Geschiedenis van het Grootseminarie en het Sint-Baafshuis in Gent
Van Duivelsteen tot Sint-Baafshuis
In de oude romeinse liturgie werd bij de ingebruikname van een religieus gebouw, een kerk, een kapel de hymne gezongen: “ Terribilis est locus iste”…. 'Deze plaats, deze locatie is overweldigend'.
Ik denk dat dit het minste is wat wij van dit Sint-Baafshuis kunnen zeggen, niet enkel omwille van de bouwkundige en artistieke kwaliteiten en omwille van de wijze waarop het gerenoveerd en gerestaureerd werd, maar ook omwille van de rijke geschiedenis die het vertelt van bij de verste oorsprong van onze stad.
Wij bevinden ons hier inderdaad binnen de omwalling van de eerste kern van Gent, binnen de Portus aan de Reep. Wij zitten dan in de 9de-10de eeuw waarvan het Geraard de Duivelsteen en de verre voorloper van onze huidige kathedraal, de Sint-Jan de Doperkerk, stille getuigen zijn. Bij een latere uitbreiding van onze stad en op basis van wetenschappelijk en archeologisch onderzoek weten wij dat hier, op de plaats van het huidige Forum van het Sint-Baafshuis, zich in de middeleeuwen een wapenarsenaal van de stad bevond.
Oprichting van een seminarie in Gent
De crisis die de Kerk doormaakte in de 16de eeuw door de opkomst van de Hervormingsbewegingen, waarbij schrijnende mistoestanden in de Kerk aan de kaak werden gesteld, leidde tot het Concilie van Trente. Daar werd beslist bij decreet van de paus “Adolescentium aetas” van 15 juli 1563 om een degelijke vorming te geven aan de clerus en dat elk bisdom, in de mate van het mogelijke, een “seminarie“ zou oprichten, onder de bevoegdheid van de bisschop en met als specifieke opdracht de clerus een theologische, pastorale en spirituele vorming mee te geven.
Het bisdom Gent, opgericht in 1559, kreeg als eerste bisschop de Leuvense theologieprofessor Corneel Janssen, maar het duurde tot 8 september 1568 voor de man plechtig zijn intrede kon doen in zijn bis-chopsstad. Onmiddellijk vatte hij het plan op om een seminarie op te richten volgens de richtlijnen van het Concilie van Trente.
Daarbij liet de bisschop zijn oog vallen op het Sint-Hiëronymushuis en de Sint-Hiëronymusschool, de enige goed georganiseerde school in Gent op dat ogenblik en in handen van de clerus, gerund door Broeders van het Gemene Leven en gehuisvest in het Geraard de Duivelsteen en de aanpalende gebou-wen. Dat is het huidige blok gevormd door Duivelsteen en de voormalige Nationale Bank, nu Hogeschool Gent. Aan de instelling was een befaamd scriptorium verbonden, gespecialiseerd in het maken van verluchte handschriften, meteen ook een bron van inkomsten voor de gemeenschap. Na een grote bloeiperiode in 15de en begin 16de eeuw kwam de instelling in problemen, ook op financieel vlak. Daar was de opkomst van de boekdrukkunst zeker niet vreemd aan. De beeldenstorm van 1566 deed de rest.
Bisschop Jansenius nam kennis van deze alarmerende situatie en op 26 augustus 1569 werd het Sint-Hiëronymushuis door de laatste fraters overgedragen aan de bisschop om er zijn seminarie in onder te brengen. Ook alle nog resterende roerende en onroerende goederen werden eigendom van het seminarie en daarbij ook de boeken en handschriften van de broedergemeenschap. Zo werd meteen ook de basis gelegd van de seminariebibliotheek waar wij nu nog steeds trots op zijn.
Om de uitbouw en de leefbaarheid van zijn seminarie financieel haalbaar te maken deed bisschop Jansenius een beroep op de seculiere en reguliere clerus van zijn bisdom en op de religieuze gemeenschappen, terwijl kapitaalkrachtige diocesanen hun duitje in de zak deden via schenkingen en legaten.
