Zien met de ogen van het hart
De zogenaamde “andere leerling” staat centraal in onze tekst en dus ook in het centrum van de verrijzeniservaring die ons vandaag gedeeld wordt. Hij wordt verschillende keren genoemd “de leerling die Jezus liefhad”. Maar waarom wordt zijn naam nooit vermeld? Is het opdat wij zijn plaats zouden innemen en vriend van Jezus worden, zodat ook wij zien wat alleen de liefde toelaat? Zo kunnen ook wij in het centrum van het verrijzenisverhaal gaan staan. Op Palmzondag nodigde ik iedereen uit Simon van Cyrene te zijn. Nu stel ik voor de leerling te zijn die Jezus liefhad, om samen met hem te zien en te geloven.
Voor Jezus’ beminde leerling zijn de doeken in het graf iets anders dan de trieste herinnering aan het mysterieus verdwenen lijk van een geliefde vriend. Ze zijn betekenisvolle symbolen.
Vandaag geldt nog altijd dat – voor wie ziet met de ogen van het hart – het Pasen is waar God voorbijkomt.
Dat hart dat bemint, ziet en gelooft maakt van ons echte mensen. De beweging gaat gelukkig ook in de andere richting: een goed mens is op weg naar God die liefde is. God vindt in hem de juiste voedingsbodem om van zijn leven een verrijzenisgebeuren te maken. Meteen geldt dat wie menselijkheid vernietigt – in zichzelf of in anderen – zich opstelt als vijand van God. Voor hem of haar is er geen Pasen. Is dat niet het drama dat zich afspeelt op verschillende plaatsen in de wereld, zelfs in het land waarvan Jezus ooit gezegd heeft: “Allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen” (Mt 26, 52). Zou vrede realiseren, daar waar men er amper nog durft aan denken, – rechtvaardige vrede! – geen sterk teken van verrijzenis kunnen worden voor onze wereld? Christenen blijven geloven in de overwinning van het goede op het kwade, ondanks de beelden en berichten die ons dagelijks overspoelen.
Het evangelie van vandaag bemoedigt ons. De drie leerlingen – Maria van Magdala, Petrus en Johannes – beginnen met te kijken in de leegte van een graf. De moderne mens herkent zich daarin. Sommigen zullen zich de reactie van Maria van Magdala eigen maken: “Ze hebben mijn Heer weggenomen en we weten niet waar ze Hem neergelegd hebben”. Hij was er ooit, maar Hij is er niet meer. Toch worden de drie leerlingen de eerste getuigen van de verrijzenis. Wat ze zich niet konden voorstellen werd ongelooflijk waar. Daarom zijn zij de getuigen die we nodig hebben. Op winkeldeuren in de stad kan je soms lezen: we zoeken personeel. Wij zoeken getuigen. De Kerk heeft ze nodig. Misschien moeten ook wij een beetje meer werven. Durven zeggen wie en wat wij zoeken. Maar ook durven getuigen wat – en Wie! we gevonden hebben.
Zusters en broeders: “Christus is opgestaan, Hij is waarlijk opgestaan”. Hij toont de richting naar Licht en Leven. Laat ons de leerling zijn die Jezus liefhad.