Kerken zijn te koesteren - Frank Vandepitte [essay]
Auteur: Frank Vandepitte
In dit essay ga ik in op mijn aanvoelen dat wezenlijke aspecten van de betekenis van kerken vandaag veronachtzaamd blijven, en dat hun herontdekking van belang is voor de hedendaagse cultuur. Terwijl kerken lange tijd geassocieerd werden met paternalisme en bevoogding, zo niet met onderwerping, dan geloof ik dat zij vandaag net een rol kunnen spelen in een nieuwe beweging van culturele ontvoogding, van vrijer worden, die ik her en der in de samenleving op gang zie komen, zij het in grote stilte en nog tastend.
Hoe zijn deze bouwsels en hun onderhoud maatschappelijk nog te verantwoorden?
Probleem, kans, appèl
Op de vraag in welke zin kerken, kerkgebouwen, vandaag een ‘uitdaging’ betekenen voor de maatschappij, luidt het meest voor de hand liggende antwoord dat zij als een probleem moeten worden beschouwd. Gebouwd om eer te betuigen aan God en in dat kader ook grote vergaderingen van mensen onderdak te bieden, lijken hun ruimte en hun luister een last geworden nu nog slechts kleine groepen mensen zich om God verzamelen. Hoe zijn deze bouwsels en hun onderhoud maatschappelijk nog te verantwoorden?
Sinds enkele decennia is de vraag naar de toekomst van kerken ook in ons land voorwerp van denken en spreken. Geleidelijk heeft zich ook een praktijk ontwikkeld van afwegen van denkbare toekomstpistes voor concrete kerkgebouwen, inclusief zoeken naar nieuwe vormen van gebruik. Daarbij blijkt afbraak slechts uitzonderlijk als de meest verantwoorde optie te worden beschouwd. Indien kerken een probleem vormen, dan blijkbaar op een wijze die niet verhindert dat er tegelijk een kans in wordt gezien.
Indien kerken een probleem vormen, dan blijkbaar op een wijze die niet verhindert dat er tegelijk een kans in wordt gezien.
Het is alvast niet verwonderlijk dat die praktijk sinds het begin oog heeft voor architectuur. De architectuur van kerken is vaak bijzonder, en wordt veelal verwelkomd. Ook in het geval van gedeeltelijke of volledige herbestemming. Dan misschien zelfs des te meer.
Bovendien is vrij spoedig ook aandacht ontstaan voor het gemeenschapskarakter van het oorspronkelijke gebruik, en wordt in het geval van het zoeken naar een nieuwe bestemming ook daarin potentieel gezien voor de toekomst. Indien enigszins haalbaar wordt bij herbestemming voorkeur gegeven aan een gemeenschapsfunctie: liever een muziekschool dan een fitnesszaal, liever een sociaal eethuis dan een exclusief restaurant, liever een overdekte markt dan een hippe winkel.
En ten slotte, en in een hecht verband met dat gemeenschapsaspect, wordt kerken ook op stedenbouwkundige schaal een potentieel tot versterking van cohesie toegeschreven. Nu zij in de ontwikkeling van de stedenbouwkundige ruimte een structurerende rol hebben gespeeld die zich in dorpen en steden nog steeds laat gevoelen, en zij met hun torens bakens blijven in het landschap, wordt bij het zoeken naar een nieuw gebruik van kerken vaak een kans onderkend tot ‘kernversterking’, met in dorpen op gemeentelijk niveau en in steden op buurtniveau zowel ruimtelijk als sociaal een verwachting van impact.
De religieuze grond wordt in het publieke spreken hooguit als een historisch randgegeven vermeld, inhoudelijk wordt er niet naar gepeild.
Indien er kerken vandaag aldus zowel op het vlak van architectuur, tussenmenselijke ontmoeting, als vergroting van de maatschappelijke cohesie op lokaal niveau, vandaag een potentieel voor de toekomst wordt toegeschreven dat in het verlengde ligt van hun historische eigenheid, dan geldt dat veel minder ook op het vlak van hun religieuze ontstaansgrond. In het beste geval wordt af en toe gesproken over stilte- of luwteplekken, maar dan niet op een wijze dat ook deze gedachten een richtinggevende bijdrage leveren aan het algemene denken over kerken en hun toekomst. Vooral binnen de context van oude dorpskerken vind ik het vreemd dat in het publieke debat nauwelijks vragen worden gesteld bij het sterk gevarieerde karakter van zich aandienende nieuwe bestemmingen. Ik vind het eigenaardig dat gebouwen die vanuit één zelfde religieuze grond als bakens in het landschap werden gebouwd, op de ene plaats een bibliotheek kunnen worden, op een andere plaats een turnzaal of een gemeenschapshuis, nog elders een kinderdagverblijf of een overdekte markt.Die religieuze grond wordt in het publieke spreken hooguit als een historisch randgegeven vermeld, inhoudelijk wordt er niet naar gepeild.
