De armen waren zijn broeders en zusters
Jorge Bergoglio, zoon van Italiaanse migranten.
Als jezuiët en aartsbisschop in Buenos Aires zocht hij de mensen op
in de periferie: armen, daklozen, immigranten, drugverslaafden.
Als paus koos hij de naam Franciscus,
de Poverello van Assisi verhuisde naar het Vaticaan.
Zijn eerste Goede Week in Rome werd blijde boodschap
voor de armen van de hele wereld:
hij wast de voeten van 12 gevangenen
en hij zegt: ‘een herder moet ruiken naar zijn schapen’.
Zijn eerste reis is naar Lampedusa en kort nadien naar Lesbos:
hij wil bij de bootvluchtelingen zijn
en hij bezweert het Europees Parlement:
‘We kunnen niet toelaten dat de Middellandse Zee één groot kerkhof wordt.’
En ook: ‘Onverschilligheid heeft ons het vermogen om te wenen afgepakt’.
Hij organiseert concrete hulp voor de daklozen in Rome
en schenkt een prachtig, historisch gebouw aan de Egidiusgemeenschap
om 30 daklozen te laten overnachten,
want ‘de armen verdienen iets wat mooi is’.
Miljoenen armen over heel de wereld,
vluchtelingen, mensen zonder papieren, zieken en gehandicapten
waren zijn broeders en zusters, ‘fratelli e sorelle tutti’.
Hij zegt: ‘De arme maakt ons rijk. Waarom? Omdat Jezus zelf in de arme is’.
Daarom ‘moet de kerk leren luisteren, ook naar de armen.
Want een in zichzelf gekeerde kerk is een zieke kerk’.
Geprezen, Heer, ‘Laudato si', Signore’ voor paus Franciscus