Wij geloven (deel 2)
Uit Kerkplein: jg 33, nr 4 (december)
In twee bijdragen staan we stil bij de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel, die in haar oorspronkelijke vorm begint met ‘Wij geloven …’. Aanleiding is de 1700ste verjaardag van het concilie van Nicea. Die valt samen met het jubeljaar ‘Pelgrims van hoop’. In de eerste bijdrage (in het septembernummer van Kerkplein) kwam de betekenis van deze eerste grote synode aan bod en ook het belang van het credo. Als verwoording van het geloof in de drie-ene God is het de sokkel waarop christenen van vele kerken en tradities hun geloof funderen. Dat het niet alleen een tekst van lang geleden is, blijkt uit de plaats van het credo in de liturgie. Daarover meer in deze tweede bijdrage.
Bisschoppen als Cyrillus van Jeruzalem (in het Griekse Oosten) en Augustinus van Hippo (in het Latijnse Westen) beklemtonen in de vierde en vijfde eeuw in hun preken tot catechumenen dat de woorden van het credo niet op papyrus zullen komen, maar uit het hoofd geleerd moeten worden. Dat wil eigenlijk zeggen dat ze in het hart bewaard en gekoesterd moeten worden en zelfs dagelijks gereciteerd.
‘Kleed je je niet elke dag aan? Telkens als je het credo zegt, kleed je je hart aan.’ (Augustinus, Sermo 58,13).
Ook in de huidige Orde van dienst voor de viering van de initiatiesacramenten wordt een zorgvuldige overdracht van de geloofsbelijdenis voorzien.
Tijdens een van de voorbereidende vieringen richt de voorganger zich tot de naar voor getreden doopkandidaten:
‘Veelgeliefden, luister nu naar de woorden van het geloof waardoor jullie gerechtvaardigd worden. Talrijk zijn zij niet, maar wel rijk aan inhoud: zij omvatten grote mysteries. Neem ze in je op en bewaar ze in een oprecht hart.’
Daarna wordt de gemeenschap uitgenodigd om haar geloof te belijden. Pas na verder ingroeien en ontdekken, tijdens de ‘laatste voorbereidende riten’, vraagt men de doopleerlingen om nu zelf deze belijdenis uit te spreken. De voorganger bidt:
‘Heer, onze uitverkorenen hebben kennis genomen van het raadsbesluit van uw liefde en van het mysterie van Christus’ leven. Geef dat zij deze geheimen met de mond belijden en in een gelovig hart bewaren en uw wil metterdaad volbrengen. Door Christus onze Heer.’
Wanneer de doopleerlingen in de Paaswake de initiatiesacramenten ontvangen, wordt hen de geloofsbelijdenis in drievoudige vraagvorm voorgelegd. Zij hoeven slechts te antwoorden met ‘ja, ik geloof’. Ook hier blijkt wat we eerder al aanstipten: het gaat om het geloof van de Kerk dat er al is, dat we nu beamen en waar we ons persoonlijk bij aansluiten. Het is alsof we met twee voeten in een stroompje gaan staan: de levende Traditie die teruggaat op de apostelen.
De praktijk van de vroege Kerk en de daarop gebaseerde richtlijnen voor de initiatie van volwassenen in de Kerk vandaag, leren ons het credo te zien als een kostbaar juweel dat we zondag na zondag kunnen koesteren: een belijdenis die ons verzamelt en die ons voorbereidt op de communio met de Heer en met elkaar.
Dieter Van Belle