Op tocht in het NT #2 - De trekpleisters van Jezus
Jezus trekt voortdurend rond tijdens zijn leven. Zijn bestemming is heel vaak de mens zelf. Als Zoon van God geeft Hij op die manier handen en voeten aan het geloof dat God dichtbij mensen wil zijn. De leerlingen verschijnen vaak als Jezus’ metgezel, ook al weten ze de woorden van Jezus niet altijd even juist te interpreteren.
Bij gekwetsten
Vooral mensen die op de een of andere manier lijden of onrechtvaardig behandeld worden, oefenen een grote aantrekkingskracht uit op Jezus.
De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was. (Lc 19,10)
Dit ‘verloren’ zijn en de nood aan redding kunnen zich op verschillende manieren uiten.
- Jezus heelt fysiek gekwetste mensen zoals de bloedvloeiende vrouw, het dochtertje van Jaïrus, de blindgeborene of de man met verlamming.
- Hij bevrijdt mensen van demonen, zoals bij de bezetene van Gerasa.
- Jezus doet mensen hun zonden inzien en wegen beteren. Denk aan Zacheüs of de parabeltypes van de rijke jongeling of verloren zoon.
- Jezus zoekt net die mensen op die gemeden werden door zijn volksgenoten. Zijn ontmoeting met de Samaritaanse vrouw bij de waterput is daar een mooi voorbeeld van.
Bij tegenstanders
Maar ook tegenstanders schuwt Jezus niet. Regelmatig komen farizeeën en sadduceeën Jezus op de proef stellen. Ze willen Hem betrappen op een fout tegen de joodse wet. Maar Jezus laat zich niet zomaar ondergraven, dient hen vaak gewiekst van antwoord en stelt onrechtvaardigheid aan de kaak.
Ze bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten. (Mt 23,4)
Jezus belooft mensen een zacht juk en een lichte last. Hij wil hen bevrijden van een teveel aan geboden en verboden die mensen onderdrukken. Waar onderdrukking heerst, kan volgens Jezus immers geen verbondenheid met God zijn.
Bij God
Regelmatig zoekt Jezus heel bewust de afzondering op. Hij pauzeert zijn reis herhaaldelijk om tot God te bidden of om alleen te zijn bij de Vader. Dit gebeurt na genezingen of toespraken en op belangrijke momenten in Jezus’ eigen leven.
Toen hij hen weggestuurd had, ging hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en hij was daar helemaal alleen. (Mt 14,23)
Tekenend in dit verband is het verhaal over de twaalfjarige Jezus in de tempel. Nadat Jezus samen met Jozef en Maria een pelgrimstocht naar Jeruzalem ondernamen voor het pesachfeest, keert hij niet met hen mee terug en blijft hij achter in de tempel. Pas na drie dagen vinden ze Jezus terug, tussen de leraren waarnaar hij luisterde en waaraan hij vragen stelt.
Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn? (Lc 2,49)
Iedere reis kent zijn eigen trekpleisters. Zo gaat het ook tijdens onze hoogstpersoonlijke levenstocht. Sommige trekpleisters zijn van voorbijgaande aard, maar andere worden ankerpunten die je je hele leven meedraagt.