Evenzo treft het dat indien er kerken op bovengenoemde vlakken toekomstkansen worden toegeschreven, er op dat potentieel slechts werkelijk wordt ingegaan in de mate dat een kerk werkelijk een nieuw gebruik krijgt, anders of op zijn minst ruimer dan haar oorspronkelijke kerkelijke gebruik. Bij herbestemmingsprojecten heet het wel eens dat een kerk wordt ‘teruggegeven aan de buurt’. Al lijkt het waarschijnlijker dat de buurt zelf haar kerk geleidelijk de rug zou hebben toegekeerd, toch klinkt het onderliggend aanvoelen eerder dat de buurt de toegang tot haar kerk zou zijn ontzegd.
Bij herbestemmingsprojecten heet het wel eens dat een kerk wordt ‘teruggegeven aan de buurt’.
In een meer nuchtere benadering kan dat ‘teruggeven aan de buurt’ ongetwijfeld aldus worden begrepen, dat het nieuwe gebruik zich expliciet tot álle mensen richt,waarbij verondersteld lijkt te worden dat dit voorheen lange tijd niet (meer) het geval was. Kerken lijken bovenal gepercipieerd te worden als belichaming en vehikel van een ‘leer’, en slechts terug een maatschappelijk gedeelde betekenis te kúnnen krijgen wanneer zij aan die leer onttrokken worden.
Deze eenduidige associatie van kerkgebouw en leer is slechts begrijpelijk in het licht van de geschiedenis van de voorbije twee-drie eeuwen. Enerzijds heeft de geest van de Verlichting, in weerwil van een streven naar de universaliteit van algemeen geldende menselijke waarden, precies geleid tot het ontstaan van aparte en mekaar bekampende ideologieën, en zo uiteindelijk net verder bijgedragen tot de levensbeschouwelijke verkaveling van het maatschappelijke landschap die al aan de gang was sinds de zestiende eeuw, met de godsdienstoorlogen. Anderzijds heeft het instituut Kerk, door tot het midden van de twintigste eeuw ten aanzien van de civiele organisatie van het leven een houding aan te nemen die eerder resulteerde in tegenstelling en strijd dan in complementariteit en vruchtbaarheid, er zelf toe bijgedragen dat ‘geloof’ voor velen vereenzelvigd geraakte met ‘doctrine’.
Niettemin klopt het niet, om kerkgebouw en leer gewoon te laten samenvallen. Zulke voorstelling van zaken doet de werkelijkheid geweld aan. Uit de emotionele reacties uit ruimere dan enkel gelovige hoek die sommige projecten van herbestemming teweegbrengen, blijkt dat volgens een intuïtief volksaanvoelen, anders dan volgens het vigerende publieke discours, het mogelijk is om ook zonder het belijden van de confessie waaraan een kerk is gewijd, zich op een diepe zijnslaag door haar aangesproken te voelen. Een kerk is méér dan de belichaming van een ‘leer’.
Mijn eigen basisintuïtie sluit daarbij aan. Deze luidt ten eerste dat het belang van de aanwezigheid van kerken in onze cultuur zich ook vandaag niet beperkt tot die som van architecturale waarde, uitnodiging tot ontmoeting en impuls tot maatschappelijke cohesie, maar dat deze drie samen verankerd zijn in een diepere eigenheid, waarmee kerken zich van andere gebouwen onderscheiden. En ten tweede dat die diepere eigenheid ook vandaag mensen kan raken over de grenzen heen van de levensbeschouwelijke verkaveling van de samenleving.
Het lijkt me zaak, beter voeling te krijgen met die diepere eigenheid.
Een tweede intuïtie, geënt op die dubbele basisintuïtie, bestaat hierin dat die diepere eigenheid van kerken specifiek in deze tijd zelfs bijzonder oplicht, omdat zij onze cultuur raakt in een teer punt van haar actuele functioneren. Meer dan ‘nog steeds’ – of, volgens het publieke spreken, mits ontwijding net ‘opnieuw’, of sterker dan voorheen – kansen te bieden voor het inrichten van het maatschappelijk leven, denk ik dat kerken mits herontdekking van die ‘diepere eigenheid’ werkelijk een appèl richten tot de huidige cultuur, aan gelovigen én ongelovigen, en dat dit brede appèl net het sterkst werkzaam zal zijn wanneer zij (ook) in het teken blijven staan van een gelovig leven.