Jansenius stierf in mei 1576. Het opbouwend werk van de ijverige bisschop om zijn seminarie te organiseren dreigde kort nadien, tijdens de Calvinistische terreur in Gent van 1578 tot 1584, verloren te gaan. Gent verkeerde immers vanaf augustus 1576 in oorlogsstemming met een beleg van Gent door de troepen van de Noordelijke Staten en de machtsgreep in oktober 1587 van de kopstukken van de Gentse hervormingsgezinden, Frans van de Ketulle en Jan van Hembyze. Meteen kwam er een einde aan een tijd van rust ten gevolge van de Pacificatie van Gent (8 november 1576). Een tweede, ditmaal systematische beeldenstorm werd ingezet. Gezien het feit dat Gent sinds juli 1578 officieel een calvinistische stad was, beijverden de nieuwe machthebbers zich om een nieuw Genève uit te bouwen in onze stad en alle sporen van de katholieke reformatie te doen verdwijnen. Het pas opgerichte bisdom Gent werd opgeheven en op 1 juli 1578 trokken de nieuwe bestuurders naar het seminarie om er in naam van het nieuwe bestuur de leer van Calvijn op te leggen en het eigendomsrecht en het bestuur van alle seminariegoederen over te nemen. Interne twisten tussen de nieuwe bestuurders verzwakten de machtspositie van het calvinistische bestuur en maakten het mogelijk dat op 12 september 1584 Gent heroverd werd door de troepen van Farnese en het Spaans bestuur werd hersteld.
Gent was een spookstad geworden, totaal ontvolkt, geruïneerde handel en nijverheid en geplunderde kerken en kloosters.
Nieuwe start na de moeilijke periode van beeldenstorm en godsdienstoorlogen
Vanaf 1585 vinden wij opnieuw sporen van de heropstart van het bisschoppelijk seminarie en vinden wij in het archief van het bisdom en het seminarie vermeldingen van seminaristen en inspanningen van het Sint-Baafskapittel om, in een periode waarin er geen bisschop was, de priesteropleiding opnieuw vaste vorm te geven. Echt herstel kwam er maar bij de benoeming van Willem Lindanus tot bisschop van Gent. Eerder was hij reeds een van de grote promotoren geweest van een degelijke priesteropleiding zoals door het Concilie van Trente bepaald. In Gent zou hij de daad bij het woord voegen. Zijn onverwachte dood op 2 november 1588, drie maanden na zijn installatie, betekende een nieuwe vertraging. Zijn naam blijft evenwel met ons seminarie verbonden niet het minst ook omdat hij een groot deel van zijn persoonlijke bibliotheek aan zijn seminarie naliet, boeken die zijn handtekening dragen en die hier gekoesterd worden. Zonder enige overdrijving kunnen wij stellen dat hij de basis heeft gelegd voor onze unieke collectie.
Over de daaropvolgende periode onder bisschop Damant, 1590-1609, is weinig geweten. Het lijkt er op dat het vooral het Sint-Baafskapittel was dat zich om het reilen en zeilen van het seminarie bekommerde en de vraag kan worden gesteld of de opleiding zich niet beperkte tot die van een soort “Latijnse School”, hoewel andere historische bronnen dan toch weer melding maken van theologisch onderwijs. Vanaf 1607 is evenwel een duidelijke kentering waarneembaar en vanaf die datum zetten de bisschoppen Karel Maes (1610-1612) en Hendrik van der Burch (1613-1616) zich echt in om een degelijke priesteropleiding in hun seminarie te organiseren en werden de jezuïeten van de Gentse kloostergemeenschap zeer intens bij de opleiding van de priesters betrokken.
Een nieuwe visie van bisschop Triest
Op 22 maart 1622 werd Antoon Triest tot bisschop van Gent aangesteld. Meteen vatte hij het plan op om op korte termijn in zijn bisdom een aantal grondige hervormingen door te voeren. Daarbij kwam ook de organisatie van het seminarie op zijn werktafel en het was zijn bedoeling het hele seminariesysteem van zijn bisdom te veranderen. Het theologicum in het seminarie werd zonder meer opgeheven en in het seminariegebouw zelf zouden voortaan een twintigtal knapen onderhouden worden die er hun humanioraopleiding zouden krijgen en tegelijkertijd zouden instaan voor het verzorgen van de dagelijkse liturgische diensten in de kathedraal. Met de resterende inkomsten van het seminarie zou hij een aantal theologanten naar universiteiten sturen om daar op universitair niveau theologie te studeren voor hij hen in de parochiepastoraal van zijn bisdom zou inschakelen. De ruïneuze gebouwen van het Duivelsteen en de aanpalende gebouwen wenste hij te verkopen aan de stad die daar een armenschool zou in onder brengen en voor zijn “seminarie” zou hij een kleiner gebouw optrekken in de buurt van de kathedraal. Een en ander had wel te maken met de jansenistische sympathieën van Triest die om die reden de opleiding van zijn priesters uit handen wilde nemen van de jezuïeten, kampioenen in de strijd tegen het jansenisme.
