Angst en dromen
Wat werden we de voorbije maanden weer overspoeld met berichten van angst en rampspoed. Je kon geen krant openslaan of de onheilstijdingen grepen je bij de keel. De straten zijn onveilig, we eten kankerverwekkend voedsel, transmigranten veroorzaken overlast, de botsing der culturen is onvermijdelijk, het onderwijs gaat teloor, de pensioenen worden onbetaalbaar, onze waterlopen zitten vol mest, de planeet is binnenkort onleefbaar. Afgaande op alle onheilstijdingen in de (sociale) media doen we er goed aan alle hoop te laten varen. Er is geen toekomst meer.
Zou het echt? Op het eerste gezicht wel, op het tweede gezicht niet. Elk van die problemen is inderdaad reëel. Op straat zien we daadwerkelijk ongevallen en geweld, kanker is een ernstig risico, de opvang van vluchtelingen en de integratie van migranten is beslist niet makkelijk, de vergrijzing leidt tot een zware pensioenlast, we hebben nog een lange weg te gaan om ons leefmilieu te saneren en de klimaatuitdagingen zijn best wel beangstigend. Voor elk van die bedreigingen valt wat te zeggen. Niemand moet doen alsof dat akkefietjes zijn.
Maar moeten we ons daar telkens weer zo door laten verlammen? Mogen we nog zeggen dat onze samenleving vandaag veiliger, welvarender, kansrijker en gezonder is dan de voorbije eeuwen en millennia? Of dat het hier een stuk beter is dan in grote delen van de wereld? Soms bekruipt me het gevoel dat die redelijkheid, dat gevoel voor perspectief, niet langer wordt aanvaard. Sommige mensen worden zelfs agressief wanneer je durft te opperen dat we het hier nog zo slecht niet hebben.
Mogen we nog geloven in ons vermogen om problemen op te lossen of minstens in leefbare banen te leiden? Durven we als mensheid nog te geloven in onze mogelijkheden? Vaak hoor ik zeggen dat de jongeren van vandaag de eerste generatie zijn [node:field_streamers:0] die het slechter zal hebben dan haar voorgangers. Wie heeft dat beslist? Waarop is dat gebaseerd? Is dat echt het toekomstbeeld dat we onze jeugd willen meegeven?
Het lijkt wel alsof je tegenwoordig moet kiezen. Ofwel ben je een naïeve optimist, ofwel een doemdenker. Waar is de tussenweg gebleven? Waarom zouden we niet tegelijk de problemen ernstig kunnen nemen en toch geloven dat oplossingen mogelijk zijn?
We zijn het dromen verleerd. Na de Tweede Wereldoorlog hadden we grootste projecten. De vrede herstellen, een welvaartsstaat uitbouwen met werk en sociale bescherming, een eigen woning voor ieder gezin, snelwegen en fabrieken bouwen, scholen en zorginstellingen toegankelijk maken voor iedereen. Het overheersende gevoel was er een van vooruitgang. De Europese eenmaking was een wervend project.
Vandaag willen we enkel nog behouden wat we hebben. Met dat behoud is op zich niets verkeerd, maar rest ons dan werkelijk geen enkele droom? Zien we onze samenleving voortaan nog louter als een bunker waarin we ons verschansen, veilig beschermd tegen de grote boze buitenwereld?
Zondag is het Pinksteren. Een feestdag die zindert van hoop. We herdenken de dag dat de apostelen hun bunker verlieten, de straat optrokken, de blijde boodschap verkondigden. Schuilt daar een verklaring voor ons pessimisme, dat velen die boodschap niet meer kennen? Wie openstaat voor de Geest, kan onmogelijk een doemdenker zijn, kan de wereld niet zien als een onherbergzame plaats, kan zijn medemens niet reduceren tot een bedreiging.
De Geest blaast ons de liefde in, Hij vuurt de hoop op ons af. Geen gratuit optimisme, maar ware hoop. De overtuiging dat God het beste voorheeft met de mens en ons vraagt om ook elkaar met liefde te omringen. Wie dat durft te geloven, mag leven zonder angst en kan nog grote dromen koesteren.