Joas was nijdig. Vorige week was zijn jonge buurvrouw na een korte ziekte gestorven. Haar man bleef achter met drie kleine kinderen. ‘God zal wel weten wat hij doet’, zegden de oude mannen in het dorp. ‘Elke mens krijgt wat hij verdient.’ Buurman boog zijn hoofd nog wat dieper als hij dat hoorde. Twee dagen geleden was het huis van de oude Seraja afgebrand. ‘Misschien wil God hem op de proef stellen’, zegden de oude mannen. ‘Als hij trouw blijft, krijgt hij wel weer een nieuw huis.’ Seraja liep als een slaapwandelaar over de puinhopen van zijn huis. En vanmorgen stonden de oude mannen bij de zieke baby van de timmerman. ‘Als God wil dat hij beter wordt, gebeurt het ook’, zei een van hen. ‘Hij straft nooit zonder reden!’ zei een ander. Joas was woedend. Het was zo’n onzin allemaal. Hij geloofde er niets van. Zijn buurvrouw was een lief mens dat altijd iets had voor de armen. De oude Seraja deed niemand kwaad. En de baby van de timmerman al helemaal niet. Altijd kwamen de mensen met die flauwekul aanzetten. En dan vertelden ze voor de honderdduizendste keer dat stomme verhaal over Job. Dat moest bewijzen dat ze gelijk hadden met hun vreemde kronkels over God en lijden. Joas pakte pen en papyrus. Grimmig begon hij te schrijven. Hij zou eens iets heel anders doen met die oude Job. Wie zijn verhaal las, zou vreemd opkijken!
Het begon zoals vanouds: ‘Er was eens een man die Job heette. Hij had zeven zonen en drie dochters en was de rijkste man van de wereld. Hij geloofde heel sterk in God. Op een dag gooide de duivel het met God op een akkoordje: hij zou Job eens op de rooster leggen, om te kijken hoe groot zijn geloof was. Op één dag tijd verdween de hele rijkdom van Job: al zijn kudden en knechten gingen verloren. En al zijn kinderen werden gedood. Toch bleef Job God trouw. Weer maakte de duivel met God een afspraak om Job nog verder op de proef te stellen: hij mocht Job ziek maken, maar hem niet doden. En Job kreeg overal op zijn lichaam pijnlijke zweren. Zelfs zijn vrouw vond hem een sukkel. Toch bleef hij ook nu trouw aan God en verweet hij hem niets.’
Joas glimlachte. Tot nu toe had hij het verhaal verteld precies zoals iedereen het verwachtte: de brave, slome en vrome Job. Nu moest hij eigenlijk het verhaal afronden met het traditionele slot: hoe God Job beloonde voor zijn trouw, en hem dubbel zo rijk maakte en nog eens zeven zonen en drie dochters schonk. Dat zou hij ook wel opschrijven, ooit. Maar eerst zou hij Job eens uit een ander vaatje laten tappen. Dat was toch niet normaal zoals die man zich gedroeg. Zo vreselijk braaf en geduldig. Nooit eens fel protesteren tegen wat hem allemaal overkwam. Hij, Joas, zou van die Job eens even een personage van vlees en bloed maken!
Schrijf een kaartje of maak een tekening voor iemand die pas iets ergs heeft meegemaakt. Probeer hem of haar te troosten.
Gebed
Lieve God, Soms maken we erge dingen mee: er wordt iemand heel ziek, of iemand gaat dood, of er gebeurt een groot ongeluk. Niemand weet waarom zoiets gebeurt. Het is niet onze fout, het is niet jouw fout. Help ons om samen te blijven als zoiets gebeurt. Om elkaar te troosten en te helpen. Om er te zijn voor elkaar, ook als niets helpt. Amen.