Manna ~ Tobit en Tobias
Het verhaal
Ze reisden verder en een paar dagen later kwamen ze in de stad Ekbatana. Daar vertelden de mensen hen een vreemd verhaal: Sara, een joods meisje en de dochter van Raguel, was al zeven keer getrouwd. Maar in de eerste huwelijksnacht liep het telkens mis: haar kersverse echtgenoot stierf. De mensen zegden dat een kwade demon op haar verliefd was, en haar niet wilde afstaan aan een andere man.
‘Dat arme meisje!’ riep Tobias uit. Hij kon zich al voorstellen hoe anderen met haar zouden spotten: dat ze niet eens in staat was haar man één nacht in leven te houden!
‘Wil je haar leren kennen?’ vroeg Azarias.
Tobias knikte. Ze gingen naar het huis van Raguel en werden daar gastvrij ontvangen. Meteen toen Tobias Sara zag, was hij verloren. Ze was mooi en lief. Die verdrietige trek om haar mond wilde Tobias liefst van al met zijn eigen vingers gladstrijken.
’s Avonds vertelde Tobias aan Azarias hoe hij eraan toe was. ‘Tot over je oren verliefd’, lachte Azarias. ‘Het is geen slecht idee. Sara is een joods meisje en haar vader zal blij zijn met een joodse schoonzoon.’
‘Maar ik ben bang dat ik net als haar andere bruidegoms in de eerste huwelijksnacht zal sterven’, bekende Tobias. ‘En ik ben het enige kind van mijn ouders; dat kan ik hen niet aandoen.’
‘Maak je geen zorgen, Tobias’, zei Azarias, ‘zo’n vaart loopt het allemaal niet. Zo’n kwade demon kun je wegjagen door het hart en de lever van die vis te verbranden. Dan loop je geen gevaar en wordt Sara jouw bruid.’
Azarias wist ook alles. Tobias besloot het erop te wagen, want hij was helemaal weg van Sara. En zij zag ook wel iets in hem, dacht hij. Ze gingen met haar vader en moeder praten, en de zaak werd snel geregeld. Ze sloten een huwelijksovereenkomst. ’s Avonds bracht de moeder Sara naar de bruidskamer. Tobias hoorde hoe ze huilde. Natuurlijk was ze bang dat het weer mis zou gaan. Maar haar moeder troostte haar en zei: ‘God zal je gelukkig maken, na al je verdriet. Wees flink, mijn dochter.’
Tobias ging ook de bruidskamer binnen, toch wel gespannen en zenuwachtig. Hij legde het hart en de lever van de vis op de gloeiende as van de wierookbrander en de rook steeg op. ‘Die jaagt die demon wel op de vlucht’, lachte hij tot Sara. En zo was het ook. Sara en hij baden samen tot God om bescherming en daarna hadden ze elkaar lief als man en vrouw. Nog later vielen ze in elkaars armen in slaap.
’s Morgens was het pas echt feest. Het hele huis was gelukkig. Ze vierden twee weken lang feest. Intussen stuurde Tobias Azarias naar Gabaël te Rages in Medië om het geld van zijn vader Tobit op te halen. Dat deed hij plichtsbewust.
Daarna wilde Tobias zo snel mogelijk terug naar zijn ouders. Hij wist zeker dat ze zich zorgen zouden maken om zijn lange wegblijven. De vader van Sara gaf het jonge paar de helft van zijn bezit mee.
Toen ze in de buurt van Nineve kwamen, stelde Azarias voor: ‘Tobias, jij en ik kunnen beter voorop reizen. Misschien kunnen we met de gal van de vis de blindheid van je vader genezen. Dan kan hij je bruid zien zodra ze aankomt!’ Sara en Tobias vonden het een goed idee. Dus reisden Azarias en Tobias voorop, op de voet gevolgd door de trouwe hond Aziza. Anna zag hen aankomen. Ze verwittigde Tobit en rende hen tegemoet. Toen klemde ze Tobias zo hard vast dat hij bijna stikte, zo blij was ze. Tobit zocht intussen zijn weg naar de deur, met zijn handen voor zich uit.
‘Vader,’ zei Tobias, ‘ik heb iets meegebracht om je ogen te genezen.’ Hij smeerde de gal op zijn ogen. Toen zijn ogen begonnen te steken, wreef Tobit ze uit en de witte vlekken vielen als vliesjes uit zijn ooghoeken. Hij kon weer zien.
Huilend viel hij Tobias om de hals. ‘God is gezegend, omdat ik jou mag zien’, zei hij. Toen vertelde Tobias alles wat er onderweg gebeurd was. Daarop rende Tobit naar de stadspoort om Sara te verwelkomen. En alweer vierden ze een hele week feest.
Toen wilde Tobit Azarias extra betalen en bedanken, omdat hij zo goed voor Tobias gezorgd had. Maar Azarias glimlachte: ‘God was heel de tijd dichtbij jou en dichtbij je zoon. Mijn naam is niet Azarias, maar Rafael. Ik ben een engel van God. In zijn opdracht heb ik jullie naar het geluk gevoerd.’
Tobit en Tobias waren sprakeloos. Was Tobias heel die tijd met een engel op stap geweest? Hij had zich al verwonderd over zoveel wijsheid en liefde. Nu begreep hij het.
Ze dankten God voor al het geluk dat hen overkomen was. En dat zouden ze hun hele verdere leven blijven doen.
Naar Tobit
Uit: Hosanna! Kinderbijbel met meer dan 150 verhalen (Kolet Janssen, ill. Roel Ottow, Van In, 2013) pag. 123-125.
Denkvraag
Wat is er allemaal vreemd en wonderlijk in dit verhaal? Kun je God ook op een andere manier aan het werk zien in je leven?
Doe-tip
Brand net als Tobias een stokje wierook. Doe je ogen dicht en bid tot God over iets dat je nauw aan het hart ligt.
Gebed
Lieve God,
Wij zien jou niet in grote wonderen elke dag.
Maar in de kleine, lieve dingen
die we elke dag ervaren
of die we zelf voor iemand doen.
Zo geven mensen Jou handen en voeten:
door voor elkaar zo goed te zijn als Jij.
Help Je ons daarbij?
Amen.