Weerloos in de handen van de mensen – Julie Hendrickx Devos [column]
Ik moet een jaar of veertien geweest zijn toen ik met mijn ouders, in de Sint Jan De Doperkerk in Leuven, tijdens de paasnachtviering voor het eerst het lied Groter dan ons hart van Huub Oosterhuis hoorde weerklinken. Van kleins af aan wel gevoelig geweest voor poëtische teksten, viel de opbouw van dit lied mij op. En toen die ene frase: Voor hen die weerloos zijn in de handen van de mensen.
Ho! Stop. Voor hen die weerloos zijn in de handen van de mensen? Wat betekent weerloos zijn in de handen van de mensen? Je kunt je voorstellen hoe ik geen benul en nog minder referentiekaders had, want ik was grootgebracht met een mond om te praten, een mening mocht (beleefd) geuit worden, alles was bespreekbaar. Wie o wie zou nu zodanig weerloos kunnen zijn? Maar toch: ik liet het gaan. Wellicht was het te koud in die reusachtige kerk en verlangde ik stiekem naar mijn bed. De volgende ochtend was het Pasen en het lied was in de plooien van de nacht verdwenen uit mijn hoofd.
Daar, in die stoffige stad, temidden het chaotische verkeer met toeters en bellen, veranderde mijn leven voorgoed.
India, twee jaar later. In het gezelschap van mijn adoptieouders, broer en zus en ook tante Jeanne (Devos), die als missiezuster al sinds 1963 in India woonde en werkte, beleefden wij als prille tieners onze eerste reis door ons geboorteland. We hadden ogen te kort in die nieuwe, onbekende wereld en vergaapten ons vanuit een taxi aan alle taferelen van de miljoenenstad Mumbai. Ik herinner me levendig dat tante Jeanne plots zei: ‘Op het volgende kruispunt moet je eens goed rondkijken.’
Inderdaad, daar gekomen viel ons iets op. We hadden al veel bedelaars gezien, maar hier waren alle bedelaars jonge kinderen. Meer nog: alle kinderen waren gehandicapt: eentje miste een arm, een ander kind een been, een voet, twee voeten, twee benen, ... Dus wij drieën in koor: 'Tante Jeanne! Hoe kan dit! Alle kindjes gehandicapt!’
‘Neen’, zei ze zacht, ’niet gehandicapt. Verminkt. Ze worden verminkt door de bedelaarsbende van dit kruispunt. Zo zien ze er zieliger uit en geven de toeristen meer geld als ze bedelen. Deze kinderen komen van het platteland en hebben ooit een trein genomen naar de stad in de hoop op een beter leven. Zonder hun ouders hier vallen ten prooi aan de bendes die hen dan gruwelijk verminken.’
‘Totaal weerloos, voegde mijn vader eraan toe.’
Daar en toen lichtte Oosterhuis weer op. ‘Weerloos in de handen van de mensen’ speelde zich recht voor mijn ogen af in de gedaante van kleine kinderen, levenslang verminkt. Daar, in die stoffige stad, temidden het chaotische verkeer met toeters en bellen, kleurrijke riksja’s, koeien, bussen, vrouwen in sari’s, smeulende vuurtjes, voedselkramen en stalletjes met T-shirts en speelgoed, dáár veranderde mijn leven voorgoed. Dat er mensen bestaan die weerloos zijn in de handen van hun medemens, had ik tot dan niet begrepen maar heb ik sindsdien nooit meer verdragen. Dat ik mijn latere leven op één of andere manier zo zou leiden dat ik die zin onmogelijk kon vergeten, heb ik als zestienjarige daar, in die taxi beslist. En zo geschiedde.
• Julie Hendrickx Devos is algemeen voorzitter van beweging.net.