Triest deed evenwel beroep op de jezuïet Pieter Huyssens om zijn nieuw seminariegebouw te ontwerpen. De bisschop had laten berekenen wat het zou kosten om de oude gebouwen te renoveren en oordeelde dat de enorme som die nodig was om de veel te groot geworden gebouwen te herstellen, beter gebruikt kon worden om een nieuw en kleiner seminarie te bouwen. Op 21 juli 1623 werd de verkoopakte tussen bisdom en kapittel enerzijds en de stad Gent anderzijds, ondertekend voor de prijs van 26.000 gulden. Intussen had Triest in de nabijheid van zijn kathedraal een geschikte locatie gevonden voor de nieuwe gebouwen, met name het ”engienhuys”, ten noorden van de kathedraal, het voormalige stedelijke kruitarsenaal van de stad Gent dat in 1540, na de onderwerping en de ontmanteling van het opstandige Gent, door Keizer Karel geschonken werd aan het Sint-Baafskapittel dat de plannen om er een ‘choraalhuis’ van te maken nooit realiseerde. Omdat dit gebouw evenwel niet volstond voor het nieuwe seminarie kocht de bisschop ook nog het aanpalende huis in de Gelukstraat (Biezekapelstraat), eigendom van jonkheer Frederik Nieulant.
Pieter Huyssens kreeg de opdracht om daar een nieuw seminarie te ontwerpen. Daarbij werd een deel van de oude gebouwen bewaard, andere werden gesloopt om plaats te maken voor wat wij nu hebben in de Biezekapelstraat. Op 21 september 1624 staken de werklieden de “mei” op het dak, op 27 maart 1625 was het gebouw instapklaar als convict voor de humaniorastudenten zoals hoger gezegd, maar duidelijk in voorbereiding op het priesterschap en met strenge selectienormen voor de kandidaten.
De theologanten stuurde Triest vanaf 1622 naar de universiteit, vooral naar Douai, anderen naar Leuven.
Opnieuw een volledige priesteropleiding in Gent
Dit dubbele vormingssysteem met een kleinseminarie in Gent en theologanten aan de universiteit zou in het bisdom Gent van kracht blijven tot 1678, toen bisschop van Hoorebeke zijn eigen theologicum in Gent herstelde. Zijn opvolger de Hornes gaf vanaf 1681 vaste vorm aan dit initiatief: hij eiste dat de kandidaat-priesters voortaan een geruime tijd in het bisschoppelijk seminarie verbleven, waardoor universitaire studies werden ontmoedigd. Bij decreet regelde hij de vorming tot in de details. Zijn hoofdbekommernis was zijn priesters niet langer te confronteren met de universitaire discussie rond het jansenisme. Tegelijkertijd wilde hij een strenge selectie doorvoeren tussen de vele kandidaten die zich voor het priesterschap aanboden. Philippe Erard van der Noot, opvolger van de Hornes, trok dezelfde lijn door en legde nog meer de nadruk op het bestrijden van het jansenisme, schakelde daartoe opnieuw de jezuïeten in voor de vorming en vertrouwde de leiding van het seminarie toe aan zijn neef Maximiliaan van der Noot wiens eerste taak er in bestond een seminariekapel te bouwen. Eens zelf bisschop in 1742 zette Maximiliaan het werk van zijn oom verder en werd hij de initiatiefnemer van de nieuwe gebouwen die werden opgetrokken vanaf 1750 naar de plannen van bouwmeester ’t Kindt.
Toen in 1783 de jezuïetenorde werd opgeheven door Rome, vormde de openbare verkoop van de jezuietenbibliotheken een buitenkans om een volwaardige seminariebibliotheek uit te bouwen. Bisschop van Eersel legateerde in 1778 zijn rijke boekenverzameling aan zijn seminarie en bij de veiling van de jezuïetenbibliotheken kon de seminariebibliotheek met steun van de regering de collectie verrijken met heel wat waardevolle werken.
