Schrijven als vorm van zwijgen
Bij het magazine Kerkplein van december (jg 33, nr 4) vinden de lezers ook ook een dichtbundel van Albert Verleyen.
We ontmoeten hem in de rubriek de bezieling.
Geloof, taal en engagement hebben zich in het leven van Albert Verleyen langzaam maar diep verankerd. Wat klein begon – met een misboekje en een gedicht in de klas – groeide uit tot een leven waarin liturgie, Woord, gemeenschap en engagement een uitdrukkelijke plaats kregen. Een getuigenis over zoeken en thuiskomen, over verlangen en dienstbaarheid, over de stille kracht van trouw.
De geloofsweg van Albert Verleyen begon in een vanzelfsprekend katholiek milieu. Als kind hoorde kerkbetrokkenheid er gewoon bij. Toch ging het leven niet over rozen. Er kwam een lange periode van wat hij zelf “de beslotenheid” noemt – een donkere tijd tussen zijn 25ste en 52ste waarin hij zichzelf kwijt was. “Ik was geen meester over mezelf,” zegt hij eenvoudig. Maar zelfs toen bleef er iets van die vanzelfsprekendheid die hem overeind hield: een missaaltje met de lezingen van de dag en een psalmenbundeltje met vertalingen van Ida Gerhardt. Later ontdekte hij het getijdengebed. Aanvankelijk aarzelend, zoekend. Maar het gebed van de kerk bleek sterker dan zijn beslotenheid. En zijn vrouw Hilde werd de sleutel tot herstel. Dankzij en met haar vond hij de kracht om zich open te stellen voor geloof, gemeenschap en dienstbaarheid.
Kleine gemeenschap van gebed
Toen hij in Kleit ging wonen, begon hij actief deel te nemen aan het kerkelijke leven. Niet omdat hij zichzelf naar voren schoof, maar omdat hij gevraagd werd. Zo groeide langzaam iets nieuws. Hij vroeg de pastoor of hij het getijdengebed in de kerk mocht bidden. Wie wilde, mocht aansluiten. “Woensdagochtend om halfacht.” De pastoor was sceptisch: “Wie ga je daarvoor vinden?” Maar Albert mocht proberen. En op de eerste ochtend kwamen Cyrilla en Marietje – pakweg zeventig en negentig – wellicht getipt door het parochieblad. Die dametjes zijn er niet meer, maar stilaan ontstond een kleine gemeenschap van gebed. Vandaag bidden ze nog steeds, intussen met vijf. En er kwam uitbreiding: het morgen- en avondgebed op woensdag werd vaste prik.
Acoliet
Zijn engagement groeide. Albert werd lector, acoliet (vooral bij uitvaarten), koster. “Het wieroken moest ik opnieuw leren,” zegt hij met een glimlach. Maar het gaf hem ook stress, want: “Sinds mijn kindertijd had ik dat niet meer gedaan.” In Maldegem en Kleit dient hij nu als acoliet bij uitvaarten. Ook in Adegem sprong hij al eens bij. Zijn inzet werd gevraagd, nooit door en voor zichzelf opgeëist. En altijd bleef het midweekse gebed, als een rode draad. “Het woensdaggebed ’s ochtends en ’s avonds is heilig voor mij. Als ik het moet missen, bloedt mijn hart.”
Leesgroep
Naast de kerkelijke betrokkenheid was er de taal. De pen. “Ik ben wel talig, maar geen talenknobbel”, relativeert de schrijver. Albert schreef, naast tijdschriftartikelen en in eigen beheer uitgegeven poëzie en proza, onder andere voor Kerk & Leven. En hij begon met een leesgroep. Inmiddels zijn ze aan het vierde leesjaar toe. Ze lezen pauselijke brieven, spirituele teksten, filosofie en literatuur – Camus, Benedictus XVI, Franciscus. Vorig jaar sloten ze af met een druk bijgewoonde lezing. Dit werkjaar staat in het teken van geloof, hoop en liefde. “Maar de grootste daarvan is de liefde”, verwijst Albert naar Paulus’ Hooglied van de liefde (1 Korintiërs 13, 13).
