van deze plicht. We moeten naastenliefde plegen en in die zin ‘ver-pleger’ worden.

Onze plicht tot naastenliefde doet recht aan de ander. Rechten en plichten zijn altijd nauw met elkaar verbonden. Er wordt wel eens gezegd: ‘Rechten en plichten zijn als twee palmbomen die slechts vruchten dragen wanneer zij naast elkaar groeien’. Het recht van de één is namelijk de plicht van de ander. Als iemand recht heeft op vrije meningsuiting is het onze plicht om op te passen met censuur. Als iemand het recht heeft op verdediging, dan is het onze plicht om eventueel iemand ‘pro DEO’ in te zetten. De sociale leer van de Kerk stelt dat elke mens recht heeft op liefde. Elke mens is kostbaar in Gods ogen. Of zoals het evangelie van vandaag eigenlijk zegt: God heeft elke mens lief, wat betekent dat elkeen recht heeft op liefde!
Als een ander recht heeft op liefde hebben wij dus de plicht om die ander lief te hebben. Soms is dat makkelijk, maar meestal is dat ‘gemakkelijker gezegd dan gedaan’. Als je iemand sympathiek vindt, is het niet moeilijk om die persoon lief te hebben. Maar Jezus heeft het duidelijk niet alleen over ‘een vriend’. In een andere tekst vraagt Hij zelfs dat je ook je vijand bemint. Liefhebben of beminnen is dan geen goed gevoel, maar een goede daad. We hebben de plicht ‘goed te doen’. De ander heeft recht op wat hem of haar goed doet en wij hebben de plicht om de ander dat goede niet te onthouden.

In normale tijden en gewone situaties is zo’n naastenliefde soms niet zo speciaal of ongewoon. Maar wat in corona-tijden? Wat als het recht van de één botst op het recht van de ander? Dan is er dus discussie! Discussie over wie eerst gevaccineerd mag worden, welke winkels wél of niet open mogen en wie je wel of niet mag zien. Oké, je mag wel kiezen wie je ziet, maar je keuze is erg beperkt. Het aantal is zo beperkt waardoor sommigen eigenlijk geen keuze hebben. Tegelijkertijd heeft iedereen ook recht op gezondheid en is het dus onze plicht om voorzichtig te zijn. Corona maakt dus nogmaals duidelijk dat rechten en plichten niet zo helder zijn en dat we er erg vaak naast zitten. Vooral naast de naastenliefde. We leven naast elkaar, zonder elkaars naaste te zijn.

Als onze naaste recht heeft op liefde en die naaste is in nood, dan is het dus onze plicht om die naaste niet te ontlopen. De ander heeft recht op zorg en dus hebben wij de plicht om daarvoor te zorgen. De ander mag ook terecht verlangen naar een thuis, dus wij hebben de plicht om een plaats te geven aan daklozen. Anderen hebben bovendien ook het recht op aandacht, dus wij hebben de plicht om de ander in zijn kracht te zetten.

In het evangelie van vandaag vraagt Jezus ons dus om de naaste lief te hebben. Hij moet dus gedacht hebben dat wij dát konden. Ik geloof dat niet. Ik geloof niet dat wij dát kunnen. Of toch niet zonder Hem!

Lieve Gommers

Zaterdag 8 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,18-21)

Waar geraak je met alle goede wil van de wereld?

Er zijn veel mensen die iets van de wereld willen zien. Vandaag had ik dus enkele afspraken in Mechelen. Dat is niet het centrum van de wereld, maar wél het centrum van het Vlaams Compostelagenootschap. Mensen kunnen dus een afspraak maken om aan info te geraken. Wie met de fiets of te voet de wereld van een pelgrim wil ontdekken, kan mij dus in vraag stellen en naar Mechelen komen. Ik heb in totaal al 15 maanden doorgebracht op de verschillende wegen of camino’s naar Santiago. Je zou dus denken dat ik ‘thuis’ ben op de camino en het is ook écht wel mijn leefwereld, maar toch besef ik dat de camino eigenlijk niet van deze wereld is. Het is écht een andere wereld: een wereld waarin niet telt wat je in het leven ‘doet’, maar wél wie je bent. Een wereld waar je elkaar begroet, zelfs als je elkaar niet kent. Een wereld ook waar je elkaar helpt, zonder dat het iets kost. Het kost geen geld, noch moeite.

Hoewel de camino naar Santiago dus echt ‘een andere wereld is’, zijn er toch mensen die juist naar Santiago gaan om de wereld te ontmoeten. Zo zag ik ooit in Spanje een Japanner. We deelden ons avondmaal. Dat kwam hem heel goed uit, want hij had geen geld. Of toch niet voor een wereldreis. Hij zei dat hij droomde van een wereldtrip, maar daarvoor zou hij heel lang en heel veel moeten werken. Hij vond dat de wereld niet zolang kon wachten en had dus een alternatieve wereldreis gepland. Hij wandelde dus de camino naar Santiago. “Hier kom je namelijk de wereld tegen”, zei hij. Hij had gelijk. Je ziet Japanners, Koreanen, Canadezen en Amerikanen. Je ontmoet ook Europeanen uit alle hoeken. Alleen de Afrikanen zijn zoek. Buiten corona-tijden ziet de camino dus zwart van het volk, maar er zijn eigenlijk erg weinig pelgrims met een donkere huidskleur. Kortom: je ontmoet er bijna de hele wereld, maar tegelijkertijd is het ‘een heel andere wereld’.

Iets soortgelijk hoor en zie ik in het evangelie van vandaag. We komen allemaal uit de wereld. We staan in de wereld, maar als gelovigen zijn we niet ‘van de wereld’. We zijn geroepen om in deze wereld te tonen dat er een andere wereld mogelijk is. De evangelietekst van 8 mei zegt dus dat de wereld niet op ons zit te wachten. Jezus kondigt aan dat wie Hem navolgt vooral vervolging zal kennen. Wie achter Hem staat, wordt door de wereld gehaat.

Wat zou jij denken als iemand je zei dat ‘de wereld jou haat’? Zou je jezelf nog thuis voelen in die wereld? Zou je nog iets van die wereld willen zien? Zou je bang zijn? Of zou je ervan weglopen misschien? Als iemand je haat, ga je die persoon meestal uit de weg. Je laat hem of haar links liggen. Of je hoopt dat je die persoon niet al te vaak gaat ontmoeten. Jezus zegt dat wij de wereld, die ons haat, niet kunnen ontlopen. Blijkbaar kunnen we die haat ook niet zomaar overwinnen. We kunnen alleen de vijand, die de wereld is, liefhebben en beminnen.

Kortom: Jezus gelooft niet in deze wereld. Het is wellicht ook onmogelijk om te geloven in wie je haat. Ook wij moeten niet te veel geloof hechten aan wat de wereld zegt. Jezus spreekt namelijk vaak een andere taal. Hij spreekt de wereld nogal vaak tegen. En eigenlijk vraagt Hij ook ons om de wereld niet zomaar na te praten of na te apen. Wij mogen net zoals Hij soms tegenspreken en tegenwerken. We moeten niet zomaar nemen wat de wereld ons geeft, maar wij moeten ‘terug-geven’ wat de wereld ons en anderen ontneemt. Jezus is echter het ontegensprekelijke bewijs dat tegenspreken niet gepaard moet gaan met geroep of geweld. Het gaat over een tegenspreken met liefde. Als wij de vijand, die de wereld is, moeten beminnen, betekent dit dat zelfs ons tegenspreken een liefdevol spreken is. Zoals een vriend of een geliefde jou wellicht wel eens tegenspreekt en uit liefde zegt dat een bepaalde opvatting of daad echt niet goed is, zo hebben wij de taak om te luisteren naar ons geweten en de wereld tegen te spreken.
Of dat tegenspreken een verschil maakt? Tja, de wereld staat sowieso niet stil en ik denk dat wij toch echt wel iets ‘in beweging kunnen zetten’. En wie weet, draait de wereld af en toe ook een beetje bij.

Lieve Gommers

Zondag 9 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,9-17)

Geloof jij in liefde op het eerste gezicht?

Geloof jij in liefde op het eerste gezicht? Heb je het misschien al eens meegemaakt? Is het waar dat je echt ‘voor iemand valt’? Is de liefde iets dat ons ‘overvalt’ en zich meester van ons maakt?

Ik denk dat Jezus niet gelooft in liefde op het eerste gezicht. Wellicht vindt Hij dat liefde tijd vraagt en best wordt ‘voorbereid’. En dát is precies wat er vandaag gebeurt. De evangelielezing van vandaag gaat over liefde en die tekst werd reeds grondig voorbereid. Op donderdag 6 mei kwam de liefde al een beetje naderbij. We lazen de eerste 3 verzen uit het evangelie van vandaag. Vrijdag 7 mei ging de liefde nog een stapje verder. Toen volgden verzen 12 tot en met 17. We hebben de liefde van vandaag dus reeds gezien! Wellicht kan je echter nooit te veel zien van de liefde. Vandaag wordt het verhaal dus herhaald.

Jezus zegt dat liefde je niet overkomt. Liefde gaat niet over ‘vallen voor iemand’, maar juist over ‘opstaan voor allen’. Jezus spreekt dus niet over een romantische liefde voor iemand die je leuk vindt. Het gaat veeleer over de liefde die niet staat of valt bij een gevoel van verliefdheid of aantrekkingskracht.

Jezus vindt liefde dus een werkwoord. Hij omschrijft het niet als een gevoel dat jou iets doet. Hij zegt dat je liefde ‘moet doen’. Het is een gebod. We hebben er werk aan. Liefde is dus eigenlijk een werkwoord dat je hoort te doen. Je moet het niet doen om dan vervolgens ‘liefde’ terug te krijgen. Liefde ‘doe’ je dus niet omdat je een wederdienst wil of verwacht. Het is veeleer omgekeerd. Het is ónze wederdienst. Omdat de Heer ons heeft bemind, kunnen we eigenlijk niet anders dan ook de ander liefhebben.

