Jona in Nineve
Het verhaal
Toen ging Jona naar Nineve, hij kon niet anders. Dat had God hem wel duidelijk gemaakt! Veel zin had hij er nog steeds niet in. Hij was er nog nooit geweest. Hij wist niet dat er zulke grote steden bestonden: het duurde drie dagen om er doorheen te trekken. Overal zag hij hoe mensen lelijk deden tegen elkaar en alleen bezig waren met steeds rijker willen worden. Dus na één dagreis door Nineve zocht hij een mooi plein uit, ging op een grote steen staan en sprak met luide stem: ‘Mensen van Nineve! God heeft gezien hoe slecht jullie leven! Nog veertig dagen en jullie stad wordt met de grond gelijk gemaakt!’ De mensen bleven staan en gaapten Jona aan. Hij ging door. ‘Jullie zijn gemeen en kwaadaardig tegen elkaar. Daarom heeft God besloten jullie stad te verwoesten!’ De mensen keken angstig naar elkaar. Ze begonnen onder elkaar te mompelen. Jona kwam stilaan goed op dreef en ging maar door met bedreigingen. Hij begon er bijna plezier in te krijgen om die stomme Ninevieten eens een lesje te leren. Dus bleef hij maar roepen over hun ondergang.
’s Anderendaags wilde Jona weer verdergaan met zijn donderpreek, maar een boodschapper van de koning stond op de steen die hij gisteren gebruikt had. ‘De koning wil dat iedereen in Nineve boete doet’, riep de boodschapper van de koning. ‘De koning geeft zelf het voorbeeld: hij vast en doet boete en hij bidt tot God om vergeving. Hij maakt goed wat hij verkeerd heeft gedaan. Als we dat allemaal doen, blijft onze stad misschien gespaard.’ Jona had gedacht dat de Ninevieten zoiets nooit zouden doen, maar hij had zich vergist: overal zag hij mensen die boete deden, die baden, die niets aten of dronken. Hij keek verwonderd om zich heen, maar overal waren mensen die zich bekeerden. Hier en daar riep Jona nog eens luidkeels dat God de stad zou verwoesten, maar het plezier van die eerste dag kreeg hij niet meer terug.
Toen hoorde Jona weer de stem van God. ‘Waarom ben je zo nijdig, Jona?’ vroeg hij. Jona sprong op en schudde zijn vuist. ‘Ik heb alle reden om nijdig te zijn! U zet me voor gek: eerst moet ik overal gaan vertellen dat u de stad zult verwoesten en als het er dan op aankomt, luistert u naar hun gebeden en krijgt u er weer spijt van! Zo kan ik toch geen profeet zijn! En dan laat u tot overmaat van ramp ook nog mijn schaduwboom verdorren!’
‘Maar Jona toch’, lachte God. ‘Wat ben je toch een rare profeet! Als jij je al zo druk maakt om een verdord boompje, mag ik me dan niet druk maken om de grote stad Nineve, waar zoveel mensen wonen, en ook nog zoveel dieren?’
Naar Jona 3-4
Uit: Hosanna! Kinderbijbel met meer dan 150 verhalen (Kolet Janssen, ill. Roel Ottow, Van In, 2013) pag. 117-118.
Denkvraag
Heb jij soms medelijden met wie een straf krijgt? Of heb je er plezier in? Spreek erover met elkaar hoe dat zit.
Doe-tip
Een goede straf helpt iemand verder om het in de toekomst beter te doen.
Bedenk samen een goede straf voor:
- Iemand die voor de 5de keer te laat is.
- Iemand die zijn huistaak thuis vergeten is.
- Iemand die in de klas iets met opzet kapot heeft gemaakt.
- Iemand die iemand anders heeft gepest en uitgelachen.
Gebed
Lieve God,
Jij geeft ons altijd nieuwe kansen.
Soms meer dan wij dat voor elkaar doen.
Leer ons om zo warm van hart te zijn als Jij.
Om begrip te hebben voor wie iets fout heeft gedaan.
Om te beseffen dat we zelf ook fouten maken.
Om onszelf en elkaar altijd nieuwe kansen te geven.
Net zoals Jij.
Amen.