Clerinx orgel, meer dan zo maar een kerkorgel
Over de jeugd van Arnold Clerinx is niet veel bekend. Eerder was Arnold Clerinx bestemd om uurwerkmaker te worden, maar de jonge Clerinx had andere plannen en leerde het vak van orgelbouwer bij P.F. Van Dinter die tot 1847 een atelier had in Sint-Truiden en zich daarna in Tienen ging vestigen. Zijn eerste orgel maakte Clerinx waarschijnlijk in 1840 voor de Sint-Gangulfus-kerk van Sint-Truiden. Dit orgel kwam in een bestaande oude orgelkast. In 1838 vestigde hij zich als zelfstandig orgelbouwer in Sint-Truiden. Begonnen is hij waarschijnlijk in de werkplaats van zijn vader, zeker weten we dat hij in 1842 de voormalige Gasthuiskapel aan de Tiensestraat verwierf en daar zijn orgelfabriek inrichtte, want zo mogen we zijn bedrijf wel noemen.
Zijn naam als orgelbouwer werd snel groot, zeker toen hij in 1841, hij was toen 25 jaar oud, een monumentaal drieklaviers orgel leverde aan de Basiliek Saint-Martin in Luik. Hij werkte toen met twee werkmannen, maar het orgelbedrijf groeide en groeide: in 1861 had hij 15 werknemers, in 1867 zelfs 20. Zijn totale oeuvre omvat uiteindelijk 109 orgels waarvan er zeer veel bewaard zijn en nu gekoesterd worden als kunstwerken.
Het orgel in Geetbets werd in 1863 gebouwd en is een typisch voorbeeld van Clerinx zijn tweede stijlperiode, die vooral gekenmerkt wordt door de bouw van orgels met zijn gepatenteerde windkastsysteem. Alle belangrijke registers van de Positief-sectie zijn afgeleid van de Hoofd-sectie. (Het eeuwige probleem bij orgels is de luchttoevoer, die constant moet zijn en vele pijpen en registers moet kunnen bedienen. In 1847 nam Clerinx zelfs een patent op een systeem waardoor de luchttoevoer, want orgels spelen op lucht, gelijkmatiger verloopt.)
Het geluid kan worden omschreven als zacht maar transparant. Kenmerkend voor Clerinx-orgels uit deze periode is de "uitgeklede" menging, waarbij de octaafregisters op 2' en 4' toonhoogte ontbreken, terwijl deze in het volledige orgel wel aanwezig zijn via de overeenkomstige hoofdregisters.
Omdat het instrument grotendeels in zijn oorspronkelijke staat bewaard is gebleven, werden tijdens de restauratie alleen recentere wijzigingen ongedaan gemaakt. De Clairon 4' in het hoofdorgel en de Bombarde 16' in het pedaal, die waarschijnlijk om kostenredenen niet door Clerinx waren geleverd, werden gereconstrueerd.
De pedaalkast moest daarom herbouwd worden, en tegelijkertijd werd de te smalle stemgang tussen het hoofdorgel en het pedaal verbreed.