Het is op die diepere eigenheid van kerken en op dat cultureel appèl dat ik wil ingaan.
Plaatsen van ontvankelijkheid
Die ‘diepere eigenheid’ van kerken laat zich slechts ontdekken wanneer ook wordt stilgestaan bij een vorm van gebruik die jammer genoeg minder evident wordt dan enkele decennia geleden, toen haast alle kerken langdurig open waren. Want inderdaad, al is de eredienst de functie van een kerk, en al ontleent zij daaraan haar betekenis, tegelijk doet zij niet enkel aldus dienst. Mensen kunnen er ook gewoon even vertoeven.
Kerken staan voor iedereen open, praktiserend of niet, gelovig of niet, gedoopt of niet.
Bij kerken die langdurig open staan blijkt dat ook effectief te gebeuren. Slechts sporadisch weliswaar, en nu dus nóg meer sporadisch dan vroeger. Daarbij gaat het overigens, ook nu, niet enkel om mensen die zichzelf gelovig noemen. En evenmin enkel om kerken met een exceptionele architectuur.
Terwijl het participeren aan de eredienst om inwijding vraagt, volstaat om een kerk te kunnen binnengaan eerbied. Kerken staan voor iedereen open, praktiserend of niet, gelovig of niet, gedoopt of niet. Er wordt geen lidkaart of toegangsgeld gevraagd, er bestaat geen verwachting iets te consumeren, er geldt geen minimale of maximale bezoekduur, en evenmin krijgt een bezoeker een vraag gesteld waarom hij daar komt … Al wordt dat nauwelijks opgemerkt, kerken zijn plaatsen van een merkwaardig soort onvoorwaardelijkheid, van gratuïteit. Zij zijn niet zozeer ‘publiek’ als wel ‘ontvankelijk’. In weerwil van associaties met moraal en doctrine worden mensen er minder aangesproken in hun civiele dan in hun existentiële zijn.
Ik zou die ‘diepere eigenheid’ van kerken dan ook aldus omschrijven: kerken zijn te beschouwen als ‘plaatsen van ontvankelijkheid’.
Ik zou die ‘diepere eigenheid’ van kerken dan ook aldus omschrijven: kerken zijn te beschouwen als ‘plaatsen van ontvankelijkheid’.
Dat zijn zij trouwens ook in een tweede zin: doordat zij uitnodigen tot ontvankelijkheid. Tot receptiviteit. Kerken ontlenen daaraan een grote betekenis voor de huidige cultuur. Want terwijl activiteit vandaag hoog wordt aangeprezen en gestimuleerd, en daarom vaak gedacht wordt in haar tegenstellingsverband met passiviteit, dan bestaat vandaag nauwelijks aandacht voor haar samengaan, haar noodzakelijke samengaan – in een veeleer complementair verband – met receptiviteit. Om ‘vol’ te kunnen zijn én behoed te worden voor overspanning heeft activiteit nood aan halthouden. Uit receptiviteit put activiteit diepgang en kracht en evenwicht.
Bij dit soort ontvankelijkheid van kerken voelen nogal wat mensen een verwantschap met de natuur. Maar er is ook verschil: in een kerk is een band voelbaar met de mensengemeenschap, naarmate het kerkgebouw ouder is trouwens ook met de generaties die ons zijn voorgegaan, en zo met ‘het menselijk tekort’. In een kerkgebouw zoeken mensen rust en licht in een omgeving die tegelijk herinnert aan het lijden en de duisternis die mensen elkaar aandoen. Impliciet confronteren kerken ons met wederkerigheid.
Maar indien er door die band met de mensengemeenschap dan weer affiniteit rijst met het opzoeken van kunst, dan blijkt hier tegelijk andermaal verschil, in deze zin dat de bezoeker in een kerk, en nu weer meer zoals in de natuur, veeleer aanwezig is in een ‘ongericht’ soort aandacht. Hij blijft er minder in de positie van waarnemer. Hij voelt zich op een of andere manier ‘verbonden’. In plaats van de ruimte, en wat hij ziet en ruikt en hoort, louter in zich op te nemen, voelt de bezoeker zich ertoe uitgenodigd er als het ware zelf door te worden opgenomen. Er is een receptiviteit in het geding die niet louter cognitief is maar die een verandering van zijnsmodus impliceert. En wat in eerste aanleg een lossen van controle onderstelt, een niet vasthouden aan zichzelf, betekent tegelijk een kans: dit soort receptiviteit is ingesteld op een omkering van de receptiviteitsrelatie, op een zelf ontvangen wórden.
