Brief aan mijn jongere ik ~ Gie Goris
In de reeks Brief aan mijn jongere ik kijken 9 grote persoonlijkheden terug op een moment in hun leven dat bepalend was voor de mens die ze geworden zijn. Wat droomde hun jongere ik? Welke inzichten zouden ze met hem of haar willen delen of waarvoor waarschuwen?
Gie Goris (65) groeide op in een mijnwerkersgezin. Na zijn middelbare school koos hij voor godsdienstwetenschappen aan de KU Leuven. In 1980 ging hij aan de slag bij Broederlijk Delen-Welzijnszorg. Tien jaar later werd hij hoofdredacteur van het christelijke tijdschrift Wereldwijd dat later met De Wereld Morgen fuseerde tot het online magazine MO*. In 2020 ging hij met pensioen.
Beste Guido,
Ik schrijf je vanuit je toekomst, vijftig jaar verder. In de loop der jaren werd je Italiaanse voornaam afgekort en vernederlandst, en daarmee meteen uniek – dacht ik. Dat blijkt niet het geval want ik heb alvast weet van twee andere Gorissen die met de voornaam Gie door het leven gaan. Sorry gasten, het was niet als concurrentie bedoeld!
Maar die kleine voornaamwissel is niet zo belangrijk, dat vindt ons moeder ook. Zij houdt, terecht, vast aan de mooie naam die zij uitkoos. En ik leef alsof er geen andere voornaam is dan die welke ik uitkoos, tenzij er een visum aangevraagd of een bankverrichting gepleegd moet worden. Het is een stilzwijgende overeenkomst tussen moeder en zoon: ieder mag vasthouden aan de eigen overtuiging en net daarom is wederzijds respect mogelijk.
Dat weet ik, nu ik 65 ben. Maar jij bent nog maar 15, en je worstelt daar nog mee. Ik herinner me de vreselijke momenten waarop ik dingen wou – en dus deed – die moeder niet oké vond.
Slappe jeans in plaats van een scherp gestreken broek. Zelf gevouwen enveloppes van hartjespapier.
Ik begreep waarom ze ervan huiverde, maar ik ben altijd slecht geweest in plooien – en dat betert er niet op met de jaren. Dat klinkt koppig, maar ik weet dat ik als vijftienjarige kon wenen van machteloosheid, omdat ik niet kon plooien, niet kon doen alsof, niet voor de lieve vrede kon zorgen. En ook dat betert niet. Ik schrijf je dat niet om je in al je jeugdige zoeken nog wat meer te ontmoedigen, maar om te melden dat je uiteindelijk toch alleen je eigen keuzes hebt om je aan vast te houden. Dat voel je nu al, en ik weet het zeker. Dat is geen recept voor simpel geluk, maar daarvoor ben je nu eenmaal niet in de wieg gelegd.
Je bent vijftien, en je maakt dit jaar een van de belangrijkste keuzes van je leven.
Je verandert van school en studierichting. Een serie onzachte botsingen met de directie van het college waar je Grieks-Latijnse volgt, overtuigt je van de noodzaak om te verkassen. Het is nu zelf vertrekken of straks aan de deur gezet worden. Je houdt de eer aan jezelf. Bovendien wil dat Grieks niet echt lukken en je hebt gelezen – het is te lang geleden, ik weet niet meer in welk tijdschrift, dus als je antwoordt, geef me dan eens de referenties ajb? – dat elektronica de toekomst is.
Het is 1970, en in onze Zuiderkempen weten we nauwelijks wat een telefoon is, laat staan dat we beseffen dat de digitale revolutie in de steigers wordt gezet.
Maar dat artikel raakt je, en je beslist niet alleen het college te verlaten, maar ook om voor de technische richting A2 Elektronica-Elektriciteit te kiezen. Als ik daar 50 jaar later op terugkijk, vind ik het nog altijd moedig en visionair van je.
Maar het is ook ondoordacht, natuurlijk. Dat je geen verstand hebt van techniek, dat weet je wellicht wel, maar je zal het straks ook aan den lijve ondervinden. Dat je niet eens weet wat het verschil is tussen elektronica en elektriciteit, dat zegt voldoende duidelijk dat je kiest op het gevoel, niet op basis van inzicht. En dat gevoel blijkt al snel veel dieper te gaan dan een toevallig opgeraapt idee over de toekomst. Het heeft ook te maken met een gevoel van zelfwaarde.
Je weet nog goed hoe je vorig jaar vernederd werd door een leraar, in volle klas, omdat je niet mee kon op waterskiweek.
Het verdict thuis was onverbiddelijk: dat kunnen wij niet betalen. Maar de leerkracht stelde het voor alsof je jezelf te goed vond om mee te gaan. Je zal zien, eenmaal je volgend schooljaar in die technische school zit, is dat klasseverschil weg. Je komt thuis, ook al kan je met een soldeerbout enkel je vingertoppen schroeien.
De ervaring van herkenning en aanvaarding zal nog belangrijker zijn volgend jaar dan dit jaar, want je vader zal plots niet meer elke dag naar de mijn van Beringen kunnen gaan. Acute reuma, het gevolg van jarenlang werken in vochtige gangen onderaan de steenkoolwinning, kluistert hem aan bed en slaat een diep gat in het gezinsbudget.
Daarom is de keuze die je nu maakt, Guido, bepalend voor je verdere leven. Je ziet vanuit de warme en vrije omgeving van de vakschool dat je oké bent.
Je bent niet technisch, je haalt geen briljante uitslagen, je bent de vreemde – stilaan linkse, politieke – eend in de bijt, maar je bent een van hen.
Dat geeft je nog minstens een eeuw de kracht om jezelf te worden. Je leert: ik hoef niet op de tippen van mijn tenen te staan om de gelijke te zijn van de zonen van notabelen, welgestelden of andere geëerde burgers. Je leert je beide voeten op de grond te zetten en te voelen: dit ben ik, daar wil ik naartoe, en dat is de wereld waarvoor ik wil vechten.
Guido. Nog een jaar of twee, en je verandert in Gie. Ik zal je niet verklappen waarom, of wat er daarna nog allemaal volgt. Een lach, een traan, een overwinning en een paar nederlagen – vooral in het gevecht met jezelf. Maar met deze brief wil ik je vooral gelukwensen met die ondoordachte, intuïtieve keuze om naar de vakschool te gaan. The only way is up, is een misvatting.
De enige weg is het pad dat je zelf baant. Go, Guido, go!