Ja, we zijn bemind door God. Hij is een Vader die ons welkom heet in zijn huis. Hij zegt ‘welkom thuis’ en vervolgens mogen we blijven en verblijven in de liefde. ‘Blijf in de liefde’ klinkt in het evangelie van vandaag. Liefde is dus niet zozeer ‘houden van’, maar eerder een ‘blijven’ of ‘uithouden’. Vers 10 laat trouwens ook zien dat liefde misschien vooral ‘onderhouden’ is. Liefde kan je namelijk niet ‘bij je houden’. Het is geen bezit, noch een geschenk. Als je van de Heer liefde hebt ontvangen, dan kan je niet anders dan die liefde te onderhouden. Als de liefde van de Heer jou ten deel valt, is die liefde een deel van jou en kan je niet anders dan die liefde delen.

Even verder in de tekst staat dat wij geen dienaars meer zijn. Toch moeten we liefdevol en dienstbaar zijn omdat nu eenmaal iedereen gediend is met liefde. We moeten dus geen dienaren zijn. We mogen de liefde niet zien als een ‘dienst’ die dient voor iets. Jezus stelt eigenlijk dat je liefde niet moet verdienen of dat iedereen het verdient. We moeten dus geen liefde geven omdat we onze goedheid willen tonen en zelfs niet om zélf in de hemel te komen. Liefde is niet iets dat ons ‘overkomt’, maar wél iets dat elke mens ‘toekomt’. Het komt elke mens toe. Allen hebben er recht op. Zo geeft liefde toekomst.

Kortom: als we elkaar liefhebben, doen we recht aan elkaar. We geven wat die ander terecht nodig heeft. Iedereen heeft recht op liefde, maar soms wordt die liefde door mensen of omstandigheden weggenomen. Jezus gebiedt ons om dan om de liefde ‘terug’ te geven die eigenlijk aan die mens toebehoort.

Liefde is dus ‘recht’: het is een ander recht in de ogen kijken, de ander rechthouden en rechtzetten wat misschien iemand ooit heeft gebogen of geplet. Het is ook recht voor de raap spreken en rechtstaan als onrecht wordt begaan.

De eerste en de laatste zin van het tweede deel (vers 12 en 17) zeggen exact hetzelfde. Tweemaal klinkt: ‘dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt’. De liefde sluit letterlijk ‘alles’ in. Het is een inclusie. Liefde is inclusief. We moeten allen, zelfs onze vijanden liefhebben, want allen hebben recht op liefde. Het besluit is dus simpel: liefde omringt alles en sluit niemand uit.

Lieve Gommers

Maandag 10 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,26 – 16,4a)

Help! We moeten getuigen!

Ik heb Damiaan achtergelaten. Ik heb hem links laten liggen. Op mijn tocht van Wuustwezel naar Santiago kwam ik in Montgeron, op 27 kilometer van de Sacré Coeur te Parijs. De paters van de congregatie van de heilige harten van Maria en Jezus ontvingen mij met een warm hart. Ze gaven me een bed en eten. Ze vonden mij ook de uitgelezen persoon om in beeldtaal te spreken. Ik kreeg dus een strip: een stripverhaal van Damiaan. Ik heb die strip wel bekeken, maar besloot toch om zonder die strip verder te gaan. Zo’n strip weegt namelijk al snel een paar honderd gram. Ja, ik weet dat Damiaan een zwaargewicht is onder de heiligen en ik was dus bang dat ik dat zou voelen. Ik meende dat mijn leven en mijn rugzak al zwaar genoeg waren. Maar eerlijk gezegd, ik ga nog altijd een beetje gebukt onder het feit dat ik die strip liet liggen. Ik kan me niet zo goed neerleggen bij de beslissing die ik toen nam. Tegelijkertijd weet ik dat ik Damiaan niet had kunnen dragen. Zijn kracht en sterkte heb ik namelijk niet. Zijn leven werd helemaal gestript. Zoals een stripverhaal met plaatjes spreekt, had zijn gelaat geen woorden meer nodig. Zijn gezicht toonde zichtbaar wat lepra is. Hij werd zoals zij. Hij was zoals zij.

We vieren vandaag de heilige Damiaan. Ik zit ernaast. Niet wat de datum betreft. Ik zit er letterlijk naast. Ik werk namelijk naast de Damiaankerk. Ik vraag me eigenlijk af of ik dat zou kunnen. Zou ik naast hem durven staan? Zou ik niet bang zijn om besmet te worden? Ik denk eigenlijk dat ik wat vaker in de kerk zou moeten binnengaan. Misschien zou ik dan ook beter weten hoe ik moest omgaan met corona.

Damiaan heeft vele mensen geholpen. Daarmee hielp hij zichzelf niet. Hij werd ziek en gaf zijn leven. Heel zijn leven was een getuigenis. Hij was dus een helper die in woord en daad getuigde. Het is dus zeer gepast wat we vandaag in het evangelie horen. Er is sprake van een Helper die ons zal helpen om te getuigen. Het gaat natuurlijk over de Geest die ook pater Damiaan inspireerde.

Als ik die tekst over de Helper lees, denk ik echt ‘help!’ Ik begrijp dat de leerlingen zich terugtrokken, niet op een eiland zoals Molokai, maar in een huis. Ik begrijp dat ze bang waren. Is er iets dat moeilijker is dan getuigen? Getuigen kruipt niet in de kleren. Het kleedt je helemaal uit en palmt je helemaal in.

Damiaan leert ons zelfs dat getuigen niet louter gaat over woorden en daden. Getuigen is niet alleen spreken en doen. Damiaan gaf geen getuigenis. Hij ís een getuigenis. En Hij leert ons nog meer. Getuigen doe je niet één keer. Het is niet iets dat je even doet. Het maakt je helemaal tot wie je bent. Damiaan getuigde door zijn leven te geven. Maar niet alleen zijn leven was een getuigenis. Zelfs nu hij niet meer leeft, leeft hij verder. Zijn getuigenis weerklinkt in strips en verhalen. Ze zindert na en is hoorbaar in kerken, zalen en klaslokalen, waar Damiaan meermaals een plaats krijgt. Ondanks het feit dat hij al meer dan 130 jaar dood is, spreekt hij nog steeds velen aan. Hij werd in 2005 zelfs verkozen tot de grootste Belg. Hij heeft België werkelijk groot gemaakt en op de kaart gezet.

Hij leerde ons dus dat we niet alleen moeten helpen en getuigen in ons leven. Zelfs na onze dood kunnen we nog getuigen. Sommigen doen dat met een testament waarin een goed doel verder leidt dan de dood. Anderen proberen hun kinderen en kleinkinderen goed op te voeden zodat ze na hun dood het goede verder laten leven. Nog anderen leven verder in stenen of in woorden. Getuigen doe je dus niet alleen in dit leven, maar ook daarna. Het is dus geen job die je rond je 65ste kan verlaten. Er is geen pensioenleeftijd en zelfs de dood ontslaat je niet van de taak om eeuwig te getuigen van Hem die de eeuwigheid overschrijdt.

Ik begrijp dus de angst van de leerlingen. Zij en wij hebben echt ‘hulp’ nodig. Hulpeloos als wij zijn, kunnen wij alleen geloven en vertrouwen in de Geest die komt en toekomst geeft.

Lieve Gommers

Dinsdag 11 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 16,5-11)

Kan je weggaan om dichterbij te komen?

Weet jij nog wat Jezus op 4 mei zei? Herinner jij nog het evangelie van die dag? Wellicht niet en dan ben je niet alleen! De leerlingen wisten het ook niet meer. Of beter: ze wilden het gewoon vergeten. Jezus had namelijk gezegd dat Hij weg zou gaan. De leerlingen wilden dat echt niet weten en hulden zich in zwijgen. Blijkbaar vroegen ze zelfs niet eens ‘waar Hij heen zou gaan’. Ze gisten niet. Misschien omdat ze het wisten, maar wellicht vooral omdat het sowieso te ver ging voor hen. Ze waren zo vol droefheid dat ze echt niet verder konden.

Jezus zei dus vorige week dat Hij weg zou gaan. Vandaag gaat Hij nog een stapje verder. Hij zegt dat het goed is dat Hij verdwijnt. Hij beweert zelfs dat ze niet geholpen zijn als Hij blijft. “Als Ik niet heenga, zal de Helper niet komen”, zegt Hij. Blijkbaar kan alleen zijn afscheid leiden tot de volheid van het geloof. De Geest komt slechts aan het licht als de Zoon opstaat en naar de Vader gaat. Ik begrijp ten volle dat de leerlingen er niets van begrepen.

Eigenlijk stelt Jezus dat Hij weg moet gaan om dichterbij te komen. Vraag is of dat kan.

Ik ben 181 dagen weg geweest. 6 maanden lang trok ik als pelgrim rond. Ik wandelde ongeveer 5300 kilometer: van Wuustwezel naar Santiago en ook weer terug. Ik kan dus uit ervaring zeggen dat afstand je wel dichter brengt: dichter bij jezelf, bij God en wellicht ook dichter bij anderen. Wie weggaat, beseft namelijk pas echt wie ‘zijn naaste’ is. Wie op een afstand staat, ziet nu eenmaal vaak méér en beter. Je krijgt dan niet alleen ‘zicht’, maar zelfs ‘overzicht’. Relaties op afstand kunnen verdwijnen, maar soms schijnen ze juist ook belangrijker te zijn dat je had vermoed. Er komt dus aan het licht wie en wat echt van belang is. Afstand kan dus nabijheid brengen. Soms vertelt iemand zelfs meer aan de telefoon of op de mail dan wanneer hij of zij naast je staat. Kortom: als iemand weggaat, kan het contact inderdaad beter, intenser en waardevoller worden.

Jezus zal dus eerst gevangen en gedood worden en dan zal er dus een ‘vervanger’ komen. Mensen zijn niet onvervangbaar. Iedereen wil ‘nodig’ zijn, maar eigenlijk zijn we niet echt ‘nodig’. We kunnen hooguit van belang zijn. Wij kunnen ‘vervangen’ worden, maar Jezus is natuurlijk onvervangbaar. Hij wordt dus niet vervangen door een ander, maar wij ontvangen zijn Geest.