Van Eersel vatte eveneens het plan op om de afgestudeerde seminaristen in afwachting van een benoeming te huisvesten in het voormalige jezuïetencollege van Gent (Voldersstraat) en dit gebouw in te richten tot pastoraal vormingscentrum waar jonge priesters een bijkomende spirituele en pastorale opleiding zouden krijgen. Intussen konden ze ook inspringen om oude en zieke of afwezige priesters te vervangen. Oude priesters zouden in hetzelfde gebouw op rust kunnen gaan.
Het opzet was veelbetekenend: in de tweede helft van de 18de eeuw kampte het bisdom Gent met een priesteroverschot en het duurde soms jaren eer een nieuwgewijde een passende functie kreeg.
Heel dit plan werd afgewezen door de Oostenrijke bewindvoerders te Brussel.
Wat het einde had kunnen zijn
Op 4 juli 1794 vielen de Franse troepen Gent binnen. De president Dietterich was al gevlucht naar Duitsland en na hem verlieten ook de professoren en seminaristen het gebouw. Van Hemme bleef alleen achter. Professoren en seminaristen keerden in mei 1795 terug, maar kregen begin 1798 van het Direc-toire het bevel de gebouwen te ontruimen. Reeds tevoren had Van Hemme, feitelijk bestuurder van het seminarie, het archief, de bibliotheek en andere kostbaarheden in veiligheid gebracht: de bibliotheek in het gewezen klooster Sint-Barbara in de Savaanstraat en in het Rijke Gasthuis in de Hoogstraat en bij een zekere Velleman, timmerman, wellicht verwant aan de seminarieprofessoren met dezelfde naam; het archief bij kuiper Casier en weduwe Broezom, verder onbekend. Om te ontkomen aan deportatie doken de professoren onder. Meer dan vier jaar bleef het seminarie gesloten en werden alle gebouwen en alle goederen van het seminarie aangeslagen als nationaal bezit. In 1798 werd het seminariegebouw te koop gesteld, verdeeld in verschillende loten. J. Herman, koper van drie loten betaalde evenwel nooit voor de goederen die hij kocht en die bleven dus eigendom van de Franse staat en werden in gebruik genomen als atelier voor legerkledij; een ander deel werd eigendom van de familie De Nayer.
Het seminarie in de concordataire tijd
Intussen was oud-seminarieprofessor J.F. Velleman, pastoor van Merendree, na het Concordaat in 1801 begonnen met in zijn pastorie in Merendree theologieonderricht te geven aan enkele seminaristen en Van Hemme deed hetzelfde in een gebouw van het voormalige Rijke Gasthuis, zodat er vrij vlug 40 seminaristen waren. Toen de concordataire bisschop Etienne Fallot de Beaumont in Gent op 10 juni 1802 bezit nam van zijn bisschopszetel, erkende hij dit seminarie als zijn bisschoppelijk seminarie. Op 5 november 1804 namen seminaristen en professoren opnieuw hun intrek in de oude seminariegebouwen, hen teruggeschonken door Napoleon. Ze waren namelijk nog niet verkocht en dus nog in bezit van de Franse staat. Het deel dat eigendom werd van de familie de Nayer (huidige Biezekapelstraat 4) werd in 1839 teruggekocht. Ernstige restauratie- en aanpassingswerken drongen zich op, de kas van het seminarie was leeg en alle onroerende goederen die tot voor kort een bron van inkomsten waren, waren vervreemd.
De Napoleontische wetgeving voorzag dat het Scheldedepartement (voorloper van het provinciebestuur) moest bijspringen in de onderhouds- en werkingskosten, wat aanvankelijk niet meteen vlot verliep.
Op 27 juli 1813 liet de prefect van het Scheldedepartement het seminarie sluiten om het verzet van de seminaristen en de seminarieoverheid tegen de door Napoleon benoemde bisschop de la Brue als vervanger van de gevangen genomen de Broglie, te breken. De seminaristen werden gelaïciseerd en ingelijfd in het leger en naar Wezel of Parijs gestuurd. Drieënveertig van hen overleden daar of op reis. Intussen werd door de la Brue in Gent een schijnseminarie ingericht, dat evenwel zo goed als geen bijval kende.
