Theoloog Jan Loffeld: ‘De mens stelt zich andere vragen dan vijftig jaar geleden’
In Als er niets ontbreekt waar God ontbreekt analyseert Jan Loffeld op een genadeloos eerlijke manier de huidige uitdagingen voor de kerkelijke pastoraal en schetst hij de perspectieven voor een toekomstig christendom. Op het kerkelijk festival Amen. En nu (29-31 mei in Antwerpen) is hij een van de hoofdsprekers.
Hoe wordt een Duitse theoloog en priester van het bisdom Münster docent in Utrecht?
‘Toevallig. Ik wilde eigenlijk gewoon parochiepriester worden – wat ik overigens in het weekend in mijn thuisbisdom wel degelijk ben. Ik was in Münster assistent-professor en studentenpastoor. Met 50.000 studenten lijkt Münster wat op Utrecht. Ik heb voor mijn promotie en habilitatie (wetenschappelijke graad, nvdr) gekozen voor pastoraaltheologie, omdat ik altijd met pastoraal bezig ben geweest. En daar gaat mijn boek ook over. Het was het bestverkochte theologische boek in Duitsland en Tsjechië van 2024 en 2025. De mooiste feedback kwam uit parochies en speciaal van pastoors. Dit had ik niet verwacht. Maar blijkbaar vinden mensen de beschreven dilemma’s terug in wat ze beleven…’
Maken wij in West-Europa met de ontkerkelijking allen hetzelfde mee?
‘Münster is het grootste bisdom van Duitsland, maar er zijn geen priesterwijdingen meer. Dat zegt veel. De thesis van het boek sluit daarbij aan: transcendentie blijft een extra keuze, maar niet voor de massa. Hoe dichter men in de levenskeuze bij transcendentie komt, hoe moeilijker het valt. In het katholieke geloof kunnen mensen nog steeds hun identiteit vinden op een vrije en tolerante manier. Maar er is een verschil met het identitaire, waarbij men een keuze maakt en de ander ongelijk heeft. Deemoedig zelfbewustzijn, daar gaat het om. Je bent trots op wat je bent; het is mijn eigen keuze, maar het is niet aan iedereen op te dringen. Ik studeerde in Erfurt, de voormalige DDR, waar katholieken een minderheid zijn, maar tegelijk trots zijn. We bieden het geloof niet buiten de wereld aan. Vaticanum II benadrukte dat, maar was misschien wat te optimistisch over de wereld? Tomáš Halík zegt dat Vaticanum II de Kerk met de moderniteit wilde verzoenen, maar dat de moderniteit toen al voorbij was.’
Een terugkeer naar God is mogelijk voor degenen die ernaar zoeken
Welke pastorale strategie kan dan nog lukken?
‘Ik wil geen nieuwe strategie aanreiken, want dat is in tegenspraak met wat ik vaststel in de eerste hoofdstukken van mijn boeken. Alsof de volkskerk terugkomt en de volwassenendopen daarvan het teken zijn. Nee, het komt niet terug. Het gaat om een disruptie, we maken een ingrijpende breuk mee, een diepe en ernstige overgang. Maar er daagt iets anders, wat ik het anatheïsme noem. Het is een term van de Ierse filosoof Richard Kearney om weer te geven dat een terugkeer naar God mogelijk is voor degenen die ernaar zoeken.’
Maar wat dan met de parochie?
Dat is een belangrijke vraag voor de Kerk. Laatst vroegen Duitse katholieke media me hoe het onthaal van nieuwkomers kan gebeuren in de parochie. Zestig procent van de Duitse katholieken blijkt zich betrokken te voelen bij hun parochie – méér dan bij de wereldkerk of het bisdom – ook al komen ze er zelden. Zeventig procent zegt de pastoor te kennen. Dat toont aan dat betrokkenheid een belangrijk element blijft. Ik noem het ‘Heimat im stand-by’. Men weet waar men toe behoort. Als mensen – zowel in Duitsland als in België – spreken over de Kerk, hebben ze het ook over de plaatselijke gemeenschap en de mensen die daar actief zijn. Ze kennen het adres! Als er een kerkgebouw gesloten wordt of afgebroken, dan wordt er iets weggenomen. Ik ga er misschien nooit naartoe, maar ik wil niet dat het verdwijnt.’
U stelt dat onze cultuur niet zozeer door atheïsme, maar steeds meer door het apatheïsme wordt gekenmerkt? Wat bedoelt u daarmee?