In het evangelie van vandaag wordt niet gezegd wie of wat die Geest is. Jezus vertelt wel wat die Geest ons geven zal. De Geest zal niet zomaar getuigen, maar zelfs over-tuigen. De evangelietekst bewijst dat de Geest de waarheid brengt over ‘zonde, gerechtigheid en het oordeel’. Blijkbaar weet de Geest dus meer van zonde, gerechtigheid en het oordeel. Wat het evangelie van vandaag daarover zegt, blijft voor mij een vraag. Ik begrijp dat namelijk niet, maar dat is wellicht normaal als die Geest nog niet (geheel) gekomen is. Blijkbaar is die Geest dus een Geest van wijsheid en inzicht in zonde, gerechtigheid en het oordeel. De Geest weet dus wat goed is en wat kwaad en waartoe het goede leidt. Het is dus wellicht een Geest van onderscheiding. En wellicht had Jezus gelijk. Dát is net wat de leerlingen, en ook wij, nodig hebben: de mogelijkheid om kwaad te onderscheiden van gerechtigheid. We moeten tot onderscheiding komen en het verschil leren kennen tussen geloof en ongeloof, tussen liefde en haat, tussen toekomst en kwaad.

De komst van de Geest is dus niet de eerste keuze van de leerlingen. Ze kiezen eerder voor de blijvende aanwezigheid van Jezus. De Geest is dus niet de eerste keuze, maar ze geeft de leerlingen, en ook ons, wel de mogelijkheid om te kiezen. De Geest wil mensen helpen om een keuze te maken. Ik denk dus dat wij die Geest erg nodig hebben. Misschien nog meer dan de leerlingen uit de eerste eeuw. In deze tijd is kiezen moeilijk. De keuzevrijheid en de veelheid aan mogelijkheden geeft keuzestress. En de enige les die onze tijd ons leert, is dat velen gewoon niet kiezen, maar alles willen. Kortom: we hebben geen keus: we hebben de Geest nodig om te kunnen kiezen voor Jezus.

Lieve Gommers

Woensdag 12 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 16,12-15)

Kan jij de waarheid dragen en verdragen?

Soms wil je iets weten, maar als je het dan uiteindelijk weet, weet je pas dat je niets weet. Of je beseft dat je het liever niet had willen weten! Nee, ik heb het niet over Sinterklaas of over de paashaas. Velen willen de waarheid over die twee kennen, maar als ze het weten, willen ze het heel graag vergeten en ze hopen dat ook hun kinderen mogen geloven in die mooie sprookjes. Heel anders is het echter als hetzelfde gebeurt in een andere situatie. Soms is de waarheid zo hard en zo lelijk dat ze te zwaar is om te dragen. We kennen allemaal wel iemand die gebukt ging onder een groot geheim. Toen dat geheim aan het licht kwam, zag de wereld er heel anders uit. Ze beweren dat ‘de waarheid zeggen’ beter is, maar we weten allemaal best dat velen de waarheid niet kunnen verteren.

Het bovenstaande geldt natuurlijk vooral voor een slecht geheim. De waarheid over de slechtheid van de mens is meestal echt confronterend. In het evangelie van vandaag gaat het echter niet over negatieve geheimen. Wellicht gaat het veeleer over een geheim dat eigenlijk te mooi is voor woorden.

Het geheim is zo groot dat wij, kleine mensen, het niet kunnen dragen en verdragen. Jezus zegt ons vandaag dat Hij de ware is, maar de volle waarheid nog niet kan tonen. ‘De Geest zal komen om de volle waarheid te brengen’. De Geest wil ons dus niet alleen ‘raken’ met de waarheid. Hij wil ons blijkbaar vooral sterk en krachtig maken zodat wij die waarheid kunnen dragen en misschien zelfs kunnen over-dragen.

De evangelietekst beweert zelfs dat de Geest er meer van weet. De Geest, die komen zal, heeft blijkbaar de taak ‘om de komende dingen aan te kondigen’. De Geest weet dus wat komen gaat. Hij ziet niet alleen de toekomst. De Geest ís de toekomst. Jezus voorspelt dus dat de onvoorspelbare mensen toch ‘zeker’ mogen zijn van de Geest. Die heilige Geest zal dus aankondigen wat komt. Ik denk dan aan de Geest die over de wateren zweefde en de chaos aan de kant schoof. Toen was er plots plaats voor licht en land, voor mens en dier. Ik denk ook aan die geestige engel die Maria een boodschap bracht. Kortom: ik denk dat de Geest altijd hetzelfde aankondigt. Hij wijst op wat komen gaat en brengt ‘nieuw leven’.

Jezus zegt eigenlijk trouwens niet dat de Geest de waarheid zal brengen, maar veeleer dat de Geest óns tot waarheid zal brengen. De Geest zal ons helpen om de waarheid, die er wellicht reeds is, op het spoor te komen. Hij zal ons helpen om die waarheid te zoeken en vooral waar te maken.

Bij de evangelist Johannes horen waarheid en leven onlosmakelijk samen. Het ware leven is het nieuwe leven in de Geest van Jezus. Wie gebracht wordt tot de waarheid, ontvangt dus niet zozeer kennis of informatie, maar die waarheid verandert blijkbaar heel ons leven. Heel ons leven zal ‘nieuw’ worden. Niets zal nog hetzelfde blijven. Als dát geen nieuws is … !

Eerlijk gezegd weet ik eigenlijk niet of die waarheid werkelijk en waarachtig gaat over ‘nieuw leven’. Zou het leven werkelijk ‘nieuw’ zijn of zouden het eerder de mensen zijn die ‘nieuw worden’? Zijn het de ‘nieuwe mensen’ die het leven zodanig veranderen dat het bijgevolg ook ‘nieuw’ wordt?

Waarheid kan een mens zeker veranderen. Wie in de waarheid staat, kan niet gaan en staan waar hij of zij wil. Wie de waarheid spreekt, kan per definitie niet meer zeggen wat hij of zij wil. En wie de waarheid doet, kan niet zomaar alles laten. Waarheid is dus wellicht niet iets dat je kan dragen of verdragen. De waarheid neemt je in en bepaalt wat je zegt en doet. De waarheid staat dus wellicht niet buiten ons en gaat ook niet buiten ons om. Ik denk veeleer dat het in ons hart en onze geest geschreven staat. Wie de waarheid dus ontvangen heeft, kan dus wellicht niet anders dan leven in Zijn goede Geest.

Vraag is niet of het bovenstaande allemaal waar is. De vraag is veeleer of de waarheid en de Geest in ons leeft. Waarheid en eerlijkheid duren namelijk het langst. Ze geven eeuwig leven en duren tot in eeuwigheid. ​

Lieve Gommers

Donderdag 13 mei - HEMELVAART

(bij het evangelie van de dag: Mc 16,15-20)

Is het al Pinksteren?

Vandaag valt het mij op dat Hemelvaart reeds Pinksteren is. Heb je het evangelie van vandaag gehoord? Jezus zegt: ‘Ga uit over heel de wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping’. Dat is toch de boodschap van Pinksteren, niet? In coronatijden lijkt de opdracht van Jezus wat moeilijk. Reizen wordt nog steeds afgeraden. Toch is die opdracht vandaag veel gemakkelijker dan vroeger. Onze wereld is namelijk erg klein geworden. Nee, ik bedoel niet door corona. Dat virus verkleinde alleen onze leefwereld. De grote wereld komt echter steeds dichterbij, hoewel de derde en de vierde wereld voor velen ‘ver van hun bed blijven’. De wereld is klein geworden in de zin dat afstanden relatief zijn. Digitaal worden ze in een fractie van een seconde overwonnen.

Zoals velen reeds weten, geloof ik sterk in digitale verkondiging en evangelisatie. Ik werkte mee aan meer dan honderd youtube-filmpjes en ja, het liep wel eens in het honderd, maar eerlijk gezegd zou ik toch graag de klok kunnen terugdraaien. Vorig jaar op Hemelvaart begon namelijk mijn avontuur met De Kruk. Het kostte mij niet alleen uren en dagen, maar zelfs weken en maanden. Een dagelijkse digitale blog is er niets tegen. Mijn passie voor digitalisering zegt onomwonden wat ik over de Kerk denk. Ik meen dus dat we als Kerk niet zozeer moeten informeren of communiceren, maar vooral moeten evangeliseren. Ik spreek daarbij natuurlijk niet in eigen naam, maar in naam van het evangelie, die dat al lang zei voor ik kon spreken en voor er sprake was van mij.

Op Hemelvaart zegt Jezus reeds dat we over de hele wereld moeten uitgaan om het evangelie te verkondigen. De evangelielezing begint daarmee en zegt dus zo dat we niet meer moeten bezinnen alvorens eraan te beginnen. Weet je echter hoe het evangelie van vandaag eindigt? Met een zin die eigenlijk onzin is. Er staat: ‘zij trokken uit om overal te prediken en de Heer werkte met hen mee en schonk kracht aan hun woord door de tekenen die het vergezelden’. Ik geloof werkelijk mijn oren niet. De leerlingen doen blijkbaar gewoon wat Hij zegt. Ze volgen Hem niet naar de hemel, maar ze volgen wél op wat hemels is en goed. Ik vind dat raar. Ik vind het niet zozeer vreemd dat een leerling doet wat de meester vraagt, maar het verbaast mij veeleer dat ze blijkbaar haast hebben. Ze doen het onmiddellijk, reeds een paar verzen verder. Ik dacht dat het Pinksterverhaal ons juist leerde dat de leerlingen niets hadden geleerd. Ze hadden zich afgesloten van de buitenwereld. Ze zaten binnen. Bang van alles wat van buiten kwam. Ik dacht dat ze moesten wachten op de Geest alvorens ze de kracht ontvingen om de deuren te openen en de wereld te ontmoeten.

Ik vraag me dus af of Hemelvaart te rooskleurig is. Wordt de hemel opgehemeld en wordt vandaag alleen een ideaal geschetst dat de realiteit nog lang niet haalt? Of gingen de leerlingen na Hemelvaart echt reeds op weg om vervolgens op een muur te lopen? Gingen zij onmiddellijk zaaiend in het rond en oogstten zij misschien zoveel weerstand dat ze geen stand hielden en zich maar verschansten in hun huis? En telden ze dan tot tien tot Pinksteren zich liet zien?

Ik denk eigenlijk dat de mensen die de brug maken gelijk hebben. Er zijn veel mensen die de brug maken en op vrijdag vrijaf nemen zodat het weekend meer dan een halve week duurt. Persoonlijk meen ik ook dat Hemelvaart een ‘brug’ is. Het is een brug tussen de hemel en de aarde. Jezus overbrugt de oneindige afstand tussen de wereld en de hemel, die niet van deze wereld is. Hij stijgt op zonder de aarde de rug toe te keren en zonder idyllisch te zweven. Hij vaart naar de hemel om ons vleugels te geven. Hij verbindt dus de hemel met de aarde en laat wereldburgers opkijken naar wat hun hoofd te boven gaat.

