Vlammetjes ~ Stenen voor Stefanus
Het verhaal
Stefanus vertelde aan iedereen die het horen wilde over Jezus. Maar achter zijn rug maakte een groep joden hem zwart. Ze zegden dat hij lelijke dingen had gezegd over de tempel. Dat waren valse beschuldigingen! Ze namen Stefanus gevangen en brachten hem bij de hogepriester.
‘Wat hoor ik allemaal over jou, Stefanus?’ vroeg de hogepriester. ‘Wil je ons geloof in God dat we van Mozes hebben geleerd van ons afnemen?’
Stefanus antwoordde: ‘Helemaal niet! Luister naar mij: lang geleden verscheen onze God aan Abraham. Hij zei tot hem: trek weg uit je familie en ga naar het land dat ik je zal tonen. Dat deed Abraham. Zo kwam Abraham in dit land terecht, maar hij was er geen eigenaar van. Hij kreeg een zoon Isaak en die kreeg een zoon Jakob. Jozef, één van de zonen van Jakob, kwam in Egypte terecht. Hij werd daar zelfs onderkoning met de hulp van God. Toen kwam er een hongersnood over ons land en Jakob trok met zijn familie naar Egypte, waar hij zijn zoon Jozef weer ontmoette. Zo werden zij dankzij God gered van de hongersnood. Later groeide het joodse volk heel erg. De farao van Egypte begon hen te onderdrukken. De mensen moesten verschrikkelijk hard werken, en alle joodse jongetjes moesten worden gedood. Toen werd Mozes geboren, en zijn moeder zorgde ervoor dat hij in leven bleef en opgroeide aan het hof van de farao. Hij wilde opkomen voor zijn volk, maar hij moest vluchten. In de woestijn zag hij een brandende doornstruik en daar ontmoette hij God. God zei tot hem: “Ik heb gezien hoe mijn volk verdrukt wordt en ik heb medelijden. Ik wil jullie helpen. Jij, Mozes, moet mijn volk wegleiden uit Egypte.” En dat deed Mozes. Hij onderhandelde met de farao en met Gods hulp voerde hij het volk weg uit Egypte. God liet hen door de Rietzee trekken en hij gaf hen voedsel in de woestijn. Het volk verloor vaak de moed en keerde zich dan af van God, maar hij hielp hen altijd en dan kregen ze weer hoop. Mozes kreeg van God ook de tien woorden, waarnaar wij kunnen leven. Zo bracht Mozes het volk tot aan de rand van het Beloofde Land. Jozua leidde hen daar binnen. En Mozes zelf zei al: Ooit zal er iemand komen die groter is dan ik. En dat is Jezus, waarover ik jullie spreek.’
Stefanus keek hen stralend aan toen hij klaar was.
De hogepriester wilde niet langer naar Stefanus luisteren. Hij kon niet geloven dat die dode man, die Jezus, iets te maken had met Mozes. Dat hij misschien de Messias zou zijn. De medewerkers van de hogepriester sleepten Stefanus de stad uit en gooiden stenen naar zijn hoofd tot hij dood was.


