Dorst wordt bron
Beste vrienden,
Ik had het gisteren over de betekenis van de grot als “Massabielle”, “Oude Rots”. Van een triestige plaats is de grot een vruchtbare plaats geworden, een plaats van innerlijke en soms ook fysieke genezing, een plaats waar we op een heel speciale manier samenkomen om Kerk te zijn. Maria heeft er een “heerlijke” plek van gemaakt, een plaats waar God verheerlijkt wordt.
Bij de grot vinden we de rijke symboliek van de rots, het licht en het water. Het zijn symbolen die onmiddellijk naar Jezus verwijzen: zijn woorden zijn de rots waarop we een stevig huis kunnen bouwen; Jezus is zelf het Licht van de wereld en het water van het doopsel doet ons één worden met Hem.
De lezingen hebben het vooral over het water. Ik denk aan de woorden van Maria aan Bernadette op 25 februari 1858: “Ga drinken aan de bron en ga er u wassen.” Ik kijk dagelijks naar de berichten over Gaza en daar zie ik mensen die, door de slechtheid van andere mensen, geen toegang krijgen tot drinkbaar en proper water. Ze kunnen al vele maanden niet drinken en zich niet wassen. En ze leven daar nu in tenten – voor zover je het tenten kan noemen – in een schroeiende warmte, wat de dorst nog veel groter maakt. Wij kunnen ons dat niet voorstellen.
Je kan opwerpen: maar Jezus heeft het toch niet over dat water, dat aardse water? Inderdaad niet en toch wel. Want alleen onze menselijke ervaring laat ons de beelden begrijpen die Jezus gebruikt. Iemand die nooit dorst gehad heeft, begrijpt Jezus’ boodschap niet. Jezus zegt: “Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij”. Alsof Hij zegt: herinner je hoe je snakte naar water toen je vreselijk dorst had. Sommigen onder ons kennen dat, die behoefte aan drinken als men ziek is met brandende koorts. Dat is iets heel fysieks. Maar het is ook meer dan fysiek. De ziel lijdt mee. Met een schroeiende dorst wordt bidden moeilijk. En pas na die lichamelijke ervaring opgeroepen te hebben, zet Jezus een volgende stap: “Wie in Mij gelooft, hij drinke!”. Wat heeft geloven met drinken te maken? Geloven betekent: vertrouwen hebben. En wie heeft geen “dorst” naar vertrouwen, naar vriendschap, naar liefde? Jezus zegt dus: “wie vertrouwen in Mij heeft, dat hij maar kome om te drinken, want die dorst kan ik lessen”. En dan voegt Hij er nog iets belangrijks toe: “wie zijn dorst aan Mij lest, uit hem zullen stromen van levend water stromen”. Wie leeft vanuit Jezus’ liefde zal op zijn beurt de dorst van anderen kunnen lessen. Hij wordt een bron voor anderen.
Is dat geen mooie zending vanuit Lourdes? Ik herhaal de drie stappen: ten eerste durven onder ogen zien op welke manier wij dorstig zijn – en dat is voor iedere mens anders. Een tweede stap is met die dorst naar Jezus gaan, naar het water van ons doopsel, waaraan de bron in de grot ons herinnert. En dan ten derde: zelf bron worden voor anderen.
Bernadette is bron geworden door haar roeping als religieuze te omarmen. Voor veel mensen klinkt dat verwonderlijk: een verborgen leven leiden om vruchtbaar te zijn! Maar precies daardoor is Bernadette ons voorbeeld. Is dat verborgen leven niet iets voor de meesten van ons? De meesten van ons zijn niet geroepen om bekendheid te verwerven, maar wel om in het dagelijkse leven eenvoudig en simpelweg alles te doen wat de Geest ons vraagt te doen. Ons leven is immers maar vruchtbaar door het werk van Jezus’ Geest in ons. Het evangelie zei het zopas: “Jezus doelde op de Geest, die zij, die in Hem geloofden, zouden ontvangen”.
En daarmee, beste vrienden, is onze zending gegeven. Onze geloofsbelijdenis zegt op welke stevige grond, rots, wij steunen om onze zending waar te kunnen maken. We steunen op God: Vader, Zoon en Geest.