Ik denk dat Hemelvaart echter niet alleen een brug is tussen de aarde en de hemel. Het is ook de brug tussen Pasen en Pinksteren. Misschien is dat de reden waarom Pinksteren vandaag reeds in de evangelielezing klinkt! Nee, ik beweer niet dat we de brug moeten maken tussen Hemelvaart en Pinksteren en 10 dagen vakantie moeten nemen om uit te rusten. We moeten juist aan de slag gaan. Als we nu opstaan, zijn we misschien met Pinksteren klaar om écht naar buiten te gaan.

Lieve Gommers

Vrijdag 14 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,9-17)

Derde keer, goede keer?

De evangelielezing die vandaag weerklinkt, kwam in deze paastijd reeds twee keer aan bod. Rarara, wanneer? Het evangelie gaat over ‘liefde’ en natuurlijk kan niemand ooit genoeg krijgen van de liefde! Vandaar dat deze lezing in de paastijd niet alleen centraal staat, maar zelfs meermaals wordt herhaald.

Ik heb dus al twee keer over deze lezing geschreven en de eerlijkheid gebiedt mij om te zeggen dat ik het gebod van de liefde reeds tot op het bot geanalyseerd heb. Toch valt mij vandaag weer iets anders op. Ik merk dat Jezus ons geen dienaren, maar vrienden noemt. We zijn voor Hem geen vreemden meer, maar vrienden. Toch is het vreemd wat Hij over die vrienden zegt. We lezen namelijk: ‘gij zijt mijn vrienden, als gij doet wat Ik u gebied’. En even later beweert Jezus dat Hij hen heeft uitgekozen en hen een taak heeft gegeven. Is het raar dat ik die vriendschap maar vreemd vind? ‘Uitkiezen, taken geven, doen wat Hij gebiedt’ … . Het lijken mij werkwoorden die uit de werksfeer komen. Als ik die woorden hoor, denk ik aan selectiegesprekken, bazen en werknemers. Ik vind die begrippen dus niet zo vriendelijk. Ze roepen bij mij eigenlijk geen sfeer van vriendschap op. Is een vriend niet juist iemand die je niet uitkiest, maar zomaar ‘vindt’? Ik heb het eigenlijk ook moeilijk met de voorwaarde: ‘gij zijt mijn vrienden als gij doet wat Ik u gebied’. Ik dacht dat Jezus’ liefde en zijn vriendschap onvoorwaardelijk zijn. Natuurlijk is het waar dat elke vriendschap een ‘taak’ of ‘opdracht’ is en dat vriendschap niet vrijblijvend is. Als een vriend iets nodig heeft, gebiedt de vriendschap inderdaad dat wij doen wat de ander vraagt. Wellicht is dat dus wat Jezus bedoelt. Als je zijn vriend bent, kan je niet anders dan vriendendiensten doen. Toch blijf ik het vreemd vinden dat vrienden blijkbaar geen dienaars zijn. Ja, Jezus zegt: ‘Ik noem u geen dienaars meer, maar vrienden’. Toch denk ik dat vrienden elkaar dienen en ik meen ook dat we er allemaal mee gediend zijn als we in zijn dienst mogen treden.

Misschien bedoelt Jezus echter dat we geen dienaren, maar vrienden zijn, omdat dienaar-zijn een job is. Vriendschap daarentegen is een opdracht, maar je wordt er niet voor betaald.

Aan elke vriendschap moet je werken, maar er is geen ‘afstand’ aan het werk. Tussen een dienaar en zijn baas is er afstand, terwijl Jezus juist niet afstandelijk is. Het evangelie van vandaag wijst ook even naar de vruchten van de wijnstok. Ik denk dus dat wie een vriend van de ware wijnstok is Hem altijd nabij blijft. En als je leeft van de liefde en de vriendschap, dan is het logisch dat je vruchten draagt.

Jezus wordt de ware wijnstok genoemd. De oudtestamentische wijnstok, die staat voor Israël, was namelijk verdeeld (zie blog van woensdag 5 mei). Die wijnstok viel uiteen in 12 delen. In de Bijbel is er namelijk sprake van de 12 stammen van Israël. De wijnstok Israël wordt nu vervangen door Jezus, de ware wijnstok, en de plaats van de 12 stammen werd ingenomen door 12 mannen. Ja, dat is blijkbaar de reden waarom er 12 apostelen moesten zijn. De 12 stammen werden dus vervangen door 12 stemmen. Probleem is dat de 11 ontstemd waren over het gedrag van Judas. Na zijn verraad was hij niets meer en zeker geen ‘apostel’. De andere 11 voelden zelf dat ze onvolledig waren en ze postten dus een vacature voor apostel. De nieuwe apostel was Mattias. En ja, die apostel vieren we vandaag. Er is niet zoveel over die Mattias bekend. Maar zijn naam kennen we wel en die is veelzeggend. Mattias betekent ‘geschenk van God’. Ik denk echter dat elke mens een geschenk is van God. Ik denk dus dat élke mens uitgekozen en uitgeloot is om de twaalfde apostel te zijn. We zijn allemaal geroepen om een geschenk te zijn. Liefde en vriendschap is geen geschenk. Het evangelie van vandaag zegt klaar en duidelijk dat liefde een gebod is (zie ook blog van zondag 2 mei en woensdag 5 mei). Wij zijn een geschenk van God en als wij dié identiteit waarmaken, dan kunnen we niet anders dan elkaar liefhebben. Als wij een geschenk zijn, dan kunnen we niet anders dan vriendschap ‘schenken’. Zoals een fles wijn gemaakt is om wijn te schenken, zo zijn wij wellicht geschapen om de liefde waar te maken. Liefde is dus een gebod. Als we het niet doen, zijn we niets. Als we de liefde niet dienen, dienen wij tot niets.

Lieve Gommers

Zaterdag 15 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 16,23b-28)

Heb jij al eens iets gevraagd in Zijn naam?

Vandaag word ik getroffen door vers 24. Er staat: ‘tot nu toe hebt gij niets gevraagd in Mijn naam’. Wij vragen veel. We vragen veel van onszelf en veel van anderen, maar we vragen meestal iets in eigen naam of in naam van anderen. Vroegen we ook reeds iets in Zijn naam? En zo ja, wat dan?

Ik vraag me af of het evangelie van vandaag niet te veel vraagt. We moeten in Zijn naam spreken, we moeten handelen in Zijn naam. Maar nu wordt zelfs ons smeken en ons vragen genoemd. Ook dát moeten we doen in Zijn naam. We moeten dus niet alleen getuigen, zoals we op Hemelvaart hoorden en zoals op Pinksteren herhaald zal worden. Vandaag wordt verhaald dat we ook moeten ‘vragen’.

Het is niet eenvoudig om iets te vragen. De meeste hedendaagse mensen kunnen dat helemaal niet. Ze willen geen hulp vragen. Ze willen hun eigen boontjes doppen. Of toch figuurlijk, want het kopje en het staartje van de boontjes doen, is iets waar de meeste mensen ‘kop noch staart aan krijgen’. Ze kopen boontjes zonder kop en staart: boontjes die al zijn klaargemaakt. Toch willen mensen dus zichzelf redden. Ze willen zelfredzaam zijn. Ze willen niets van een ander vragen en als ze toch iets vragen, willen ze ervoor betalen. Om quitte te staan. Ze willen niemand iets schuldig zijn, maar worden toch gevangen. Ze zitten namelijk vast in hun autonomie en eigenwaan. Ze willen niet afhankelijk zijn, maar juist daardoor hangen zij geheel af van iemand die je toch niet helemaal kan vertrouwen, namelijk ‘jezelf’. De meeste mensen zijn echter lang niet altijd trouw aan zichzelf. Wie trouw is aan zichzelf en zichzelf een beetje kent, weet namelijk dat je in wezen niet onafhankelijk bent. Je bent verbonden met anderen en het zijn vooral die anderen die maken wie je bent.

Hoewel het evangelie van vandaag stelt dat we moeten ‘vragen in Zijn naam’, moet toch gezegd worden dat ‘vraaggebeden’ geen goede naam hebben. Vragend bidden of smeken wekt heden te dage heel wat argwaan. Er is ons namelijk met de paplepel meegegeven dat God geen Sinterklaas is. We moeten niet denken dat we Hem allerlei cadeautjes kunnen vragen en dat die dan ’s morgens in de vroegte voor ons klaar liggen. Velen geloven tegenwoordig zelfs dat je niet veel moet of mag vragen aan God. Vanzelfsprekend moeten we Hem niet beschouwen als een Vader die ‘geld’ of ‘een huis’ geeft, maar het evangelie van vandaag brengt het goede nieuws dat we wel iets mogen vragen van God.

Meer nog, het evangelie nodigt ons uitdrukkelijk uit om te vragen en te smeken. En neen, dat doet eigenlijk niet alleen het evangelie van vandaag. Elk evangelie is een gedenken en danken omwille van Gods goede daden en zijn aanwezigheid in de geschiedenis. Dit dankbaar gedenken leidt ‘als vanzelfsprekend’ tot een smeken. We vragen biddend dat God ook zo aanwezig mag zijn in onze wereld en onze tijd. Het is dan ook niet vreemd dat het tweede Vaticaans Concilie in 1963 besloot dat de ‘voorbede’ moet volgen op het evangelie en de homilie. Sacrosanctum Concilium, de constitutie over de Heilige Liturgie, spreekt echter niet over ‘de voorbede’, maar gebruikt de veelzeggende naam ‘het gemeenschappelijk gebed van de gelovigen’. Samen zijn we geroepen om smeekbeden te formuleren voor de heilige Kerk, voor hen, die ons besturen, voor hen, die onder allerlei noden gebukt gaan en voor alle mensen en het heil van heel de wereld (SC, nr. 53).

Zoals Jezus dus reeds zei, mogen we God absoluut bevragen. Meer nog, we worden zelfs aangeraden om dat te doen. Er worden echter twee dingen van ons gevraagd, namelijk (1) we moeten het niet alleen, maar samen doen (of in verbondenheid met anderen) en (2) we moeten niet alleen iets vragen voor onszelf, maar we dienen vragen te stellen in dienst van het gemeenschappelijk goed. Kortom: vragen zijn goed als ze gezamenlijk gedragen worden.