‘De term is niet van mij, maar van de filosoof Robert Nash, en overgenomen door Tomáš Halík. Sinds Vaticanum II - met het document Gaudium et Spes – veronderstelde men dat er vragen leven: de vraag naar zichzelf, de vraag naar hoop, naar waarom wij op aarde zijn, naar het leven na de dood. Nu zien we dat de vraag is hoe de toekomst eruitziet, hoe ik om kan gaan met mijn lichaam, met mijn relatie, met geslacht en gender, met het milieu. Hoe weet ik mij verzoend met mijn eigen leven? Verzoeningsvragen gaan dus vandaag ook over het aantal kilometers dat ik gevlogen heb. Dat zijn geen religieuze vragen, en dat hebben we al te vaak verondersteld. Wat ik dus wil, is pastoraal bestuderen vanuit dat begrip apatheïsme: de religieuze onverschilligheid. De mens stelt zich nog wel vragen, maar heel andere dan vijftig jaar geleden. Mensen laten zich ook niet leiden door religieuze vragen. Apatheïsme houdt in dat de religieuze vragen verdwenen zijn. Theologie gaat nog te veel uit van de grote vragen. Er speelde zich een revolutie af, het aloude zondebesef van vroeger werd in de jaren 1960 vervangen door een vraagparadigma. Mensen zouden een religieuze vraag hebben. Bibliotheken zijn erover volgeschreven, maar vandaag zijn er nauwelijks nog studenten theologie, als ze er zijn, hebben ze vaak – zoals in Nederland te zien is – een persoonlijke ervaring opgedaan. In de theologie probeerde men steeds antwoorden te formuleren op een manier die acceptabel kon zijn. Velen waren gefocust op de goede antwoorden aan te reiken, in de veronderstelling dat mensen religieuze vragen hadden. Niet dus. Kijk naar de protestanten, waar vrouwen voorgangers zijn en homo’s kerkelijk kunnen trouwen. De problemen liggen dus zeer diep. Er is een paradigma-verschuiving. Mensen blijken andere vragen te hebben dan religieuze. Dat is het apatheïsme, dat door godsdienst-sociologen steeds sterker in beeld wordt gebracht. In kerkelijke kringen hoor je vaak zeggen dat mensen toch naar spiritualiteit op zoek blijven, maar ik heb daar mijn twijfels over. Het gaat zeker niet om de spiritualiteit die wij aanbieden.’
Maar er zijn toch meer volwassen dopelingen en bekeerlingen?
‘In het boek citeer ik een getuigenis van een volwassen gedoopte uit Frankfurt die stelde dat ze een antwoord op een vraag kreeg die ze niet had gesteld. Het gaat dus om het veranderen van perspectief. Bij een beperkt aantal mensen komt de vraag terug, of voor de eerste keer naar boven, maar het is geen vraag meer die bij iedereen te veronderstellen is. Ik zeg in mijn colleges dat we evolueren van het perspectief van de derde persoon - ‘allen hebben een vraag’ - naar dat van de eerste persoon - ‘ik heb een vraag’. Mijn interesse is hoe daar dan de religieuze vraag bij sommigen terugkomt. Een studente zei toen ik het in het college over apatheïsme had: ‘Dat was ik vroeger, en mijn ouders zijn het nog steeds.’ Ze kwam door het bekijken van The Passion tot fascinatie voor religie. Het is de oude vraag van Augustinus: hoe komt iemand tot geloof? Volgens hem is dat de genade. Waarom geloof ik en mijn vriend niet? Belangrijk is dus hoe mensen beschrijven hoe ze tot geloof komen. Hoe gebeurt anatheïsme in het midden van de apathie?’
Hoe verhoudt zich dat met de veelheid aan levensbeschouwingen, bijvoorbeeld de islam, rondom ons?
‘De zichtbaarheid van de islam is misschien een van de redenen van het grote succes van volwassendoopsels in de Franstalige wereld. Hoe worden wij dan zichtbaar? Hebben wij dan geen religie? Daardoor lijkt er sprake van een heropleving , maar dan in de vorm van een tegencultuur. We zien dat ook in het succes van bepaalde priesterseminarie-opleidingen.
Bekijken we het ook spiritueel: God is nog steeds bezig in deze wereld. Religiewetenschappers zullen zeggen: kijk, hier spreekt een theoloog, een gelovige, maar ik moet ook wetenschappelijk kunnen reflecteren over mijn geloof. Dat is de taak van theologie.’
Is er een schuldige aan te wijzen voor de ontkerkelijking, zoals sommigen doen met het Tweede Vaticaans concilie?
‘Dat is een belangrijke doelstelling van mijn boek: inzien dat er een beweging bezig is die niemand kan stoppen. Volgens de Canadese filosoof Charles Taylor is secularisatie een langdurige ontwikkeling. In Duitsland waren reeds in de jaren 1950 de eerste moderniseringstendensen zichtbaar, waardoor jongeren minder naar de kerk kwamen. In Nederland was er de herderlijke brief van bisschop Van Bekkers in 1963 over voorbehoedsmiddelen, waarin hij de Kerk dichter bij de moderne mens wilde brengen. Hij had immers door dat er iets gaande was. De processen waren er dus vóór de aanvang van het concilie. Het klopt dus niet dat het concilie de ontkerkelijking bewerkte.’
‘Het is gemakkelijker klein te zijn dan te worden’, schrijft u.