Dit is net de bestaansreden van kerken: de eeuwen door – zelfs in tijden van een dwingende moraal – blijven kerken stemmen tot halthouden en receptiviteit, en tot die omkering van receptiviteit naar een ontvangen wórden.
Het moet gezegd: ook oog in oog met een prachtig kunstwerk kunnen we een ervaring opdoen van een ‘ontvangen worden’, en in dat geval soms zelfs met het karakter van iets exceptioneels, iets dat we ons misschien zullen blijven herinneren. Maar ondanks een reëel verband gaat het hier toch om een ander gebeuren. Vooreerst blijft er hoe dan ook een spoor van evaluatie aanwezig, waardoor we uiteindelijk worden teruggeworpen op onszelf. En ten tweede is de ervaring hier afhankelijk van wat we te zien krijgen, terwijl het ‘zich laten ontvangen’ bij het bezoek aan een kerk veeleer een zijnsmodus is die in een zekere mate reeds wordt voorondersteld bij wie er binnengaat.
Dit is net de bestaansreden van kerken: de eeuwen door – zelfs in tijden van een dwingende moraal – blijven kerken stemmen tot halthouden en receptiviteit, en tot die omkering van receptiviteit naar een ontvangen wórden. Er ligt een aanvoelen aan ten grondslag van een verbondenheid met alles en iedereen. Een verbondenheid die mensen niet zelf maken maar die voorgegeven is. En al zullen mensen haar steeds opnieuw blijven schenden of verduisteren of gewoon vergeten, steeds opnieuw worden zij er – al dan niet of min of meer gelovig – in kerken aan herinnerd. Daarin ligt hun culturele kapitaal.
Subjectbeslotenheid en een nieuwe ontvoogding
Vandaag is dat kapitaal te herontdekken, maar is zijn maatschappelijke relevantie net des te groter. Want met hun impliciete uitnodiging tot die verandering van zijnsmodus, met hun impuls tot omkering van receptiviteit naar een ontvangen wórden, raken kerken de westerse cultuur in een teer punt van haar actuele functioneren.
De fenomenen van isolement waaronder vele mensen vandaag lijden, worden gemakkelijk toegeschreven aan individualisme. Waar stilgestaan wordt bij het feit dat ook veel jongeren zich geïsoleerd voelen, ondanks en soms zelfs middenin activiteiten van levendige interactie of bewuste initiatieven tot ‘connecteren’, daar rijst het vermoeden dat individualisme (misschien kan raken aan maar) niet zélf de kern van het probleem kan zijn. Daar groeit de intuïtie dat het fenomeen van ‘isolement’ veel dieper in onze cultuur verankerd zit.
Ik denk dat het isolement waar veel mensen vandaag onder lijden uiteindelijk voorkomt uit een soort kanker die zich ontwikkelt op het fundament zélf, op het in se overigens fraaie fundament, van de moderne westerse cultuur. De moderne westerse cultuur is gefundeerd op het ‘subject’-bestaan: op de primaire ingesteldheid om alles – zowel wat een mens om zich heen ziet als wat hij in zichzelf ervaart – als het ware ‘voor zich te stellen’, te ‘objectiveren’ … Deze ingesteldheid heeft zich geleidelijk ontwikkeld, en is doorheen de eeuwen drager geworden van een onderzoekersgeest, van kritische zin, en zo ook van ontvoogding, historisch gezien niet in het minst ten opzichte van de macht van de rooms-katholieke Kerk, met als bakens de reformatie, de Verlichting en de moderniteit.
Dat subjectbestaan veronderstelt een soort ‘apartheid’, een a.h.w. buiten de werkelijkheid gaan staan – ook de eigen innerlijke werkelijkheid – om die objectief te kunnen bekijken. Het subject is allereerst ‘waarnemer’, en zal in al wat hij denkt en doet steeds in een zekere mate ‘schouwend’ aanwezig blijven, waardoor hij steeds in een zekere mate op zichzelf teruggeworpen blijft worden. Op die manier komt er in de ervaring tussen hem en de realiteit waarmee hij omgaat als het ware een ‘scherm’ te staan. Een scherm dat perfect doorzichtig kan zijn, maar een scherm. Waarbij elke ervaring, ook de meest tactiele, iets krijgt als van kijken door een vitrine, of als van een ontmoeting van achter glas.
Door een dominant worden van het schouwend aanwezig zijn, lijkt de ‘apartheid’ steeds meer te leiden tot een soort ‘zelfbeslotenheid’.