Of misschien eenvoudiger: we mogen biddend heel veel vragen aan God, maar het is wel zinvol om daarbij altijd de vraag te stellen of Jezus dát ook zou doen.

Kortom: de vraag van vandaag is … wat zou Jezus heden ten dage vragen?

Lieve Gommers

Zondag 16 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 17,11b-19)

Is Jezus echt ‘nieuws’? En kunnen wij wel pitchen?

Vandaag is het ‘de werelddag van de kerkelijke communicatiemedia’. De Kerk komt wel regelmatig in het nieuws. De wereldlijke media en het nieuws zijn echter vooral geïnteresseerd in ‘slecht nieuws’, terwijl wij als gelovigen natuurlijk vooral geloven in het goede nieuws en de Blijde Boodschap. Vaak komt dus de Kerk in de media met allerlei zaken die niets of weinig te maken hebben met de kern van ons geloof. De media lijkt soms te denken of zeker te suggereren dat het in de Kerk gaat over het gedrag of de mening van één of meerdere priesters of over gebouwen die we soms niet kunnen behouden. Jezus en zijn Blijde Boodschap zijn geen nieuws meer. Men beschouwt Jezus als ‘2000 jaar oud’ en dus zonder nieuwswaarde. Zijn woorden en daden zijn echter zo vernieuwend dat ik persoonlijk vrees dat onze tijd er nog niet rijp voor is. Onze maatschappij leeft van ‘ieder voor zich’, van honger naar ‘meer’ en van een eindeloze dorst naar alles wat jong, sterk en nieuw is. Jezus zegt dat die zucht naar ‘het nieuwe’ echt ‘verouderd’ is en ‘verleden tijd’ moet worden.

Er zijn echter niet veel mensen die Hem horen. Wellicht zijn wij namelijk niet in staat om goed te pitchen. Of we denken dat we mensen of gebouwen moeten pitchen omdat we eigenlijk niet meer weten waarover het in ons geloof gaat.

Pitchen is ‘in’ en ‘echt van deze tijd’. Kort en krachtig moet je weergeven waar je voor staat en waar je voor gaat. Een goede pitch is dus een korte enthousiasmerende en overtuigende boodschap. Liefst van maximum één minuut. Ik daag elke lezer uit om de boodschap van het evangelie eens te pitchen. Ik vraag nooit iets aan een ander dat ikzelf niet zou doen, dus … ik probeer het ook maar eens. Ik zou een kind zoeken. Het kind staat met zijn handen voor de ogen gebogen naar de muur. Hij telt tot tien en roept dan luid … ‘wie niet weg is, is gezien’. Daarna loopt hij door de straten, parken en huizen. Hij zoekt en zoekt … . Vervolgens verschijnt één zin in beeld: ‘kan en mag Jezus jou vinden?’
Of … een pitch voor vandaag: ik toon allerlei mediabeelden van honger, geweld, ziekte en zorgen voor morgen. Vervolgens verschijnt de vraag: waar is God? Dan volgen beelden van vele mensen. Tenslotte staat dan de vraag: ‘Heb jij God herkend in een gelaat?

Juist op deze werelddag van de kerkelijke communicatiemedia weerklinkt in het evangelie de oproep tot eenheid! ‘Mogen allen één zijn’. Ik weet niet of dat toevallig is. De media houdt juist van conflicten en twisten. Mensen worden vooral verzameld in pittige debatten. Hoe meer emotie en strijd, hoe meer kijkers, die dan eigenlijk eerder ‘ramptoeristen’ zijn. De media leeft van ‘onenigheid’. En zelfs de kerkelijke media leidt aan verdeeldheid. Er gebeurt veel dubbel omdat mensen het niet eens zijn. Of de één wil niet meegaan met wat de ander heeft gedaan. Het is dan ook niet vreemd dat Jezus zich vandaag biddend en smekend richt tot de Vader en vraagt om als Vader de familie te zegenen, te beschermen en te bewaren. Jezus smeekt zijn en onze Vader om de familie samen te houden. Zo vraagt Hij de kerkelijke media ook om altijd te streven naar gemeenschap en verbondenheid. Als de kerkelijke media de eenheid en geloofsgemeenschap niet dient, dient ze tot niets … .

De evangelielezing van vandaag gaat echter niet alleen over eenheid, maar ook over ‘waarheid’. Ken je ‘unboxing’? Je krijgt dan een mooi en mysterieus cadeau. Soms supergroot, soms te mooi om uit te pakken. Je maakt het geschenk vervolgens open terwijl de camera blijft lopen. Op die unboxing-filmpjes zien we dus … wat een geschenk teweegbrengt. Ben je verrast? Ben je blij? Of was de verpakking interessanter dan de inhoud? Het evangelie van vandaag zegt dat we gerust mogen werken aan een leuke, aantrekkelijke en prikkelende ‘verpakking’, maar … uiteindelijk gaat het over de ‘inhoud’. De kerkelijke media moet dus weten dat de waarheid de prioriteit is en dat de inhoud altijd behouden moet blijven. Zo vat het evangelie van vandaag kort en krachtig samen wat de opdracht is van de kerkelijke media: streven naar eenheid en leven in de waarheid.

Lieve Gommers

Maandag 17 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 16,29-33)

Babylonische spraakverwarring of pinkstergebeuren?

Het evangelie van vandaag is helemaal één met de tekst van gisteren. Ook vandaag gaat het over eenheid en verdeeldheid. Het evangelie vertelt dat elke eenheid veronderstelt dat men elkaar verstaat. Wie de ander niet begrijpt, groeit uit elkaar.
Kennen jullie het verhaal van de toren van Babel? De mensen spraken allemaal dezelfde taal en gebruikten dezelfde woorden. Plots hoorden ze van elkaar dat ze ook hetzelfde wilden. Ze wilden alles kunnen. En ze droomden ervan om in de hemel te komen. Ze bliezen dus heel hoog van de toren. En ze meenden dat ze in de hemel konden geraken door gewoon een hoog bouwwerk te maken. Al dat gebabbel in Babel maakte duidelijk dat niemand ook maar iets verstond van de hemel. Ze kwamen dus terug met hun beide voeten op de grond. Wie hoog klimt, kan laag vallen. Hun plannen vielen dus in duigen en zij vielen van hun voetstuk. Ik denk dus dat ze ‘op hun hoofd gevallen zijn’ en dus … was er iets mis. Ze begrepen elkaars taal niet meer en ze werden verstrooid en verdeeld.

Wist je dat Babel en Pinksteren samen horen? Ad Gentes Divinitus (1965), het decreet van het tweede Vaticaans Concilie over evangelisatie en missionering, zegt dat reeds. Bijna vooraan, in nummer 4 staat:

Op de Pinksterdag echter is Hij over de leerlingen neergedaald om bij hen te blijven voor altijd. Toen trad de Kerk openlijk voor het voetlicht van de mensen; de verbreiding van het Evangelie onder de volken nam een aanvang door de prediking en eindelijk werd toen de eenheid van de volken in de katholiciteit van het geloof voorafgebeeld door de Kerk van het Nieuwe Verbond, die spreekt in alle talen, die alle talen verstaat en omvat in de liefde en zo de verstrooiing van Babel overwint.
( UitAd Gentes Divinitus, 4)

Pinksteren maakt dus Babel ongedaan. Plots kunnen mensen elkaar weer verstaan. Om Pinksteren te begrijpen, heb je dus echt ‘een heldere Geest’ nodig. Pinksteren brengt en schenkt de Geest van wijsheid en onderscheiding. Als er tussen mensen een ‘goede Geest’ heerst, dan begrijpen ze elkaar wel!

Ik denk dus dat Pinksteren zelfs een einde maakt aan de Babylonische ballingschap. In de zesde eeuw voor Christus werden de Joden naar Babylon verbannen. Ze mochten dus niet thuis en binnen blijven, maar ze moesten op weg gaan. Ze werden dus gedeporteerd. Vreemd genoeg ontdekten ze juist in dat vreemde land wie ze waren en wie ze konden worden. Grote en belangrijke teksten uit het Oude Testament vinden namelijk hun wortels in dat land waar de Joden niet konden groeien en bloeien.

Sommigen zeggen dat we ons ook nu in een Babylonische ballingschap bevinden. Nee, niet voor 50 dagen, maar al voor meer dan een jaar. Reeds een jaar lang zijn wij een vreemde in ons eigen land. We mogen niet meer naar ons ouderlijk huis. Of toch niet allemaal, want het hedendaagse Babel bestaat uit bubbels. Bubbels zijn zeepbellen die vaak ‘klappen krijgen’. Het zijn ballonnetjes die opstijgen, maar ons nergens brengen. Ze bevatten slechts opgeklopte lucht. Mensen zuchten en verlangen om terug naar elkaar toe te gaan en elkaar opnieuw niet alleen telefonisch of digitaal te woord te staan.

Voor allen die in Babel of in een Babylonische ballingschap verkeren, klinkt vandaag weer een boodschap van hoop. In vers 33 staat: ‘Hebt goede moed’. Na alle regeltjes, na steeds wisselende coronamaatregelen en na al dat ‘moeten’, zal het goede ons tegemoet komen. We moeten ‘goede moed hebben’. Ik weet eigenlijk niet wat dat betekent, maar ik denk dat we vooral de moed moeten hebben om te bidden tot de Geest. Heel de Pinksternoveen lang mogen we zeggen: ‘Kom, heilige Geest’. Ik meen dus dat het moedig is om de Geest te vragen en te smeken om geen weken meer te wachten. Ja, het is moedig om te zeggen dat we de Geest nodig hebben. Als we er – door de omstandigheden – niet toe komen om naar buiten te gaan, is het moedig om gewoon te vragen of de Geest zélf naar ons wil komen.

Lieve Gommers

Dinsdag 18 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 17,1-11a)

HEER-lijk!

Wat vind jij heerlijk? En is datgene wat jij ‘heerlijk’ vindt ook ‘Heer-lijk’? Verwijst het naar de Heer? En zo ja, hoe dan?