Engagement
Toch blijft de drempel naar verdieping soms hoog, zelfs te hoog, vindt Albert. “Veel mensen zien het als iets elitairs,” zegt hij. Alsof je gestudeerd moet hebben om (theologische) teksten te begrijpen. Albert weet uit ervaring hoe uitdagend vorming is. Hij volgde cursussen aan het Gentse Hoger Diocesaan Godsdienstinstituut, de School voor Geloofsverdieping, colloquia bij het Ruusbroecgenootschap. “Intensieve opleidingen, dat doe je er niet zomaar even bij.” En anders dan professionals worden vrijwilligers er niet voor betaald. “Integendeel: vaak betalen we zelf. Het is echt een engagement in de volle zin van het woord.”
Een schat
Zijn liefde voor teksten en taal gaat terug tot zijn jeugd. In het college gaf priester-leraar Frank Grypdonck elke dag de aftrap met een gedicht uit het Groot Jaargetijdenboek van Anton van Wilderode. “Ik was twaalf, dertien jaar. En toch raakte dat moment me diep.” Hij pauzeert, staat op en neemt het werk uit de grote boekenkast die de woonkamer siert. Dat boek van Van Wilderode — nu vol foto’s en briefjes — werd een schat. Tussen de bladzijden: een briefje van Van Wilderode zelf, een foto van Alberts grootmoeder als kind, een brief aan Sinterklaas uit 1925.
Schoonheid
Zo begon het verlangen: om te schrijven, om woorden te geven aan wat innerlijk leefde. Het werd een gestage zoektocht naar schoonheid, zoals in de bundel die u als trouwe Kerkplein-abonnee als bijgevoegd cadeau kan lezen. De bundel begint veeleer impressionistisch, vanuit een woord of zelfs slechts een klank. In een tweede cyclus ontwaart de lezer meer contouren: mensen, relaties, gesprekken. De derde bundel werd biddend van toon. “Niet meer een monoloog, maar een dialoog. Tot een Ander. God.” Albert beschrijft Hem als een zachte, tastbare Aanwezigheid. Zoals een flakkerend lichtje in de kerk. Zoals de stilte tussen twee woorden. Zoals de zachtheid van iemand die je niet veroordeelt als je met je rug naar Hem toe zit.
Aanmoedigingen
En toch blijft er een verlangen knagen: het verlangen erbij te horen. Om met wat hij schrijft iets te mogen betekenen. Uitgeverijen zitten daar niet op te wachten. Te weinig commercieel. Te persoonlijk. Tegelijk waren er aanmoedigingen van andere dichters: een lovende brief van Hedwig Speliers. Een heuse laudatio van Rob Riemen. “Je bent een dichter,” schreef Gwij Mandelinck. Die erkenning draagt hij mee. Niet om op te scheppen, maar om vol te houden.
Aandachtig aanwezig zijn
“Ik weet dat wat ik schrijf misschien niet groots is. Maar ik hoop dat het waardevol kan zijn voor iemand. Een vonkje in de duisternis.” Voor Albert is schrijven geen vorm van zelfverheffing, maar van aandachtig aanwezig zijn. Zoals bidden. Zoals stilzitten. Zoals luisteren naar wat komt. Zoals: zondag tussen drie en vier, in een voor het overige lege kerk, gewoon aanwezig zijn. Dan kan er iets gebeuren. Iets kleins. Iets groots.
En uiteindelijk is dat wat blijft: een open plek. Een plek die niet dichtgroeit. Een ruimte waar de Ander welkom is. En schrijven – schrijven is niets anders dan een andere vorm van datzelfde zwijgen. Met klinkende woorden.
Geert De Cubber