Terwijl die ‘apartheid’ al zeer lang voorwerp uitmaakt van filosofische vragen, blijkt zij vandaag ook invloed te hebben op het dagelijkse leven, en in existentiële onrust te resulteren. Dat komt doordat de verdere ontwikkeling van die apartheid de laatste decennia, grosso modo vanaf het midden van de twintigste eeuw, gepaard gaat met een geleidelijk uit het cultureel onderbewuste – van gelovigen én ongelovigen – verdwijnen van dat aanvoelen van een ‘gegeven verbondenheid’. Naar mijn inschatting is dit wijken van een aanvoelen van een gegeven verbondenheid uiteindelijk te verklaren doordat noties van ‘gelovig leven’ langzaamaan uit het publieke leven verdwijnen. Nu een aanvoelen van een gegeven verbondenheid voor jonge mensen zeer weinig evident wordt, groeit de invloed van het subject nog veel sterker dan tevoren. Door een dominant worden van het schouwend aanwezig zijn, lijkt de ‘apartheid’ steeds meer te leiden tot een soort ‘zelfbeslotenheid’.
In plaats van in grotere vrijheid resulteert deze zelfbeslotenheid net in nieuwe vormen van dwang. Met het wijken van een aanvoelen van gegeven verbondenheid wijkt immers ook een aanvoelen van gratuïteit. In toenemende mate moeten mensen ruimte en zin zo niet recht van bestaan ontlenen aan hun eigen handelen. De oude onvrijheid van een ‘niet mogen’ begint plaats te maken voor de nieuwe onvrijheid van een ‘moeten’. Mensen moeten zichzelf maken, zichzelf ‘waarmaken’. En ‘zichzelf waarmaken’ steeds meer ook in de zin van ‘zichzelf verkopen’.
Terwijl kerken lang geassocieerd werden met bevoogding zo niet met onderwerping, dan kunnen zij vandaag, indien breder herontdekt, net iets betekenen in een nieuwe fase van culturele ontvoogding.
Deze subjectbeschouwingen kunnen overtrokken lijken. Daarin speelt mee dat het subject niet zomaar is aan te wijzen en zich in geen enkel mensenleven onvermengd manifesteert. Vooral in ons zogeheten privéleven zouden we het ongetwijfeld niet met elkaar uithouden indien we de subjectmodus nooit verlieten. Dat maakt het evenwel niet minder relevant om een poging te doen om in te gaan op zijn impact op het leven. Want die ís er. Het subject als een soort harde kern-van-zijn, als een aparte en uiteindelijk ongenaakbare instantie… Al is er moeilijk de vinger op te leggen, op een of andere manier maakt het een nauwelijks waarneembaar maar wezenlijk verschil of een mens het leven aanvoelt als iets dat hij om zich heen ziet en ook in zichzelf ontwaart, en waarbij hij steeds (ook) schouwend aanwezig blijft, dan wel als iets waaraan hij deelheeft. Of nog, als een goed dat hij bij de geboorte eenmalig heeft ontvangen en waarvan hij iets moet zien te maken, dan wel als een goed dat hij dag na dag voortdurend blijft ontvangen.
Wanneer ik kerken een ongemeen grote actuele betekenis toeschrijf voor de huidige cultuur, dan is het precies waar zij in de uitnodiging tot een ‘zich laten ontvangen’ er aanleiding toe geven dat die apartheidspositie even wordt doorbroken. Door uit te nodigen tot een ‘ongerichte’ aandacht, tot een ‘objectloze’ aandacht, ontkrachten zij, even toch, het subject, dat om te bestaan objecten behoeft. Daarmee wordt het subject niet uitgeschakeld. Gelukkig overigens. Wel wordt het teruggewezen naar een juistere plaats en rol. Wanneer het subject niet almachtig wordt, is het minder gedoemd zich tot een kanker te ontwikkelen, en kan het integendeel net een heilzame rol blijven spelen.
Terwijl kerken lang geassocieerd werden met bevoogding zo niet met onderwerping, dan kunnen zij vandaag, indien breder herontdekt, net iets betekenen in een nieuwe fase van culturele ontvoogding. Na ontvoogding van de macht van religieuze instituten, nu ontvoogding van de beklemmend groeiende macht van het subject.