In mei 1814, na de val van Napoleon, werd het seminarie hersteld en keerden bisschop de Broglie en de seminaristen terug.
Van 1825 tot 1830 kwamen in het seminarie geen nieuwe seminaristen binnen, door het optreden van koning Willem I die eiste dat de kandidaten eerst filosofie zouden studeren aan het door hem opgerichte Filosofisch College in Leuven.
Naar een hernieuwde bloei
Met de Belgische onafhankelijkheid herbegon de normale gang van zaken. In 1833 verwierf de seminariebibliotheek op de veiling van Jan Frans Vandevelde, oud-professor van de Leuvense Universiteit en bibliothecaris en archivaris van deze instelling, een aanzienlijk deel van de bibliotheek van deze man, zijn persoonlijk rijk gevuld archief en een belangrijk deel van het archief van de Oude Universiteit van Leuven.
In de loop van de 19de eeuw werden de gebouwen gerenoveerd en aangepast. Er werd een nieuwe kapel gebouwd met een nieuw orgel en een nieuwe hoekvleugel aan de Kapittelstraat. Maar het gebouw voldeed niet aan de wensen: er was geen aangepaste verwarming, te kleine binnenkoer voor het groot aantal seminaristen, onvoldoende aangepaast aan de normen inzake hygiëne. Bisschop Stillemans kaartte dit aan bij de provinciegouverneur. Er werd een commissie opgericht die vanaf 1903 zocht naar mogelijke oplossingen rekening houdend met de wettelijke bepalingen. Provinciaal architect Mortier legde een ambitieus plan op tafel: de bestaande seminariegebouwen uitbreiden door een deel van het huizenblok tussen Nederpolder, Kapittelstraat en Hoofdkerkstraat in te nemen, een nieuwe straat aan te leggen die in een boog van de Kwaadham langs het nieuwe seminarie door de tuin van het bisschopshuis tot aan het Geraard de Duivelsteen loopt, het bisschopshuis afbreken en zo de kathedraal volledig ontmantelen. Maar de hoge kost die dat met zich mee zou brengen deed dit project belanden in de papiermand. De bisschop wilde een seminarie in de onmiddellijke nabijheid van de kathedraal, wat verhuis naar de rand van de stad uitsloot. Na veel discussie kwam men uiteindelijk bij het huizenblok tussen Nederscheldestraat, Lange Boomgaardstraat en Winkelstraat, 9460 m2 waar 4800 m2 kon bebouwd worden met ruimte voor 200 seminaristen elk met twee kamers, professoren, personeel, bibliotheek en auditoria. En daaraan gekoppeld de verhuis van het bisschopshuis naar het oude seminarie, de afbraak van het bisschophuis en het vrij maken van de koorzijde van de kathedraal.
Verhuizen naar de Reep
In 1914 is dit immense gebouw klaar. De eersten die het betrekken zijn de Duitse troepen die er de Hohenzollernkazerne van maken, “den hooizolder” in de Gentse volksmond. Van 1918 tot 1925 wordt het de Albertkazerne van het Belgische leger en op 6 november 1925 wordt tussen het Besturend Bureau van het Seminarie en het Provinciebestuur van Oost-Vlaanderen een overeenkomst getekend waarbij het seminarie de gebouwen ter beschikking stelt vanaf 1 januari 1926, hoewel noch bisschop Seghers, noch seminariepresident De Baets dit plan genegen zijn. Zij blijven liever in het oude seminarie, willen dit renoveren en opperen de mogelijkheid om het nieuwe seminarie in gebruik te nemen als Rijkswachtkazerne. Maar de verhuis gaat door. In de Goede Week van 1926 wordt met de hulp van de seminaristen hebben en houden van oud naar nieuw seminarie overgebracht. Enige dagen eerder breekt brand uit in het Gentse Justitiepaleis en in de stad circuleren geruchten dat een deel van het nieuwe seminarie zal opgeëist worden als justitiepaleis. Er komt zelfs een commissie ter plaatse kijken. Maar ook dit plan gaat niet door.
De oude seminariegebouwen worden voor 99 jaar door het Besturend Bureau van het seminarie in erfpacht gegeven aan de Zusters van Liefde die er een basisschool met internaat, ‘Klein Bavo’, in vestigen.
Tijdens de tweede wereldoorlog worden de gebouwen aan de Reep voor een groot deel door de Duitse bezetter opgeëist.
