Aardbeienjam [Kolet op zondag]
‘Ik heb gisteren een impulsaankoop gedaan’ biecht mijn buurvriendin op.
Ik zie geen ongemakkelijke nieuwe schoenen of een raar bloesje.
‘Ik heb een hele krat met aardbeien gekocht’, gaat ze verder. ‘Ik had opeens het idee om aardbeienjam te maken.’
‘Dapper!’ zeg ik. ‘Dat zal wel lukken, zeker?’
‘Ik had er niet aan gedacht dat je die aardbeien niet te lang mag laten wachten’, zegt ze. ‘En ik heb eigenlijk geen tijd om jam te maken de eerste dagen. Maar nu zal het toch moeten.’
Ze overloopt wat er allemaal bij komt kijken: minuutsuiker en rabarber en citroenen kopen, de aardbeien wassen en ontkronen, koken, roeren, proeven, laten opstijven, in potjes doen...
Vroeger toen onze kinderen klein waren, maakten we allebei elk jaar jam. In de loop der jaren zijn we daarmee gestopt. We eten minder jam en het is zoveel werk voor die paar potjes.
‘Het zal heel lekker zijn!’ weet ik zeker.
Misschien is het niet rationeel. Je kunt in de winkel best lekkere aardbeienjam kopen. Maar zelf iets maken voor wie je lief is, daar gaat niets boven. Iets koken of bakken, breien of naaien, timmeren of kweken. Die jam of dat truitje zijn zondermeer onbetaalbaar.
En af en toe iets doen wat nergens op slaat, is onweerstaanbaar charmant.