Evident is deze nieuwe ontvoogding niet. Er is immers ontegensprekelijk een lossen van controle mee gemoeid. En dit terwijl controle net een gevoel geeft van veiligheid, en vandaag een attribuut lijkt van een autonoom leven. In de hedendaagse cultuur lijkt de cliëntrelatie wel de ultieme maatstaf geworden voor respect. De idee van een contractueel ‘voor wat hoort wat’ lijkt een garantie dat elk in zijn autonomie wordt gerespecteerd. Afhankelijkheid lijkt te allen prijze gemeden te moeten worden. Zo blijkt de cliëntrelatie op steeds meer vlakken van het maatschappelijke leven bepalend te worden, zelfs in domeinen waar afhankelijkheid alles wel beschouwd tot een zekere hoogte onvermijdelijk is. Vandaag worden ook patiënten cliënten, studenten cliënten, burgers cliënten… Niks fout, wel integendeel, met het respecteren en aanspreken van het beslissingsrecht van individuen, maar waarom doen alsof een mens op geen enkel vlak afhankelijk zou zijn van een ander? Ik haal deze hedendaagse uitvergroting van de cliëntrelatie hier slechts aan om duidelijk te maken dat de ‘ontvoogding’ waarvan ik nu spreek niet zomaar wordt verwelkomd. Zij heeft immers net te maken met het aanvaarden en zelfs het verwelkomen van afhankelijkheid. Wel te verstaan niet van om het even welke afhankelijkheid. Te gauw wordt afhankelijkheid geassocieerd met onderwerping. Hier heb ik het integendeel over een ‘natuurlijk’ soort afhankelijkheid, over een uit gegeven verbondenheid voortkomende afhankelijkheid, en die aldus net opening mogelijk maakt, ontmoeting mogelijk maakt – precies het doorbreken van het ‘scherm’ – en een zekere wederkerigheid veronderstelt.
In kerken worden wij onwillekeurig, maar op een héél impliciete manier, aan die wederkerigheid herinnerd. En er eigenlijk meteen ook in geoefend. Het ‘zich laten ontvangen’ waar een kerk ons toe uitnodigt is van een heel andere aard dan het ‘zich laten ontvangen’ waartoe wij vandaag in allerhande vormen van cliëntsetting worden gestimuleerd: net niet om te wikken en te beschikken, om te kiezen en te kopen, maar veeleer in de context van een ‘te gast’ zijn, van een niet contractueel of met geld vermiddeld maar authentiek ‘te gast’ zijn, en dus in een ingesteldheid die een begin van overgave in zich draagt.
Al kan het anders overkomen, cultureel is dit geen stap terug, integendeel. Zelfstandig denken en zelfstandig beschikken zijn niet met elkaar te verwarren. In geen van beide richtingen impliceert het een het ander. Een in vrijheid aangegane overgave betekent niet het einde van zelfstandig denken. Eerder een impuls om in het denken een nieuw elan te vinden.
Kerken en het tussenmenselijke – the crack & the light
Indien kerken aldus op een zeer impliciete en nauwelijks te traceren wijze iets kunnen betekenen in een nieuwe fase van culturele ontvoogding, dan zal dat zijn in wederzijdse versterking met een beweging die ik, in even grote stilte, her en der in de samenleving aan de gang vermoed. Ik meen er sporen van te zien in vele kleinschalige initiatieven waarvan de inzet lijkt te zijn een brug te slaan over de kloof tussen maatschappij en persoonlijke existentie, zoals in sommige cohousingprojecten, lokale economische netwerken, initiatieven van concrete solidariteit tussen jong en oud... Terwijl er in eerste instantie een zich afzetten tegen individualisme in het spel lijkt, gaat het volgens mij vooral om een herwaardering, ook buiten de sfeer van het ‘privéleven’, van ‘het tussenmenselijke’: van de directe omgang tussen mensen, van eenvoudige wederkerigheid. Want waar het ‘project’ niet langer primeert op het tussenmenselijke, daar verliest het subject zijn hegemonie.
Naarmate niet, omwille van het goede doel, het mekaar kwetsen als een bijzaak wordt beschouwd, naarmate ‘het menselijk tekort’ ernstig wordt genomen, wordt voelbaar dat verbondenheid eigenlijk voorgegeven is. Dat we in wezen verbonden zijn, los van eigen keuze, en eigenlijk met iedereen. Daar hoeven mensen niet van alles te ondernemen, een apart project op te zetten, om te ‘connecteren’ met elkaar.
Wat ik ‘de kans van het menselijk tekort’ zou noemen is mooi verwoord in de “lofzang” van Leonard Cohen. “Ring the bells that still can ring. Forget your perfect offering. There is a crack, a crack in everything. That’s how the light gets in.” Vrij vertaald: laten we de klokken luiden die nog kúnnen luiden, en daarbij niet vasthouden aan dat perfecte plaatje dat we zo graag ophangen; in alles zit een barst, en net door die barst is het dat het licht naar binnen valt.
