Ik doe alsof Pokémon iets van mijn zoon is — Dennis Pauwels [column]
Het is woensdagochtend. Drieënveertig volwassenen, één puber met een doktersbriefje en ikzelf staan aan te schuiven op de stoep voor de spelletjeswinkel. Ik luister een ouder koppel in het bushokje aan de overkant af. ‘Het is iets met Pokémon,’ zegt de man tegen de vrouw. ‘Wat is Pokémon?’ vraagt de vrouw. ‘Dat ik het niet weet.’
Ik weet sinds corona pas echt wat Pokémon is. Toen gingen mijn zoon en ik op wandel om de zogenaamde Pokémon te vangen. Fictieve Pokémon op de gsm, welteverstaan: kleine, op dieren lijkende monstertjes die vaak schattig getekend zijn. Er bestaat ook een fysiek spel van, met ruilkaarten, en vandaag verschijnt er een nieuwe set. Die moeten we hebben!
Het spel bestaat 30 jaar. De nieuwe set zou bestaan uit enkele retro-kaarten, maar vooral veel nieuw, blinkend tekenwerk. Sommigen hopen vooral iets zeldzaams uit een pakje te trekken. Pokémon is schaars, en gewild, en dus waardevol. Anderen komen hun verzameling weer aanwakkeren.
Ik vond mezelf destijds net te oud om me erop toe te leggen. De figuurtjes waren kinderachtig, en ik was verdorie al twaalf. Dat maakt het wellicht des te vreemder dat ik hier nu toch sta.
Hoewel.
Vroeger verspilden we ook tijd. We deden het wel grondiger.
Recent stond in de krant dat huishoudens zonder kinderen verantwoordelijk waren voor meer dan de helft van de speelgoedomzet. In de Verenigde Staten opent de overbekende speelgoedwinkel Toys”R”Us honderden nieuwe filialen. Het is overal. LEGO enkel voor volwassenen, veertigers die meekwelen met K3-hits, Tamagotchi’s die om eten biepen. Kidults, noemen ze hen. Kinderen met een bankkaart.
The Guardian vond ook een andere verklaring. Het is niet louter nostalgie. We zijn voortdurend bereikbaar, en geïnformeerd, en productief en verantwoordelijk. Al onze vrije minuten worden gevuld met mails, WhatsApp en vooral veel scrollen. We kopen dus speelgoed, verzamelen kaarten of naaien en puzzelen om van ons scherm af te komen.
We willen onze versnipperde aandacht weer aanplakken.
Vroeger verspilden we ook tijd. We deden het wel grondiger. We gooiden urenlang een bal tegen een muur en verveelden ons soms zo hard dat uit die verveling vanzelf iets anders ontstond. Nu kan ik uren op mijn telefoon zitten en achteraf nauwelijks navertellen wat ik heb gezien. Waar is de tijd?
Daarom jagen we vandaag op Pokémon. Eerlijk, maalt iemand echt om die onbestaande, kleurrijke, Japanse wezentjes? Een vrouw voor me draait zich om en zegt dat ze zich zorgen maakt dat er niets voor ons zal overblijven. De rij gaat traag vooruit. Mensen komen met steeds minder naar buiten. Zo is het maar, zeg ik. Ik doe alsof ik hier per ongeluk sta.
Al zes jaar vertel ik iedereen die het horen wil dat ik eigenlijk niets van Pokémon ken. Dat het iets van mijn zoon is en dat ik gewoon volg in zijn enthousiasme.
Straks scheuren mijn zoon en ik de pakjes open, zoeken we naar zeldzame kaarten en bespreken we de mooiste tekeningen. Hij zal me een kaart tonen en vragen hoe die Pokémon weer precies heet.
‘Reuniclus,’ zal ik denken.
‘Dat ik het niet weet,’ zal ik zeggen.