Naar het Sint-Baafshuis
Het dalend aantal priesterroepingen vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw had voor gevolg dat grote delen van het seminariegebouw aan de Reep leeg stonden. Omstreeks 1970 vestigde de Provinciale Tolkenschool zich in een aantal vleugels en vonden ook enkele diensten van het bisdom er onderdak. In overleg tussen provinciebestuur en bisdom werd uiteindelijk in 2001 beslist dat het seminarie de gebouwen aan de Reep zou verlaten om ze vrij te maken voor de Vlerickhogeschool en dat de gebouwen van het oude seminarie ‘Klein-Bavo’, die vrij kwamen door het vertrek van de basisschool, opnieuw door het Besturend bureel in gebruik zouden genomen worden als locatie voor de opleiding van de bedienaren van de eredienst en huisvesting voor de diensten van het bisdom Gent die verspreid zijn over de stad. In de overeenkomst wordt ook duidelijk bepaald dat de waardevolle seminariebibliotheek in dit gebouw onderdak moet krijgen.
Als compensatie voor het verlaten van de gebouwen aan de Reep engageert het provinciebestuur zich om gedurende 27 jaar financieel tussen te komen, om de kosten voor restauratie en renovatie van wat voortaan het Sint-Baafshuis heet, te financieren, aangevuld door restauratiepremies van de Vlaamse Overheid, eigen middelen van het Besturend Bureel en hulp van een religieuze gemeenschap voor wat de inrichting van de bibliotheek betreft.
Op 9 september 2015 kon een eerste gedeelte in gebruik genomen worden. Daarna startte de renovatie van de rest van het gebouw en kwam er een nieuw poortgebouw. De binnenkoer werd mooi heraangelegd en is overdag vrij toegankelijk voor het publiek.
Het is een idyllische en stille publieke plek geworden in het hart van de stad en onder de toren van de kathedraal.
Eind september 2023 namen de verschillende diocesane diensten en enkele andere hun intrek in wat oorspronkelijk de kamers van de seminaristen waren.
Daar staan we nu…
Wat mij bij heel deze geschiedenis opvalt zijn drie constanten in de 500 jaar geschiedenis van het Bisschoppelijk seminarie van Gent:
1. De steeds weerkerende zorg voor een degelijke opleiding voor de bedienaren van de eredienst, een degelijke theologische, pastorale en spirituele vorming die noodzakelijk is om pastores te hebben die goed werk verrichten en zelf gelukkig zijn in hun werk en er voldoening in vinden. Daarom kwamen er van bij het begin bekwame seminarieverantwoordelijken en seminarieprofessoren. Die kwaliteitsvolle vorming is er ook vandaag in het Hoger Diocesaan Godsdienstinstituut dat hier onderdak heeft en bij de medewerkers van CCV.
2. Een goede vorming van priesters, diakens, godsdienstleerkrachten, pastorale werkers en geïnteresseerden moet vertrekken van een ruime kijk op de actuele wereld, maar met een bijbelse en evangelische basis en toch ook weer met belangstelling voor geschiedenis, kunst, wetenschap en cultuur, voor actualiteit, wijsgerig denken en open naar de wereldproblemen. Onze bibliotheek, zowel de historische collectie als de blijvende zorg die besteed wordt om actuele publicaties ter beschikking te stellen, is het bewijs van de constante aandacht die daaraan sedert 500 jaar wordt besteed. Vandaar een grote zorg om ook vandaag de bibliotheek hier een volwaardige plaats te geven met daaraan gekoppeld het catechetisch documentatiecentrum.
3. Tenslotte is er de steeds weerkerende zorg om het materiële: goede gebouwen, aangepast aan de tijd en de daaraan gekoppelde zorg en inspanningen om dat alles te realiseren en betaald te krijgen.
Vandaar ook een Besturend Bureel dat rekening houdt met de wettelijke bepalingen en mogelijkheden met de medewerking van alle diensten van het bisdom die hier onderdak vinden of te gast zijn om dit kroonjuweel van ons bisdom zo efficiënt mogelijk te willen beheren en ontsluiten.
Ludo COLLIN
Gent, 1 maart 2024
Ludo Collin is onder meer:
lid van het Besturend Bureel van het Bisschoppelijk Seminarie
en archivaris van het bisdom