‘De situatie van gemeenschappen in de echte diaspora, waar christenen generaties lang een minderheid zijn, kan ons veel leren. Ze zijn vooruit. In ons team werk ik samen met een pastoraal werkster uit Maagdenburg (voormalige DDR, nvdr.). Er is daar geen neerslachtigheid over het verlies. Dat is anders in streken als West-Duitsland of België. De Kerk verliest er maatschappelijke relevantie, macht, priesters, gelovigen… De Kerk stond bij ons sterk in de moraal: hoe mensen moesten leven en wat goed en kwaad is. Dat is helemaal verloren. Het brengt ons naar de kern van de boodschap. Daarom ben ik niet treurig over de secularisatie. In vrijheid bieden wij de hemel als optie aan. Maar de dood zelf is vandaag de verlosser. Bij rouwvieringen laten ze zien hoe goed hun leven is geweest, met mooie vakantiefoto’s en zo. Het gaat om een goed leven in dit leven, niet in het komende. De diepste laag van de crisis is het wegvallen van de transcendentie. Het is in het dagelijks leven afwezig.’
Theologie is niet de deuropener, maar de achterkamer van het geloof
Wat moeten we dan als kerkgemeenschappen nog doen?
‘De grote verhalen trekken nog steeds aan. Kijk maar naar het succes van The Passion. Ook in de politiek is dat te merken. Een groot verhaal geeft perspectief en functioneert. De mens is meer narratief ingesteld. Dat functioneert nog steeds. Vertel gewoon de verhalen uit de Bijbel waar dat kan, en niet op een dwingende manier. De vraag naar God is ook de vraag naar Jezus. Vertel mensen over Jezus. En dan komt soms (!) de vraag naar de hemel vanzelf. Geloven is een relatie met Jezus opbouwen. Er is geen garantie, omdat je het geloof niet kunt maken. Theologie is niet de deuropener, maar de achterkamer van het geloof. Theologie heeft toekomst, als we niet bang zijn voor verscheidenheid.’
Ondanks tweehonderd jaar religiekritiek en ontkerstening is het evangelie ongeschonden bewaard gebleven.
‘Het evangelie is er nog, maar op een andere manier. Secularisatie is een megatrend. Het samengaan van cultuur en Kerk is voorbij, zeker voor de komende tijd. Wat ik zie, is dat christenen een minderheid worden en op deze wijze wel degelijk een betekenis kunnen hebben. Maar de toonaangevende groep zijn we niet meer. We komen dan terug op een scherpe, oude vraag: wat betekent het om christen te zijn? Een christelijk atheïsme - een louter hanteren van waarden en normen - lijkt me de voorfase van het apatheïsme. De kinderen van hen die zich losmaakten van het kerkelijk leven worden apatheïsten, onverschillig voor geloof. Sommigen herontdekken het geloof, tegen de zin van hun ouders!’
Is er hoop?
‘Het evangelie, de boodschap, behoudt zijn Unique Selling Proposition. Het blijft een merk dat zich onderscheidt van de concurrentie, al heeft niet iedereen het nodig. De Kerk bestaat niet voor zichzelf, maar is dienstbaar aan het evangelie. Dat was de basisintuïtie van het Tweede Vaticaans concilie, maar is nu veel actueler. Het gaat om Christus en de mens, niet om de Kerk tegen de wereld. Dit aanreiken gebeurt, niet meer massaal, maar het gebeurt. Er zijn zoveel kleine zaadjes. Maar de Kerk die we hebben, is daar helemaal niet voor gemaakt. Dat is het bekeringsproces dat zij moet doormaken.
Boek: Jan Loffeld - 'Als er niets ontbreekt waar God ontbreekt', Otheo Books, 24,99 euro.
DE DRIE
Citaten uit het boek
- ‘Het christendom staat voor een van de grootste uitdagingen van de tijd, het vervelt uit de vorm die het lange tijd had gevonden. Religie zal zeker niet verdwijnen. Maar wat zal de nieuwe vorm, de nieuwe rol van het christendom zijn? Wat is zijn ijkpunt?’ (Blz. 22)
- ’Een niet voor iedereen en alles noodzakelijke God is daarom geen God die zichzelf overbodig maakt, maar een die de wereld vrij laat, omdat ook buiten het geloof in Hem een echt en gelukkig leven mogelijk is.’ (Blz. 110)
- ’Het christendom beleeft momenteel een toenemende irrelevantie van zijn oerbestaansreden. Hoewel Kerk-hervorming nodig is, zal die naar alle waarschijnlijkheid niet voldoende zijn. (...) Vermoedelijk staan we slechts aan het begin om deze processen werkelijk te begrijpen. Ze reiken veel verder dan een crisis van het instituut.’ (Blz. 121)
JAN LOFFELD
- Geboren in 1975. Groeide op in de Nederrijn
- Studeerde theologie in Münster en aan de Gregoriana in Rome
- Werd in 2003 in Münster tot priester gewijd en was eerst parochiepriester in Oelde (Noordrijn-Westfalen)
- Doctoreerde in 2010 in Erfurt, nadien universiteitspastor in Münster
- Sinds 2019 professor praktische theologie Tilburg University, School of Catholic Theology

