Bijbelse meditatie bij het feest van de Drie-eenheid
1 Gerechtvaardigd door het geloof
leven wij in vrede met God
door Jezus Christus onze Heer.
2 Hij is het die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten
tot die genade waarin wij staan;
door Hem ook mogen wij ons beroemen
op onze hoop op de heerlijkheid Gods.
3 Meer nog,
wij zijn zelfs trots op onze beproevingen,
in het besef dat verdrukking leidt tot volharding,
4 volharding tot beproefde deugd
en deze weer tot hoop.
5 En de hoop wordt niet teleurgesteld,
want Gods liefde is in ons hart uitgestort
door de heilige Geest die ons werd geschonken.
(Rom. 5, 1-5)
We lezen deze verzen van Paulus op het hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid (C-jaar). In het eerste deel van zijn brief aan de Romeinen betoogt Paulus dat de mens de liefde van God niet kan verdienen door het onderhouden van de geboden uit de joodse Thora: ‘Ik beweer juist dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden’ (Rom 3,28). Daarom is voor hem Abraham de ‘vader van alle gelovigen’: die werd niet omwille van zijn werken, maar om zijn geloof door God aanvaard en bemind.
Nu werkt Paulus verder uit wat die ‘rechtvaardiging door het geloof’ concreet betekent. De eerste vrucht is dat we ‘in vrede leven met God door Christus onze Heer.’ Volgens Paulus heeft Jezus door zijn trouw aan Gods liefde tot op het kruis, vrede gebracht: sjalom, verzoening, harmonie. Dat betekent: de oude breuk tussen God en de mensheid is hersteld, en de vrije toegang tot Gods genadige liefde voor iedereen staat weer open. Het gevolg daarvan is: we mogen leven in de hoop dat wij eens volop zullen delen in Gods heerlijkheid, in zijn nabijheid en oneindige liefde. En precies die hoop helpt ons om lijden en beproevingen met volharding te doorstaan. Bovendien, zegt Paulus: we mogen nú al delen in Gods liefde, want in de doop hebben we Gods Heilige Geest – dat is niets anders dan Gods liefde! – al ontvangen, als een gast die in ons komt wonen. Samengevat: omdat Christus door zijn Pasen de poort tot Gods liefde heeft geopend, en omdat wij in Hem geloven, hebben wij vrije toegang tot Gods genade en delen we nu al in Gods Geest van Liefde.
De dynamiek die Paulus hier schetst van de relatie tussen ons en de Zoon, de Vader en de Geest, doet me denken aan het iconografische thema van de ‘Genadestoel’, een voorstelling van de Drie-eenheid die in het westen ontstond in de 12de eeuw. Daarbij toont een tronende God (Vader) in zijn armen het kruis van de gestorven Jezus (de Zoon). En tussen hen beiden is een duif afgebeeld, symbool van de Geest. Op de afbeelding uit het Duitse gebedenboek uit Waldburg rust ze vredig op de arm van het kruis, dicht bij de plek waar de hand van de Vader en Jezus elkaar bijna raken. De blik van de Vader lijkt op de Geest gericht.
De term ‘genadestoel’ vindt zijn oorsprong in Martin Luthers vertaling van een vers uit de brief aan de Hebreeën: ‘Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade (Gnadenstuhl), om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp te krijgen op de juiste tijd.’ (Heb 4, 15-16).
Mogen we ook het kruis van Jezus niet zien als de troon van Gods genade? We kunnen naar de ‘genadestoel’ kijken als naar een icoon, en deelgenoten worden van wat we zien: de Vader en de Geest die met de Zoon op het kruis in liefde verbonden blijven. Kunnen wij ons met hen verbonden weten? Moge het ons vrede geven en volharding in de hoop.