Het verraad. ‘Ik ben het toch niet?’ - paus Leo XIV [catechese]
Cyclus – Jubileum 2025.Jezus Christus onze hoop. III Het Pasen van Jezus. 2. Het verraad. “Ik ben het toch niet?” (Mc 14,19)
Geliefde broeders en zusters,
we zetten onze tocht verder in de school van het Evangelie, in de voetstappen van Jezus volgend tijdens de laatste dagen van zijn leven. Vandaag staan we stil bij een gebeurtenis die intiem en dramatisch is en tegelijk ten diepste waar: het ogenblik waarop, tijdens het Paas Avondmaal, Jezus te verstaan geeft dat een van de Twaalf Hem zal verraden: “Voorwaar, Ik zeg u: een van u zal mij overleveren, een die met Mij eet” (Mc. 14,18).
Krachtige woorden. Jezus spreekt ze niet uit om te veroordelen, maar om aan te tonen dat de liefde, in de mate dat ze echt is, niet zonder de waarheid kan. De bovenzaal, waar even tevoren alles met zorg was voorbereid, wordt onverwacht vervuld met een stille pijn, bestaande uit vragen, vermoedens, kwetsbaarheid. Het is een pijn die we goed kennen, ook wij, wanneer in de dierbaarste relaties de schaduw van het verraad opduikt.
‘Ben ik het toch niet?’ Het is niet een vraag van een onschuldige, maar van een leerling die ontdekt kwetsbaar te zijn.
En toch, de wijze waarop Jezus spreekt over wat te gebeuren staat, is verrassend. Hij verheft de stem niet, wijst niet met de vinger, spreekt de naam van Judas niet uit. Hij spreekt op zodanige wijze dat elkeen zich de vraag kan stellen. En dat is precies wat er gebeurt. De Heilige Marcus zegt: ‘Droefheid maakte zich van hen meester en zij begonnen de een na de ander Hem te vragen: Ik ben het toch niet?’ (Mc 14,19).
Geliefde vrienden, deze vraag ‘Ben ik het toch niet?’ kunnen we ook aan onszelf stellen. Het is niet een vraag van een onschuldige, maar van een leerling die ontdekt kwetsbaar te zijn. Het is niet de kreet van de schuldige, maar het gelispel van wie, ofschoon men wil liefhebben, beseft te kwetsen. Het is dit bewustzijn dat het begin is van de weg naar de verlossing.
Aanvoelen van betrokkenheid
Lees ook
Jezus klaagt niet aan om te vernederen. Hij vertolkt de waarheid omdat Hij wil redden. En om gered te worden moet men aanvoelen: aanvoelen dat men betrokken is, voelen dat men ondanks alles toch bemind wordt. Aanvoelen dat het kwaad realiteit is maar niet het laatste woord heeft. Slechts wie de waarheid gekend heeft van een diepe liefde, kan ook de wonde van het verraad een plaats geven.
De reactie van de leerlingen bestaat niet in woede maar in droefheid. Zij worden niet verbolgen, maar worden bedroefd. Het is een pijn die ontspringt aan de werkelijke mogelijkheid erin betrokken te zijn. Precies deze droefheid, wanneer ze met oprechtheid aanvaard wordt, wordt het punt van bekering. Het Evangelie leert ons niet het kwaad te negeren, maar het te herkennen als pijnlijke gelegenheid om opnieuw geboren te worden.
Jezus voegt dan een zin toe die ons verontrust en ons doet nadenken: “Wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!”(Mc 14,21). Dit zijn zeker harde woorden, maar ze moeten juist verstaan worden: het gaat niet om een vervloeking, het is veeleer een kreet van pijn. In het Grieks klinkt die “wee” als “ocharm”, een klacht, een uitdrukking van oprecht en diep medelijden.
Niet oordelen
Wij hebben de gewoonte te oordelen. God, daarentegen, aanvaardt pijn te lijden. Wanneer Hij het kwaad ziet, wil Hij zich niet wreken, maar wordt bedroefd. En dat “als hij niet geboren was” is geen onvermijdelijke veroordeling, maar een waarheid die ieder van ons kan herkennen. Als we de liefde die ons het leven schonk negeren, als we door verraad ontrouw aan onszelf worden, dan verliezen we werkelijk de zin van ons ter wereld komen en sluiten we onszelf uit van de verlossing.
En precies daar, op dat donkerste punt, dooft het licht niet. Integendeel, het begint te schitteren. Want als we onze grens herkennen, als we ons laten raken door het lijden van Christus, dan kunnen we eindelijk opnieuw geboren worden. Het geloof behoedt ons niet voor de mogelijkheid tot zonde, maar het biedt ons steeds een uitweg: die van de barmhartigheid. Jezus wordt niet ontsteld door onze zwakheid. Hij weet heel goed dat geen enkele vriendschap vrij is van het gevaar van verraad. Maar Jezus blijft vertrouwen. Hij blijft aan tafel gaan met de zijnen. Hij weigert niet het brood te breken ook voor wie Hem verraadt.
Dat is de stille kracht van God: Hij verlaat nooit de dis van de liefde ook niet wanneer Hij weet dat Hij verlaten zal worden.
Geliefde broeders en zusters,
ook wij kunnen ons vandaag oprecht de vraag stellen: ‘Ik ben het toch niet?’. Niet om ons beschuldigd te voelen, maar om in ons hart ruimte te scheppen voor de waarheid. Hier begint de verlossing: bij het bewustzijn dat wij in staat zijn het vertrouwen in God te breken, maar ook dat wij in staat zijn het te herstellen, het te bewaren, het te vernieuwen.
Ten gronde is dit hoop: beseffen dat, ook als wij kunnen falen, God nooit tekortschiet. Ook al zijn wij in staat tot verraad, Hij houdt niet op ons lief te hebben. En als we ons door deze liefde laten raken — nederig, gekwetst maar steeds gelovig trouw – dan kunnen we echt opnieuw geboren worden. En beginnen leven niet als verraders, maar als voor altijd beminde kinderen.
Vertaald uit het Italiaans door Marcel De Pauw msc



