Een goed mens – Kristien Hemmerechts [column]
Ik denk vaak aan Mimi. Ze woonde aan de overkant van de straat, schuin tegenover mij. Jaren en jaren zag ik haar het huis in en uit gaan, boodschappen aanslepen, vuilniszakken buiten zetten. Ook haar kinderen zag ik, en haar man, en later haar kleinkinderen, en nu zie ik haar al een hele tijd niet meer. 'Waar is Mimi?' denk ik dan, en een seconde later besef ik dat zij en haar man nu in een WZC wonen, een woonzorgcentrum. Het huis werd hun te groot, het leven te jachtig en te lastig. De nieuwe eigenaars zijn het huis aan het verbouwen, benieuwd wie er straks zijn intrek neemt. Het leven gaat verder, zoals het leven altijd verder gaat, of we dat willen of niet. Dingen gaan voorbij, mensen ook, maar ik zie Mimi nog lopen, eeuwig en altijd in een grijze jas, vaak samen met haar man, hij ook al in een grijze jas, zij forser dan hij, hij jaar na jaar meer kromgebogen.
Mimi was een goed mens. Ik weet niet zoveel over haar, maar dit weet ik wel: ze was een goed mens. Ooit organiseerde ze een crowdfunding voor een gezin waarover ze zich had ontfermd. Dat deed ze wel vaker. Naar aanleiding van die crowdfunding heb ik een paar keer met haar gepraat, en ik ben ook bij haar gaan aanbellen toen een kleindochtertje van haar was gestorven. Leukemie.
Mimi was voor mij een baken van hoop, iemand met een zuiver, gul hart. Ze leefde volgens het evangelie, gewoon omdat ze zo was.
Ik mis haar in het straatbeeld, en ook hem mis ik, die twee gearmd, het weer trotserend, samen op weg naar het station of een winkel. Zij was voor mij een baken van hoop, iemand met een zuiver, gul hart. Ik weet niet of ze iets had met de kerk of met geloof, maar ik weet wel dat ze leefde volgens het evangelie, niet omdat ze zich daartoe verplicht voelde, maar gewoon omdat ze zo was. Ze kon niet anders.
Lees ook
Jaren geleden op school moesten wij in de Franse les af en toe een gedicht uit ons hoofd leren. Eén van die gedichten eindigde met de vraag: ‘Est-ce que les oiseaux se cachent pour mourir?’ De dichter vroeg zich af hoe het kwam dat vogels stierven tijdens de winter, maar dat je in de lente hun lijkjes niet op het gazon zag liggen. Ook katten verbergen zich wanneer ze hun einde voelde naderen, zo vertelde me een vriendin. Mimi en haar man hebben zich ook verborgen, zij het noodgedwongen. Ze zijn weggeborgen, al klinkt dat een beetje negatief. Ik hoop dat ze veilig geborgen leven. In mijn hoofd wandelt Mimi nog altijd aan de overkant van de straat. Ze geeft me moed, en geloof in de mensheid, en vertrouwen in de hoopvolle wetenschap dat ondanks alles het goede bestaat en dat ieder mens ervoor kan kiezen het goede te doen.