Wij verheerlijken vaak mensen en dingen die helemaal niet heerlijk en soms zelfs niet eens ‘eerlijk’ zijn. We verheerlijken mensen die het gemaakt hebben, hoewel ze daarbij vaak anderen kapotmaakten. We prijzen leiders die de macht krijgen, maar weinig waard zijn. Of we verheerlijken idolen met idealen die anderen naar beneden halen. We bewieroken mensen die vooral ruiken hoe ze anderen kunnen gebruiken. En we hemelen op wie ‘aardig’ is, maar zijn echte aard niet verraadt. Ongegrond kijken we op naar wie neerkijkt op ons.

In het evangelie van vandaag leert Jezus ons wat echt heerlijk is. Niet alleen voor even, maar voor het leven. En zelfs voor de eeuwigheid. Waarom zouden we iemand verheerlijken die niet het eeuwig leven heeft en dat eeuwig leven zeker niet aan anderen geeft? Jezus leert ons om enkel te verheerlijken Wie altijd heeft bestaan, Wie blijvend is en nimmer zal vergaan.

Jezus vraagt ons vandaag niet alleen om God te verheerlijken, maar Hij leert ons zelfs dat bidden Heer-lijk is. Nee, Hij zegt niet dat wij moeten bidden, noch hoe wij dat kunnen doen. Bidden kan je namelijk niet leren via wat uitleg of een theorie. Je kan het alleen al doende leren. Jezus doet het echter niet om het ons te leren. Soms doen mensen iets voor, terwijl ze zichzelf vooral voordoen als iemand die ze niet zijn. Als bidden bedoeld is als een les om te leren bidden, dan is het gebed niet meer wat het zegt te zijn. Jezus bidt dus niet om het ons te tonen. Nee, Hij laat juist zien dat Hij bidt omdat Hij leeft van het gebed.

Jezus leert ons dus eigenlijk niet bidden, maar we kunnen wel leren van de wijze waarop Hij bidt. Wat Hij doet? Eigenlijk hetzelfde als wanneer Hij het ‘Onzevader’ bidt. Hij richt zich eerst lovend en prijzend tot de Vader. Hij verheerlijkt Hem. Na het ophemelen en danken denkt Hij aan anderen. Het danken mondt uit in een smekend vragen dat God zijn mensen zal blijven dragen. Ons smeken komt dus niet op de eerste plaats. Het wordt voorafgegaan door wat voorgaat. Hoe zou je de Heer iets kunnen vragen als je niet in Hem gelooft? Hoe zou je kunnen smeken tot de Vader als je Hem niet als Vader erkent? Hoe zou je God kunnen verzoeken om iets te doen als je Hem eerst niet zoeken wil? En hoe kan je jouw noden bij God brengen als je jezelf niet uitgenodigd weet om Hem te zeggen dat wij Hem nodig hebben? Kortom: we verheerlijken eerst de Heer en zeggen wat goed is om vervolgens het goede te vragen. Niet zozeer voor onszelf, maar veeleer voor anderen. En niet alleen voor nu, maar voor alle dagen.

Ik vind het mooi en sterk dat Jezus bidt voor zijn leerlingen. Hij bidt voor ons. Ik weet niet hoe het bij jou zit, maar ik vertrouw mijn eigen bidden niet. Mijn bidden zit vol ongeloof en onrust. Toch hoor ik vandaag dat ik gerust mag zijn. Jezus rust namelijk niet. Hij bidt voor ons. Hij doet voor ons wat wij niet kunnen. Als wij iets niet meer goed kunnen praten, spreekt Hij voor ons ten beste. En als wij geen zinnen vinden, zegt Hij dat woorden overbodig zijn. Hij laat de stilte in ons spreken. Hij laat ons weten dat de Vader onze gedachten kent en geen woorden nodig heeft. Jezus is niet alleen onze voor-ganger, maar zelfs onze voor-spreker. Hij spreekt voor ons en in ons. Zonder Hem kunnen wij niet bidden. Zonder Hem is er zelfs geen sprake van gebed.

Kortom: je kan nooit alleen bidden. Een persoonlijk of individueel gebed bestaat dus eigenlijk niet. Zelfs als je helemaal alleen bent tijdens het bidden, bid je nog niet alleen. Je bidt altijd in verbondenheid met Jezus. En wie samen is met Jezus, is nooit met Hem alleen. Hij verbindt ons namelijk met al onze broeders en zusters in het geloof. Bidden is dus niet per se iets dat je ‘samen doet’, maar het is wel altijd iets dat ons samenbrengt. Elk oprecht gebed schenkt samenhorigheid en is een stap naar gemeenschap. Het evangelie van vandaag leert ons dus wat wij echt niet kunnen! Wij kunnen niet bidden. Of toch niet alleen. Niet zonder Hem en niet zonder andere gelovigen. Ik denk dus dat je maar thuis kan komen in gebed als Jezus en anderen bij jou naar binnen mogen.

Lieve Gommers

Woensdag 19 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 17,11b-19)

Mogen we ons erbij neerleggen?

Is de woensdag een zondag? Kinderen hebben alvast wel een halve rustdag! Vandaag weerklinkt trouwens ook exact dezelfde lezing als vorige zondag!

We kunnen dus niet rusten. De Heer laat ons niet met rust. We hebben namelijk een zending. In vers 18 zegt Jezus dat Hij ons zendt. Eigenlijk zet Hij ons buiten. De wereld zit niet op ons te wachten, maar toch kunnen wij er ons niet buiten houden. Hoewel de wereld ons niet ligt, zitten we er middenin. Het evangelie van vandaag zegt dat wij niet ván, maar wel ín de wereld zijn. Ik denk dat wij niet ván de wereld zijn, maar dat de wereld ook niet ván ons is. Velen denken dat nochtans. Ze behandelen de aarde als hun bezit, waarmee ze kunnen doen wat ze willen. We zijn wél ‘in de wereld’ en de wereld zit ook in ons. Wereldse zaken, zoals geld, consumptie en macht maken ons maar al te vaak tot wie we zijn. We worden dus gezonden om ín de wereld, maar niet ván de wereld te zijn. We mogen ons dus niet neerleggen bij de haat en het kwaad in de wereld. We moeten opstandig zijn en opstaan tegen onrecht. We hebben de taak om recht te zetten wat voorbijgelopen of omgestoten werd. Als we dat doen, zijn we niet één met de wereld, maar één met de Heer die zoveel meer is dan de aarde ons te bieden heeft.

Jezus is vandaag trouwens opnieuw aan het bidden. Gisteren deed Hij dat ook. Gebed is dus duidelijk iets ‘van elke dag’. Het is dus niet van deze wereld, maar wél iets ‘alledaags’. Elke dag wil Hij bidden voor, met en in ons.

Het gebed van vandaag is niet alleen in de Bijbel bewaard. Het gebed wil ons behoeden en bewaren voor al het kwaad. Jezus zegt, niet als Onze Vader, maar als onze broeder, wat ook vele vaders en moeders doen. Hij vraagt biddend dat God ons mag zegenen en bewaren.

Vele ouders geven hun kinderen een kruisje voor het slapengaan en vragen dus in een kort gebed wat Jezus ons eigenlijk heeft voorgedaan.

Wij zijn soms geen hoeder van onze broeder, maar Jezus is dus een broeder die wél onze hoeder is. Hij wil ons beschermen en bewaren. Hij wil ons behoeden tegen al het kwaad, maar de tekst zegt ook dat Hij ons wil bewaren voor onwaarheid. De wereld is de waarheid niet altijd toegewijd. Het evangelie zegt dat Gods Woord waarheid is, maar de wereld spreekt vaak een andere taal. Velen horen Gods Woorden wel, maar geven toch geen gehoor. Ze storen zich niet aan Gods wil. De Heer wil dus beschutting bieden in de open vlakte van de wereld. Hij is ‘ons schild en onze vriend’. Hij wil niet dat de onwaarheid ons raakt of dat wij getroffen worden door wat niets waard is.

Vandaag wordt dus ook duidelijk dat onze zending gevaarlijk is. We worden op missie gestuurd. Vijandelijk gebied wacht ons. We zijn als soldaten die moeten waken over de waarheid. Het kwaad zal ons echter belagen. In de hitte van de strijd moeten we het geloof bewaren. We moeten ons wijd en zijd verspreiden over de wereld. Het evangelie van vandaag zegt echter dat we daarbij ook toegewijd moeten zijn aan de Heer.

Wanneer ben je Hem toegewijd? Ken jij synoniemen van ‘toegewijd’? Als je het opzoekt, ontdek je synoniemen zoals ‘geest-driftig’ en enthousiast. Enthousiasme komt van ‘en’ en ‘theos’. Het Griekse woord ‘en’ betekent ‘in’ en ‘theos’ staat voor ‘God’. Wie enthousiast is, heeft dus God in zich. Wie God in hem of haar aan het werk laat, is dus enthousiast. En wie Gods Geest in zich laat leven, wordt geestdriftig. De Geest van Pinksteren is zo begeesterd dat die niet kan wachten. Enkele dagen vóór Pinksteren laat de Geest dus reeds van zich horen. Het Pinksterfeest, waar wij naartoe gaan, is dus als het ware het feest van de ‘toewijding’. Wie God is toegewijd, wordt geleid door de Geest. Wie zich met hart en ziel geeft voor Hem en de Geest in zich laat leven, staat nooit alleen. “Mogen allen één zijn”, zegt Jezus vandaag. “Mogen allen één zijn met Mij, de Ene en de Ware”. Pinksteren is dus ‘enig’. Het is het feest van de eenheid: eenheid met Hem in een geest van Waarheid.

Lieve Gommers

Donderdag 20 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 17,20-26)

Enkel liefde kan verenigen …

Kennen jullie de gebedsweek voor de eenheid? Jaarlijks vindt in januari een gebedsweek plaats waarin we in het bijzonder bidden voor de eenheid onder christenen. Centraal staan de oecumene en de eenheid in de verscheidenheid aan christelijke denominaties.

Eigenlijk bevinden we ons nu ook in een gebedsweek voor de eenheid. Al verschillende dagen horen we namelijk dat Jezus aan het bidden is. Hij vraagt al dagenlang om ‘eenheid’. “Mogen allen één zijn”, zegt Hij. Blijkbaar zijn gebed en eenheid dus heel nauw verbonden met Pinksteren.

