Homilie bij het evangelie van de 'overspelige vrouw'
5e zondag van de Vasten (3 april 2022)
Oude Abdij Drongen, “Voedsel voor onderweg”
Joh 8, 1-11
Beste vrienden, we lezen het evangelie van “de overspelige vrouw” in de context van de veertigdagentijd. Dus op weg en onderweg naar Pasen. De titel kan misleiden. Eigenlijk gaat het vooral om Jezus. Hij is immers het meest geviseerd door de farizeeën en de Schriftgeleerden. Hun vraag of er gerechtigheid moet geschieden is een strikvraag, een patstelling. Het overspel van de vrouw geeft hun de gelegenheid om Jezus in het nauw te drijven. Ik zal het hier niet hebben over de problematiek of de vrouw veroordeeld moet worden of niet, maar over de vraag: wie is die Jezus met wie we onderweg gaan naar Pasen? En van daaruit: wie zijn wij?
Jezus speelt niet in op de strategie van de beschuldigers. Door niet op het gestelde probleem in te gaan toont Hij zijn onderscheidingsvermogen. Het gaat om Hemzelf. En dus om God.
Zijn eerste antwoord is: stilte. Niets zeggen. Hij onderlijnt die stilte door tekeningen te maken op de grond. Maar eerst doet Hij nog iets anders: “Jezus boog zich voorover”. Hij boog “naar beneden” zegt de tekst letterlijk. Waarom zo uitdrukkelijk zeggen dat Jezus zich “naar beneden” buigt? In Jezus daalt God af naar het stof en zelfs naar de zonde van de mens. God bemint die mens en is solidair met hem in heel zijn kwetsbaarheid. Jezus neemt zelfs onze zonden op zich.
Dit is de incarnatie die tot het einde toe volbracht zal worden tijdens de Goede Week. Een “goede” week voor ons, omdat dan precies onze redding voltrokken wordt.
Maar die redding veronderstelt niet alleen Jezus’ afdalen naar ons, maar ook zijn bevrijdende verrijzenis. In onze tekst staat opnieuw tweemaal uitdrukkelijk vermeld: “hij richtte zich op” . Afdalen en oprichten.
Wat schrijft Jezus op de grond “met zijn vinger”? Hij stelt een gebaar zoals de profeten in het Eerste Testament. Maar we hebben het raden naar de betekenis. Jeremia zegt dat God in ons hart de nieuwe wet, de wet van het Nieuwe Verbond, zal schrijven. Maar de vraag naar het teken lijkt me niet zo belangrijk, want de tekst zegt: “toen zij dit hoorden dropen zij een voor een af”. De woorden lijken dus belangrijker geweest te zijn dan het teken van het schrijven op de grond.
We weten wel wat Jezus gezegd had. Het gevolg? “Toen ze dit hoorden, dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst”. Letterlijk: de “ouderen” (πρεσβυτέρoi). In bijbelse termen zijn dat in princiep de meest wijze en waardige mensen. Hebben zij inderdaad het best begrepen en onderscheiden wat Jezus bedoelde? Of gaan ze weg, gekwetst in hun trots? Ook dat weten we niet. In een situatie van ontmaskering zijn de twee reacties mogelijk: een gevoel van vernedering of echte nederigheid.
De vraag die tot ons gericht is – speciaal in de veertigdagentijd – is nu de volgende. Niet alleen: erkennen we onze eigen zondigheid? (“Wie zonder zonde is werpe de eerste steen.”) Maar hoe staan we tegenover de zonde van de medemens? Hoe staan we tegenover de mens die objectief kwaad bedreven heeft? Ik leer in de gevangenis hoe genadeloos de maatschappij kan zijn met terecht veroordeelden. Leren we barmhartigheid? Of laten we de woede overheersen en worden we verhard? Om mededogen te kunnen voelen (en tonen), moeten we eerst de zondigheid in onszelf onderkennen. Dan pas bekijken we de andere niet meer uit de hoogte, vanuit ons eigen gelijk hebben (wij zijn goede mensen), maar vanuit ons gelijk zijn (we zijn allen zondaars). Dan gaan we naast de andere staan als een gelijke. Niet om onze zwakheid toe te voegen aan zijn of haar zwakheid, maar om met de sterkte die we op dat moment krijgen de andere bij te staan en effectief te helpen… bewust dat die kracht geschonken is en heel vlug kan verdwijnen. Dan pas behandelen we allen als broeders en zusters, “fratelli tutti”.
Jezus toont zich aan ons als degene die zich vooroverbuigt naar ons lijden om mee te lijden. Dit is niet akkoord gaan met onze zonde of de relativering ervan, maar bevrijding. Na de buiging “naar beneden” richt Jezus zich immers op “naar boven”. Hij neemt ons mee in de opwaartse beweging van zijn verrijzenis. En in die beweging gaan gerechtigheid en barmhartigheid hand in hand. Ze sluiten elkaar niet uit. Ze volgen op elkaar. Sint Augustinus schrijft als commentaar op ons evangelie: “(Jezus) die met de taal van de gerechtigheid de tegenstanders (van de vrouw) had teruggedrongen, richtte op haar de ogen van de barmhartigheid”. Pas in het licht van Jezus’ persoon en Gods volmaakte liefde wordt onze eigen liefdeloosheid duidelijk. Maar meteen komt God naast ons staan met zijn mededogen en nodigt ons uit tot diezelfde barmhartigheid voor onze medemensen. Lijden – van welke aard ook – roept medelijden op. Zwakheid nodigt uit tot mededogen. De waarheid over onszelf leidt ons tot solidariteit en meevoelen met alle andere mensen. Ook daar mogen we zingen zoals op Pasen: “felix culpa”
“Jezus sprak tot haar: Vrouw, waar zijn ze?” “Vrouw” is wat Jezus ook zegt tot Maria in Kana en de woorden die Hij op Goede Vrijdag tot Maria zal spreken van op het kruis. Het woord “vrouw” is met liefde uitgesproken, als een eigennaam. De vrouw wordt in haar eer hersteld. Dit klinkt niet zoals de namen die de beschuldigers tot haar gericht hadden toen ze haar voor Jezus sleurden en zegden “deze vrouw is op heterdaad betrapt”. In beide contexten wordt het woord “vrouw” op een andere manier uitgesproken. Dit is echter geen wegmoffelen van wat de vrouw verkeerd gedaan heeft. “Ga heen en zondig van nu af niet meer”. Maar eerst had Jezus gezegd: “Ook ik veroordeel u niet”. Die “ook” lijkt in te houden dat de farizeeën en schriftgeleerden de les begrepen hebben. Deze keer toch, want Jezus zal binnen enkele dagen zelf veroordeeld worden. Dat is incarnatie “ten einde toe”.
En zijn verrijzenis zal ons uitnodigen op onze beurt die beweging te maken van afdalen en oprichten.
We kunnen het omdat Jezus op voorhand alle kwaad op zich genomen en weggedragen heeft. De strijd is er nog. Maar ook de overwinning. In Jezus heeft God de prijs van onze bevrijding betaald. We worden gedragen – het universum wordt gedragen – door Gods barmhartigheid. Zijn mededogen kan voelbaar worden in ons mededogen voor elkaar. Dat wens ik iedereen van harte toe.