Ook zo kunnen we de culturele betekenis van kerken duiden: als plaatsen die er ons aan blijven herinneren dat net door de barst het licht tot ons komt. Voor een goed verstaan van kerken is die notie van het menselijk tekort een wezenlijk element. Waar Leonard Cohen spreekt over de barst en het licht, spreekt het christendom over sterven en verrijzen. Op tussenmenselijk vlak kunnen we dat aldus verstaan: waar mensen sterven aan elkaar, waar ze wederzijds, uit noodzaak en in een zoeken naar toenadering, ballast afwerpen – de kunstgrepen waarmee ze zichzelf als persoon groter hadden gemaakt, om iets te betekenen, zich ‘waar te maken’, en (vooreerst al aan zichzelf) te bewijzen dat ze recht hebben van bestaan… – daar komt hun eigenheid gelouterd aan het licht, en daar verrijzen ze, gezamenlijk. Geen spectaculair gebeuren, en toch niets minder dan ‘lichaam van Christus’ worden. Of nog: het wezen van ‘Kerk’ in een prille vorm. Precies in het wederzijds opnemen van het menselijk tekort kunnen we ‘geheiligd’ worden.
Ook zo kunnen we de culturele betekenis van kerken duiden: als plaatsen die er ons aan blijven herinneren dat net door de barst het licht tot ons komt.
De hoge mate waarin heiliging in de christelijke eredienst – in de eucharistie – als een gemeenschapsgebeuren wordt beschouwd, is wellicht zeer eigen aan het christendom. Theologisch is het een schat, een unieke schat. Maar hoe zwaar is die schat in de feitelijke geloofspraktijk ondergesneeuwd geraakt… Wellicht goeddeels precies door hoe de westerse subjectcultuur reeds eeuwenlang ook het westerse geloofsleven doordringt – en reeds vanaf het eind van de veertiende eeuw, met de ‘moderne devotie’, overigens zeer authentieke bewegingen van vernieuwing heeft geïnspireerd – lijkt heiliging in het westerse christendom steeds meer een kwestie geworden van de individuele ziel.
Na eeuwen verder uitdiepen van die ‘individuele voor’ in het christelijke geloofszoeken, aanvankelijk in een frisse geest, de laatste paar eeuwen in een meer beladen sfeer, is het niet verbazend dat er vandaag slechts moeilijk een verband wordt gezien tussen dat christelijke sterven-en-verrijzen en the-crack-and-the-light van Leonard Cohen. Achter ons liggen meerdere generaties van christelijk geloofsleven waarin dat beeld van het sterven-en-verrijzen zelfs ronduit vertekend zo niet geperverteerd geraakte. Waarin het sterven werd vooropgesteld, zonder noodzaak, buiten enig appèl van een ander… Het ‘versterven’, het niet mogen, haast als principe… Gelukkig nam onze cultuur afstand van dit soort offer, dat weinig met vrije overgave had te maken. Minder gelukkig is het, dat het beeld van dat ‘sterven-en-verrijzen’ meteen ook in zijn levenskrachtige kiem gesmoord werd. Zelfs voor wie zich christen blijven noemen, blijkt het moeilijk de last van dat verleden los te laten. En toch lijkt dít voor hen de opdracht: om op zijn beurt het verleden zélf als ‘barst’ te leren zien waar ‘licht’ doorheen kan schijnen.
Want het moet gezegd: gelouterd is dat christelijke aanvoelen te herontdekken. Al zal de schoonheid van het sterven-en-verrijzen, van the-crack-and-the-light, in der eeuwigheid tussenmenselijk wel sowieso blijven oplichten, hier en daar en af en toe, toch zijn er vandaag té veel mensen en té veel tussenmenselijke constellaties waaraan die schoonheid ontzegd blijft. In die geschiedenis van onderwerping – eerst aan de dwang van die religieuze moraal, daarna aan de sluipende machtsgang van het subject – zijn wij die schoonheid cultureel immers verloren. Breed in de samenleving heerst intussen een diep wantrouwen ten aanzien van basale overgave.
Precies diezelfde tweefasige geschiedenis van onderwerping is het die ons ook van kerken heeft vervreemd. Maar zoals ik het zie, kunnen kerken intussen dus wel zélf een rol spelen in de ontvoogdingsbeweging waarin onze cultuur zich aan die onderwerping ontworstelt. Het ijler worden van het tussenmenselijke, met verlies van eenvoudige wederkerigheid en dat groeiend wantrouwen ten aanzien van overgave, is de grond waarin kerken aan herontdekking toe zijn. En een impuls, van pijn én hoop, om kerken te koesteren.
Gastvrijheid
Jaren geleden schreef Erwin Mortier in de Standaard een column over kerken met als titel “het gebouw als moeder”, met in herinnering aan zijn eigen moeder het beeld van een lange tafel waaraan elkeen kan aanschuiven die dat verlangt.
