Oude wijsheid
Jezus Sirach, niet te verwarren met Jezus van Nazareth, leefde ongeveer twee eeuwen vóór Christus. Lang geleden dus, maar zijn wijsheden blijven verrassend actueel. Aanstaande zondag mogen we in de viering opnieuw één van zijn raadgevingen beluisteren. „Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks, alleen een zondaar blijft ermee lopen”, zo opent de eerste lezing.
Jezus Sirach pleit dus radicaal voor vergiffenis. Op een verrassende wijze keert hij daarbij de gangbare rollen om: niet wie ons iets heeft misdaan, is een zondaar, wij zijn het zelf wanneer we er niet in slagen te vergeven. Dat botst met ons rechtvaardigheidsgevoel. Nochtans doet Jezus Christus er in het zondagsevangelie nog een flinke schep bovenop. Wanneer Petrus Hem vraagt: „Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?”, antwoordt Jezus hem: „Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.”
Van alle lastige zinnen in het evangelie is dat misschien wel de allerlastigste. Zeventig maal zeven? Dat is 490. Zou er op deze wereld één mens rondlopen die er ooit al in slaagde zijn belagers bijna vijfhonderd keer te vergeven? In de praktijk is het zelfs nog erger, want „zeventig maal zevenmaal” is beeldspraak voor oneindig veel. Er staat dus geen vervaldatum op vergeven. In de parabel die erop volgt, voorspelt Christus een verschrikkelijk lot voor ieder die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.
Wat staan die woorden haaks op onze tijdsgeest. Vergiffenis lijkt tegenwoordig veeleer een zwakte dan een deugd. Het publieke debat was nooit eerder zo hitsig. Politici beschuldigen elkaar van verraad en kwaadwilligheid, kranten maken publieke processen van al wie een fout maakte, Twitter is een vergaarbak van haat [node:field_streamers:0] en verwijten, zonder enige poging elkaars standpunt te begrijpen.
Rechts haat links en links haat rechts. Veganisten vinden vleeseters moordenaars, racisten schreeuwen dat gekleurde mensen minderwaardig zijn. Zelfs in het coronadebat staan voor- en tegenstanders van strikte maatregelen met getrokken messen tegenover elkaar. Elk incident wordt opgeklopt tot een maatschappelijke kloof, elk meningsverschil ontaardt in een hoogfeest van onverzoenlijkheid. Waarom zijn we zo hard geworden? Hoe kon dat gebeuren? Waarom zien we niet langer dat mildheid een zegen voor de mens is, terwijl dat toch zo voor de hand ligt?
Zou het afbrokkelen van het christendom in onze samenleving aan de basis liggen? Misschien, al wordt in de Verenigde Staten de Bijbel al te vaak bovengehaald om elkaar naar de hel te wensen. Hoogmoed speelt hoe dan ook een rol. Wie zich onverzettelijk opstelt tegenover de ander overschat duidelijk zijn eigen deugdzaamheid. „Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder en waarom slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog?”, luidt een Bijbelse wijsheid die best opnieuw wat bekender zou worden.
Misschien is bovenstaande analyse overdreven. Wellicht valt hardheid gewoon meer op dan goedheid. Er zijn veel vergevingsgezinde mensen, die bereid zijn hun medemens een nieuwe kans te geven na een misstap. Het biedt ons als christenen in elk geval een unieke kans om te tonen dat ons geloof geen zondagse hobby is, maar een voltijdse overtuiging. De wrok uit de wereld bannen en vergiffenis laten zegevieren, hoe prachtig is de opdracht die we van God krijgen?
Jezus Sirach wist het al lang vóór onze tijd: „Denk aan het verbond van de Allerhoogste en vergeef uw naaste zijn dwaling.” Een oude wijsheid die we best zo snel mogelijk in een nieuw jasje steken. De wereld zal er deugd aan beleven.