Manna ~ Het visioen van de beenderen
Het verhaal
Abi en Safan kropen nog wat dieper weg achter de brede rug van buurman Efraïm. Ze wilden nog niet naar bed. Het was veel spannender om de verhalen te horen die de mensen aan elkaar vertelden. Meestal gingen die verhalen over vroeger, toen hun volk nog in Jeruzalem woonde en toen de grote tempel nog niet verwoest was door de soldaten uit Babylon. De joden hadden de oorlog verloren en voor straf moesten ze allemaal mee naar Babylon, naar een moerassige plek waar de grote mensen een dorp hadden gebouwd. Nu hadden ze huizen en ook eten, maar toch bleven ze dromen van Jeruzalem.
Ezechiël merkte de kinderen op en keek hen vragend aan. Abi legde een vinger op zijn lippen. Ezechiël knipoogde. Hij schraapte zijn keel. ‘Ik moet jullie iets vertellen’, zei hij tegen de mensen van het dorp. Meteen werd het stil. Het gebeurde wel vaker dat Ezechiël sprak en dat was altijd heel bijzonder. Safan begreep het niet altijd goed, maar haar vader zei dat Ezechiël een profeet was, dat hij uit naam van God sprak.
‘Jullie weten dat God mij soms beelden laat zien’, zei Ezechiël. De mensen knikten. Dat hadden ze nog gehoord. ‘Met die beelden wil hij ons iets duidelijk maken’, zei Ezechiël. ‘Vanmorgen kreeg ik van God beelden die zo echt waren, dat het leek alsof ik er middenin zat. Gods hand tilde mij op en zette mij neer in een groot dal tussen de bergen. Zover ik kon kijken was de grond bedekt met beenderen.’
Safan zoog haar adem in. Wat een akelig beeld! Alle mensen keken Ezechïel gespannen aan.
‘Ik liep van de ene kant naar de andere en overal zag ik botten en schedels, geraamtes en losse beenderen. Het waren er eindeloos veel en ze waren helemaal dor en dood. Het zag eruit alsof er hier ooit, lang geleden, een grote veldslag was doorgegaan en duizenden lijken waren blijven liggen. Ik kreeg de tranen in mijn ogen om al die dode mensen, en om al hun moeders, vrouwen en kinderen en hun verdriet. Toen vroeg God mij: Mensenkind, denk je dat deze beenderen nog tot leven kunnen komen?
Ik antwoordde: God, dat weet u alleen! Toen zei God: Je moet die beenderen toespreken uit mijn naam. Je moet hen zeggen: Dorre beenderen, luister naar het woord van God. Jahwe zal de levensgeest in jullie brengen en jullie weer levend maken. Ik maak pezen en zenuwen aan jullie vast, ik bekleed jullie met vlees en overtrek jullie met huid. Dan geef ik jullie de levensgeest en zo zullen jullie weer tot leven komen. Zo zullen jullie weten en voelen dat ik God ben.’
Ezechiël zweeg even. Hij hoestte, alsof hij het droge stof uit het dal van de beenderen uit zijn keel wilde wegspoelen. Tante Ruth reikte hem een beker water aan. Ezechiël dronk en veegde zijn lippen af met de rug van zijn hand.
‘Wat heb je nog meer gezien, Ezechiël?’ vroeg de oude Natanaël.
Ezechiël keek de mensen voor hem één voor één doordringend aan. ‘Ik begon de beenderen toe te spreken zoals God mij gevraagd had’, ging hij verder. ‘En zodra ik begon te spreken, hoorde ik een gedruis. In het hele dal bewogen de beenderen. Ze schuifelden op hun plaats en voegden zich bijeen tot hele geraamtes. Ik zag hoe er zich pezen aan hechtten en hoe er vlees overheen kwam en hoe alles bedekt werd met huid. Alleen de levensgeest was er nog niet in.
Toen zei God weer tegen mij: Spreek ze toe in mijn naam. Ik roep de levensgeest uit de vier windstreken en blaas hem in deze gesneuvelde mensen. Zo zullen ze weer levend worden.
Ik deed wat God mij vroeg. En de levensgeest drong in hen door. Ze werden weer levend en gingen rechtop staan: een enorme massa mensen. Het hele dal was nu vol levende mensen die lachten en praatten.
Toen zei God: Mensenkind, deze beenderen zijn jullie volk. Jullie denken ook: het is met ons gedaan, wij hebben geen hoop meer. Maar ik zal jullie weer levend maken en jullie laten wonen in jullie eigen land. Dan zullen jullie weten en voelen dat ik, God, doe wat ik zeg en jullie niet in de steek laat.’
Ezechiël zweeg. Het was nu helemaal donker. De mensen waren stil. Abi wreef hard in zijn ogen, die had zeker slaap. Safan niet. Ze wilde dolgraag geloven wat Ezechiël gezegd had: dat ze ooit opnieuw in Jeruzalem zouden wonen.
Naar Ezechiël 37,1-14
Uit: Hosanna! Kinderbijbel met meer dan 150 verhalen (Kolet Janssen, ill. Roel Ottow, Van In, 2013) pag. 93-94.
Denkvraag
Van welke betere wereld dromen mensen vandaag?
Doe-tip
Knutsel met hele en halve wattenstaafjes geraamtes en leg ze op zwart papier. Knip uit wit papier een hoofd en teken er met zwarte stift de ogen, neus en tanden bij.
Gebed
Lieve God,
Soms verliezen we de moed.
Dan zijn we net halfdode mensen,
die nergens meer zin in hebben.
Help ons om te blijven hopen
dat het helpt om samen te werken.
Van elkaar houden is altijd sterker dan elkaar pijn doen.
Dat deed Jezus ook.
En wij horen bij hem en bij Jou,
Amen.