Nog sterker dan in de ontvankelijkheid van een kerk voor de eredienst spreekt in haar openheid voor dat meer vrijblijvende bezoek effectief een moederlijke aanwezigheid.
Mijn aanvoelen, dat kerken ontvankelijke plaatsen zijn, en mensen tot een ‘existentiële receptiviteit’ kunnen stemmen ongeacht hun achtergrond of overtuiging, sluit daarbij aan. Tegelijk geloof ik dat deze werkelijkheid meest krachtig werkzaam is in kerken die (ook) in het teken blijven staan van een gelovig leven, en waar gebeden en gevierd blijft worden.
Terwijl het binnenlopen in een kerk van de bezoeker niet meer dan eerbied vraagt, vooronderstelt het participeren aan de eredienst een zekere initiatie, nodig om deel te kunnen krijgen aan de eigen initiërende werking van de eredienst zelf. Tegelijk vormt die omkering van receptiviteit tot een ‘ontvangen wórden’ waartoe reeds dat ‘vrijblijvend’ vertoeven in een kerk de bezoeker uitnodigt, zélf een noodzakelijke grondlaag opdat de eredienst op haar beurt die ‘eigen initiërende werking’ zou kunnen waarmaken. Want meer dan louter in een leer initieert zij inderdaad in gemeenschap: in gemeenschap ‘in Christus’. Zo is in hoe kerken mensen ‘ontvangen’ een opeenvolging van stadia of gradaties te onderscheiden.
Nog sterker dan in de ontvankelijkheid van een kerk voor de eredienst spreekt in haar openheid voor dat meer vrijblijvende bezoek effectief een moederlijke aanwezigheid. Ik denk dat zulke moederlijke gastvrijheid – zonder daarom iets af te doen aan de eredienst, wel integendeel – aan herontdekking toe is, en dat de plaats van kerken in de samenleving er terug dichter mee zou kunnen aansluiten bij wat ik eerder hun ‘diepere eigenheid’ heb genoemd. Waar meer voeling ontstaat met de moederlijke ontvankelijkheid die van oudsher in kerken aan de orde is, zullen zij net op een meer authentieke manier ‘aan de buurt teruggegeven’ kunnen worden dan met een louter civiele herbestemming.
Het moeder-zijn dat hier in beeld komt onderscheidt zich van het moederschap dat in het verleden de Kerk werd toegedicht, en waarbij verondersteld werd dat allen – rijk of arm, recht in de leer of niet, in zelfvertrouwen of dolend… – wel haar eigen kinderen waren. Vandaag dient zich een gastvrijheid aan die nog ruimer is, en die zich om élke mens bekommert, christen of niet.
Zo kunnen kerkgebouwen beeld worden van een ontvankelijkheid en gastvrijheid waarvan de Kerk ook als instituut aan een herontdekking toe lijkt. Er lijkt een beweging op gang te komen die ertoe kan leiden dat wat de Kerk van oudsher gelooft en belijdt, met minder woorden dan voorheen in haar optreden zélf tot spreken komt. Enerzijds lijkt het inzicht dat de Geest door mensen spreekt, sterker dan voorheen ook gestalte te kunnen krijgen in hoe zij als instituut aanwezig is in de samenleving. Anderzijds wordt sinds kort haar feilbaarheid erkend, nu precies ook als instituut en niet enkel van individuele mensen. Beide samen maken dat de Kerk zich minder als ‘gevend’ gaat profileren dan als ‘dóórgevend’, en dat haar gastvrijheid meer gelouterd gaat getuigen van een besef zelf te gast te zijn in het leven.
In Leonard Cohens lofzang over de barst en het licht, klinkt verder nog “Every heart, every heart to love will come, but like a refugee”. Wie in het leven te gast is, is dat vanuit een of ander oogpunt wel ook in een hoedanigheid van ‘vluchteling’. Vandaag is ook de Kerk zélf op een of andere wijze ‘vluchteling’. Misschien brengt dit besef ons allen net dichter tot Christus. Beter dan wie ook verstaan vluchtelingen de betekenis van genade. En in een dubbele beweging. Beter dan wie ook beseffen zij dat zij niets kunnen geven indien de context hun daar geen kans toe biedt. Bovenal echter maakt dankbaarheid voor kansen waarvan dat niet-evident-zijn manifest geworden is, dat hun geven transparant wordt voor deze nog diepere waarheid: dat álle geven te danken is aan een gegeven worden. Naarmate de Kerk tot loutering komt, kan in haar optreden ‘vanzelfsprekend’ worden wat in kerkgebouwen op een of andere wijze wel altijd voelbaar is gebleven: dat het uiteindelijk niet zíj is die aan tafel nodigt, maar God.
Frank Vandepitte