Het ego sterft bij de geboorte van een kind – Dennis Pauwels [column]
Ik schilderde twee doeken in één ruk, met de wanhoop van een belastingaangifte net voor middernacht. Mijn concept hield stand, de uitvoering was goed genoeg.
Deadlines heb ik nodig. Dus reageerde ik meteen toen mijn werkgever een open call lanceerde. Ik schreef een idee uit alsof het om een subsidieaanvraag ging. Iemand vond het belangrijk genoeg en dus hing ik eraan vast.
Het idee was er al lang: ik zou knuffels schilderen alsof het portretten waren. Portretten in chiaroscuro, Rembrandt achterna. De knuffel als mens. In de psychologie heten ze ‘transitionele objecten’. Ze vormen een brug tussen het kind en een afwezige ouder. Afwezig door de dood, oorlog, of gewoon een ouder die niet meer naast je zit als het licht uitgaat. Een idee dat uit mijn poriën leek te druipen, alleen: ik kwam er nooit toe.
Tijdens de pandemie leek iedereen plots creatief te worden. Mensen wandelden nieuwe bospaden bloot, bakten brood of ver-instagramden hun wereld. Bij mij viel er alles stil. Mijn relatie eindigde en ik hernieuwde mijn kunstopleiding niet. Mijn prioriteiten gingen naar het vaderschap en het hervinden van mijn ego. Men had me gewaarschuwd dat het ego sterft bij de geboorte van een kind, maar ik dacht dat ik er al vanaf was. Oh hubris.
Hoewel het verlangen naar schilderen voortsluimerde, duurde het jaren voordat ik weer een plek vrijmaakte, een ezel kocht, tubes verf en penselen. Alles nieuw. Alleen de discipline om weer aan het canvas te staan bood niemand aan.
Het kunstenaarschap is minder verheven dan ik dacht. Misschien draait het, net als vaderschap, allemaal om aandacht.
Er volgden drie vergaderingen. Geen gesprekken over inspiratie, over wat kunst eigenlijk is, de techniciteit van tonaliteit, want in onze functieomschrijving staat niets over kunst. We bespraken alleen de kleuren van gyproc en de juiste diameter van nagels. Het ego werd klein gehouden.
Maandenlang gleed ik vol schuldgevoel voorbij het lege canvas. Tot net voor de deadline. Knuffels zijn vergevend als het om anatomie gaat. Niemand valt over een loshangende poot of een scheel oog.
Minuten voor de vernissage plakte een collega nog een bloem op de muur, vouwden we mini-brochures als surrogaat voor een onaffe website en liep ik nog gauw om alcoholvrije cava.
Lees ook
Collega’s schuifelden voorbij. Ze gaven complimenten, of fluisterden hoe het hen raakte. Ik leek opgenomen te zijn in de canon van de kunstgeschiedenis, maar dacht: zeg me gewoon dat het oor wat te groot is. Soms werd ik cynisch; het lef om haastwerk op te hangen triomfeerde over de uitvoering. Een ego is als de zon: niemand durft er echt naar te kijken.
Iemand vroeg me om uitleg. Ik was eerlijk, en de man schrok. Hij zei: ‘Oh, het is dus heel persoonlijk?’ Ik knikte, zelf een beetje ontzet. Wanneer is kunst niet persoonlijk?
Toch begreep ik die vraag. Ik had net zoveel tijd besteed aan bubbels, muren en brochures als aan de verf op het doek. Het kunstenaarschap is minder verheven dan ik dacht. Misschien draait het, net als vaderschap, allemaal om aandacht. Voor het werk, voor de ander, en voor het detail dat altijd groter is dan jezelf.