Het evangelie van vandaag roept bij mij een vraag op. De vraag: kan jij bidden? Kan jij bidden? Mag ik eerlijk zijn: wie zegt dat hij of zij kan bidden, geloof ik niet. Ik kan er zelf niets van. Ik kan niet bidden en ik ken (bijna) geen mensen die het kunnen.
Ik vind het trouwens zeer opvallend dat het evangelie op meerdere plaatsen zegt en toont dat de leerlingen dát OOK NIET konden. Ze konden niet bidden. Ze waren al jarenlang met Jezus op weg, ze hadden Hem al heel vaak zien bidden en tóch konden ze het niet. Meer nog, ze waren Joden en dus vertrouwd met de Joodse gebedscultuur. Ze kenden de gebeden, maar toch konden ze niet bidden. Ze vragen dan ook aan Jezus: ‘leer ons bidden’.

De leerlingen en ook wij kunnen dus niet bidden. Of toch niet alleen. We kunnen niet bidden zonder de Geest. De brief van de apostel Paulus aan de christenen van Rome verwoordt het op een treffende wijze: ‘de Geest komt onze zwakheid te hulp, want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit in ons met onuitsprekelijke verzuchtingen’ (Rom 8,26).

Kortom: we kunnen slechts bidden als de Geest van God ons aanspreekt en werkt in ons. We hebben de Geest van Pinksteren dus nodig om te kunnen bidden. Zonder Pinksteren is er dus geen gebed.

De link tussen Pinksteren en ‘gebed’ is dus duidelijk, maar wat is de band tussen Pinksteren en de eenheid? Gaat het over de eenheid die ontstaat omdat diverse talen worden gesproken en iedereen de ander verstaat? Of zit de eenheid veeleer in de ene Geest die op allen neerdaalt en allen in één richting inspireert? Persoonlijk denk ik dat de eenheid van Pinksteren vooral een éénheid is die enkel te vinden is in gebed. Daarom worden Pinksteren, eenheid en gebed deze dagen meermaals in één adem genoemd.

Wat ik bedoel? Gebed is … in wezen eenheid. We zeiden reeds dat we pas kunnen bidden als de Geest in ons leeft. Bidden is verbondenheid en eenheid met de Heer. Als we ons niet ‘ver-EEN-igen’ met Hem, als we ons niet in liefde en vriendschap met Hem verbinden, is er geen sprake van gebed. Dan zijn het louter holle woorden of dan zijn we ‘gebeden aan het lezen’ zonder te bidden. Gebed is dus geen eenmalig, maar wél een ‘enig’ contact met de Heer.

Het is dus onmogelijk om alleen te bidden. Zelfs als je alleen op een kamertje bidt, bid je niet alleen. Je bidt altijd met en in de aanwezigheid van de Heer. Wie echter één is met de Heer, is ook niet met twee. Wie zich verenigt met de Heer wordt namelijk automatisch ook verbonden met al de broeders en zusters van de Heer. Als je bevriend bent met de Heer, komt Hij bij jou op bezoek. Hij klopt aan en jij kan Hem binnenlaten in je hart. Hij komt echter nooit alleen. Je krijgt er zijn familie gratis bij. Hij brengt dus sowieso zijn broeders en zusters mee. Wie bevriend is met de Heer ondervindt dat Jezus ons verbindt met anderen. Wie dus bidt, bidt altijd in verbondenheid met de Heer en in relatie met zovele andere gelovigen, overal ter wereld.
Kortom: ik denk dat we met Pinksteren niet bidden om eenheid, maar we mogen ervaren en beleven dat gebed juist eenheid is en eenheid brengt. Terwijl de leerlingen vóór Pinksteren opgesloten zaten in zichzelf en in hun privé-relatie met de Heer, zorgt de Geest voor een grote ommekeer. Pinksteren leert dat de eenheid in gebed wordt gerealiseerd. Enkel wie in gebed mag ervaren dat we één zijn met God en met elkaar kan met Pinksteren naar buiten gaan. Als je elkaar niet kent of niet weet dat je verbonden bent, zal je elkaar buiten namelijk niet herkennen. Pas wie de eenheid goed ziet, kan buiten anderen begroeten en ontmoeten.

Lieve Gommers

Vrijdag 21 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 21,15-19)

Geef ook jij 3x jouw ja-woord?

Vandaag wordt Petrus ondervraagd. Jezus stelt hem driemaal dezelfde vraag. Hij vraagt Petrus: “Hebt gij Mij lief?” En weet je wat Petrus doet? Hij geeft driemaal zijn ja-woord. Hij zegt ‘ja’ tegen de liefde van de Heer.

De lezing zegt wel dat Petrus de herhaling achterhaald vindt. Hij vraagt zich af waarom hij zijn ja-woord steeds weer moet herhalen. Wij kennen het antwoord natuurlijk. Nee, hij moet het niet meermaals zeggen omdat Jezus hem niet gelooft of omdat Petrus Hem ook driemaal zal verraden en de haan zal laten kraaien. Ik denk dat Petrus het driemaal moeten zeggen omdat je je ja-woord altijd en meermaals per dag moet herhalen. Een ja-woord is nooit eenmalig. Het is iets ‘van en voor elke dag’. Het is een keuze die je elke keer opnieuw moet maken. Ook als het te warm wordt onder je voeten, als je – zoals Petrus – onder vuur wordt genomen. Ook als het uur komt dat je bij een kampvuur moet uitkomen voor je geloof.

Wist je trouwens dat het vandaag ‘nacht’ is? Ja, enkele dagen voor Pinksteren gaan we terug in de tijd. Neen, we gaan niet 2000 jaar terug. We keren terug naar Pasen. Het is vandaag terug ‘paasnacht’. De paasnacht wordt als het ware herhaald. Misschien omdat wij in die nacht van Pasen nog niet zo goed konden zien wat er eigenlijk gebeurde.

Tijdens de paasnacht of tijdens de paasviering hernieuwden we onze doopbelofte. We zeiden driemaal ‘ja, ik beloof’ en driemaal ‘ja, ik geloof’. We gaven – misschien zelfs zonder het goed en wel te beseffen – ons ja-woord. Wie als baby gedoopt werd, weet niet meer dat hij of zij ‘ja’ zei tegen de Heer. Met Pasen mogen we ons ja-woord herhalen en wie dat nu – na bijna 50 dagen – reeds vergeten is, komt dat vandaag terug te weten.

Pasen is dus ‘ja-zeggen’. Pinksteren is in woord en daad ‘ja blijven zeggen’. En misschien is het niet alleen ‘ja blijven zeggen’, maar vooral ‘ja-doen’ en je ja-woord waarmaken. Telkens weer en steeds meer.

Weet jij trouwens waartoe je ja-woord leidt? Na Petrus’ ja-woord zegt Jezus: “weid mijn lammeren”. En het evangelie van vandaag eindigt met iets nieuws dat begint. Jezus zegt namelijk: “volg Mij”.

Wie dus zijn hart volgt en zich door de liefde van de Heer laat leiden, komt volgens mij uit bij de schapen. Als je Jezus volgt, krijg je heel zijn gevolg erbij. Als je Hem aanhangt, kom je sowieso bij zijn aanhang. Of nog: als je bij een herder bent, kan je echt niet naast zijn schapen kijken. Wie Jezus volgt, kan de schapen niet ontwijken. En wie altijd bij een herder en zijn schapen blijft, wordt zelf ook herder. Wat kan je anders doen? Stel dat je met de Herder mee zou gaan, maar verder niets zou doen. Je kan dat ‘volgen’ toch enkel maar goed doen als je die schapen ook hoedt.

Paus Franciscus vindt dat een herder naar zijn schapen moet ruiken. Een herder kan de schapen niet op afstand houden. Als je een herder volgt, komen ook de schapen plots veel dichterbij. Je kan niet doen alsof je hen niet kent of alsof je niet één van de hunne bent.

Wellicht is dat ook Pinksteren: naar buiten gaan, de wijde wereld in. We moeten namelijk lammeren weiden. We kunnen er niet buiten. Wie Jezus volgt, zal ook anderen ontmoeten. Wie de liefde van de Heer volgt, zal zich herkennen in wie dat ook doet. Wie de Heer achterna gaat, ontmoet anderen en verstaat goed wat hen ter harte gaat. Hun harten spreken dezelfde taal. Ze verhalen van Gods liefde. Liefde is wellicht de universele taal die iedereen spreekt en die met Pinksteren doorbreekt.

Weet je wat ik grappig vind? Dat de evangelielezing van vandaag begint bij het ontbijt. Er staat ‘na het ontbijt vroeg Jezus: hebt gij Mij lief’. Ik vraag me echt af waarom dat er staat. Verwijst het ontbijt naar de eucharistie? Klinkt in elke mis niet de vraag of jij Jezus mist? De eucharistie vraagt toch of je Hem bemint? Of begint het evangelie met het ontbijt omdat je niet louter moet opstaan? Tussen het ‘opstaan’ en het ‘naar buiten gaan’, kunnen we best nog ontbijten om ‘sterk te staan’. Hoe zou je namelijk de schapen kunnen weiden als je de kracht niet hebt om ver te komen? Of nog: hoe zouden wij Hem kunnen volgen als de kracht van zijn Geest niet in ons mag wonen?

Lieve Gommers

Zaterdag 22 mei

(bij het evangelie van de dag: Joh 21,20-25)

Geen boek is groot genoeg en zelfs de wereld is te klein … !

Ik heb de voorbije 50 dagen veel geschreven. Ik herken me dus helemaal in de laatste zin uit het evangelie van vandaag. Volgens mij is het één van de mooiste zinnen uit de Bijbel. Er staat: ‘Er zijn nog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft, maar als ze één voor één beschreven werden, dan zou naar mijn mening zelfs de hele wereld te klein zijn voor de boeken die men zou moeten schrijven’. Prachtig toch! In die laatste zin van het evangelie wordt heel de Blijde Boodschap samengevat: het is gewoon ‘onbeschrijfelijk’. Het is met geen pen te beschrijven. Het is niet te vatten in woorden. Jezus’ daden zijn niet alleen eeuwig, maar ook oneindig. Ze houden niet op en lopen door de eeuwen heen. Je loopt dus altijd achter, want als je even wacht om iets neer te schrijven, heb je wellicht weer een daad van de Heer gemist.

Ik vind het zo ‘groots’ dat de wereld te klein is. Ja, dat staat er. Ze zeggen wel eens dat onze wereld klein geworden is. De digitaliteit maakt dat we altijd in verbondenheid kunnen treden met mensen aan de andere kant van de wereldbol. Als corona eindelijk aan zijn terugreis begint, zal het reizen ook terug volop starten. We gaan dan weer vlotjes de hele wereld rond. En ook via internet en TV is de wereld nooit ver weg. Soms lijkt het dus alsof onze wereld klein is geworden en wij met Pinksteren helemaal niet naar buiten moeten, omdat de wereld sowieso wel onze huiskamer binnenkomt.

Paradoxaal genoeg is datgene wat ver is plots heel dichtbij en wat nabij is, blijft op afstand. Ik vind het namelijk wat vreemd dat onze wereld waarin zoveel ‘afstandelijkheid’ heerst geen afstanden meer kent. Afstanden worden gemakkelijk overbrugd, maar vaak zijn onze buren verder dan ooit. We spreken ze soms weken niet, terwijl we dagelijks whatsapp’en met mensen die we misschien nooit zullen ontmoeten. We doen dus misschien wel alsof de wereld klein is, maar wellicht zien we gewoon de hele wereld niet meer. We zien alleen wat TV en internet ons tonen en we hebben dus geen oog voor wie naast en bij ons wonen. Terwijl we vroeger een ander deel van de wereld zagen, ontdekten we de laatste decennia de nieuwe wereld van de media. Vroeger zagen we slechts een deel en nu zien we louter een ander deel. Het geheel van de wereld blijft voor ons veel te groot.

Kan jij die laatste zin van het evangelie in beeld brengen? Ik stel het mij voor: een wereld die wordt tot een bibliotheek waar zoveel boeken staan dat geen mens nog plaats heeft om door de gangen te gaan. Laat staan dat een mens de tijd heeft om al die boeken te lezen. Zou de eeuwigheid daarvoor volstaan? Ik vraag me trouwens ook af of er dan voor elke mens een boek zou zijn: een boek waarin beschreven staat hoe de Heer met die mens op weg gaat. En zou elk boek dan een autobiografie zijn? Kan je eigenlijk wel voldoende afstand nemen van jezelf om te ontdekken waar de Heer jou wekt? Of is elk boek een biografie? Zou het eigenlijk ook niet vreemd zijn als een auteur niet in zijn eigen leven, maar in dat van een ander zoekt naar de Heer? En wat als je de Heer vindt in het leven van een ander? Komt de gevonden Heer dan ook niet even binnen in jouw leven?

Ik geloof echt wel dat Jezus blijvend geschiedenis schrijft en ook in het heden en de toekomst werkt, maar ik denk dat het probleem niet zozeer is dat de wereld te klein is. Dat zal wel zo zijn, maar ik meen dat er hier, op deze wereld, vooral te weinig papier is. En ecologisch is het ook niet verantwoord om alle woorden en daden van de Heer in boeken neer te schrijven. Als de wereld trouwens vol boeken zou staan, zou er geen plaats meer zijn voor de schepping, voor mens en dier. En morgen op Pinksteren zullen we vooral horen dat we naar buiten moeten, want niet zozeer boeken, maar veeleer de mens en de natuur getuigen van de Heer. Boeken zijn veelzeggend, maar wat als er geen mensen zijn die ‘buiten’ Gods Woorden spreken en de Schriften ontsluiten? Pinksteren zegt dat we slechts vooruitgang boeken als we getuigen. We moeten onze getuigenis natuurlijk wel richten op de Schriften. We mogen verhalen wat niet te vatten is, niet in boeken, noch in de geschiedenis. Het evangelie van vandaag stelt dus dat wie getuigt nooit is uitverteld.

Lieve Gommers

Zondag 23 mei – PINKSTEREN

(bij het evangelie van de dag: Joh 15,26-27; Joh 16,12-15)

Niet langer staren wij

naar de hemel,

varen laten wij de verte.

Nabij

is Hij en de hemel

waar de aarde wel bij vaart.

9 dagen baden wij

in water uit de Hemelvaart.

9 maal vragen wij

dat komt wat komen gaat:

een noveen

die de Geest van eenheid

stromen laat.

Boven water komen wij.

Op Pasen

bracht de nacht

de Zon aan de horizon.

50 dagen later

staat de Zon

hoog aan de hemel.

Warm worden wij

en de wereld.

Zonnestralen

halen ons naar buiten.

Niet te stuiten

is de zomer

van ons geloof.

 

ZALIG PINKSTEREN!

 

Zo kan het niet verder …, maar kan jij hulp vragen?

Als wij het woord ‘Pinksteren’ horen, dan denken wij aan het verhaal uit het tweede hoofdstuk van het boek Handelingen. De leerlingen zitten binnen. Ze hebben zich opgesloten. Ik stel me voor hoe ze bidden en meteen is de Geest in hun midden. Er zijn zoveel tongen van vuur dat men er plots de mond vol van heeft. Als de Geest werkelijk bij je binnenkomt, ga je dus naar buiten. Weet je wat er in de Bijbel staat over de omstaanders? Dat ze ‘buiten zichzelf waren’. Blijkbaar kan iedereen de Geest verstaan als we naar buiten gaan en uit onszelf treden. Als we ons niet in onszelf keren, komt dus naar buiten wat goed en God is. Maar … die lezing uit het boek Handelingen is dus NIET het evangelie.

Het evangelie van vandaag zegt dat het zo niet verder kan! We zijn al 49 dagen onderweg, maar zijn we eigenlijk … al een stap verder? Mag ik eerlijk zijn? Soms denk ik dat ik mij bevind in een omgekeerde processie van Echternach. Weet je trouwens wanneer die processie plaatsvindt? Inderdaad, enkele dagen na Pinksteren. Zoals in die processie komen we eigenlijk niet vooruit. We gaan twee passen naar voor en dan weer drie achteruit. Het is duidelijk: ‘alleen’ komen we er niet uit. Ondanks Pasen zitten wij nog gevangen in het lege graf. De rotswanden komen op ons af. De muren die we bouwden om ons heen, houden onze lasten vast. Zoeken we Hem nog? Of hebben we Hem verbannen naar de boeken die geschiedenis schrijven. Is Jezus ‘verleden tijd’? Of mag Hij onze toekomst blijven?

We kregen reeds 49 dagen om te ontsnappen uit de escape-room die we zelf hebben gebouwd. En het lukt ons dus niet. We snappen het niet. Ondanks Pasen denken we nog steeds dat we onszelf kunnen bevrijden. We redden het dus niet. 49 dagen heeft Hij ons naar buiten willen leiden, maar er is niemand die de uitgang ziet. 49 kansen hebben wij gekregen en tot 7 x 7 maal heeft Hij ons vergeven. Wat nu? Durven wij hulp vragen? Kunnen wij bidden om bijstand? Hebben wij in onze escape-room al gebeden om de Geest van leven? Weerklonk ‘kom heilige Geest’? Of dachten we echt dat we op eigen kracht naar buiten kunnen?

Het evangelie zegt dus dat er vandaag ‘een Helper’ komt. De Geest is dus blijkbaar een hulp in onze huishouding van het geloof. Ik denk dus dat die Helper vele taken krijgt. De Geest zorgt wellicht dat we ‘binnenshuis’ en dus vanbinnen klaar zijn om naar buiten te gaan. Wellicht helpt de Geest dus met het opruimen en het poetsen. Alles wat ons in de weg staat en alles waarover we struikelen, wordt netjes opzij gezet. De Geest zal er wellicht ook op letten dat we niet rondlopen in onze pyjama. We moeten ons aankleden om naar buiten te gaan. Wellicht denkt de Geest ook aan onze voeten. Hij schenkt ons schoenen. We kunnen het namelijk echt niet ‘op onze sloffen’.

Wist je dat de Geest niet alleen komt? Wie het evangelie van vandaag leest, merkt dat ook de Vader en de Zoon erbij zijn. Pinksteren staat bekend als het feest van de Geest en pas een week later is het tijd voor het feest van de drie-eenheid. Toch komen met Pinksteren de Vader, de Zoon en de Geest reeds samen. De hele familie is erbij. We vieren namelijk het doopfeest. Ja, zoals we met Pasen onze doopbelofte hernieuwen en herinnerd worden aan ons doopsel met water, zo gebeurt 50 dagen later iets soortgelijk. We herdenken dat we ook gedoopt zijn met de Geest. De Geest wil zich onderdompelen in ons. Vervolgens wil Hij in ons naar boven komen, opstaan en naar buiten stromen.

Allen zijn we gedoopt ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest’. Ook de doop met de Geest herhaalt deze korte en krachtige geloofsbelijdenis. Met deze zin is eigenlijk alles gezegd. Pinksteren brengt echter aan het licht dat die ene zin slechts zin heeft als die woorden ook gezien worden als een zending. Ja, we zijn gedoopt met water en met de Geest, om ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Geest’ op weg te gaan. In Zijn naam mogen we getuigen, spreken en leven. Pinksteren zegt dus dat we niet alleen staan. De Helper is er reeds en steeds. En als we de Geest niet voelen, mogen we altijd, en op alle tijden, met het getijdengebed bidden: ‘God, kom mij te hulp, Heer, haast U mij te helpen’.

 

Strootjes van hoop

werden aan elkaar geknoopt,

pluimpjes uitgereikt

en vederlichte zachtheid

werd bereid.

Pasen was echter opstaan

in een leeg nest.

Niemand vloog erin,

de tijd kroop

terwijl corona

verder tikte.

Zijn wij

als eieren gebroken?

Op welke schaal zijn wij gevallen?

Rauw en geroerd,

lijkbleek en wat vergeeld

bleven wij toch broeden

op de toekomst.

Smekend keken we op

naar de hemel.

Ja, uitvliegen zullen wij,

want nooit voorbij

is Pinksteren.

Lieve Gommers

 

 

 

Laatste aanpassing op 23/05/2021 om 14:10
HomeBisdom Antwerpen
Algemeen
  • Contact opnemen
  • Digitale nieuwsbrief
Sociale kanalen
  • Facebook
  • Instagram
  • YouTube
© Bisdom Antwerpen 2026
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Abonnementsvoorwaarden
  • Vacatures
Ga naar Otheo