Over technische, sociale en wetenschappelijke vooruitgang – Paus Leo XIV [catechese]
Broeders en zusters, goedendag en welkom!
We vervolgen onze weg door de pastorale Constitutie Gaudium et Spes van het Oecumenisch Concilie Vaticanum II. We zijn nu bij het derde hoofdstuk van het eerste deel. Het heeft als titel: De binnenwereldse menselijke activiteit. De fundamentele vraag is deze: wat is de waarde van de menselijke activiteit in de wereld en dus van de technische, sociale en wetenschappelijke vooruitgang? We mogen ons herinneren dat minder dan vier jaar na het einde van het Concilie, in de nacht van 20 op 21 juli 1969, de mens voor de eerste keer voet op de maan heeft gezet.
Geschapen naar beeld en gelijkenis met God, is het menselijk wezen het subject van vooruitgang. Met vrijheid en verstand vermeerdert hij de eigen kennis en doet zo de hele samenleving vooruitgaan. We zien dat heel duidelijk wanneer we de verbeteringen merken in de levensvoorwaarden van de opeenvolgende generaties. Inderdaad, zegt het Document: 'Zo geschiedt het dat de mens zich de vele goederen die hij vroeger voornamelijk van bovenaardse krachten verwachtte thans door eigen inspanning kan bezorgen' (n. 33).
Daarom hebben sommige denkers de technisch-wetenschappelijke vooruitgang voorgesteld als iets dat de verhouding met God zo verzwakt dat Hij overbodig lijkt of zelfs als tegenkracht gezien wordt van het christelijk geloof. Deze benadering heeft verandering van zienswijze veroorzaakt bij de hedendaagse mens in vergelijking met de vroegere tijden. Een dergelijk vooroordeel komt voornamelijk voor in dat deel van de Westerse cultuur dat de band met de christelijke Openbaring verloren heeft. In de nachristelijke vormen van humanisme worden mens en God verkeerdelijk voorgesteld als rivalen. Om zijn kennis, zijn vrijheid en zijn vooruitgang te bevestigen, zou de mens zich van God moeten vrij maken. Uiteindelijk leidt dit ertoe dat door het ontkennen van de relatie met God, ook de mogelijkheid verdwijnt om de transcendente waarde van de menselijke persoon te vertolken. Dat is het 'drama van het atheïstisch humanisme', zoals goed beschreven werd door de belangrijke theoloog van het Concilie Vaticanum II, Henri de Lubac (1)
In de na-christelijke vormen van humanisme worden mens en God verkeerdelijk voorgesteld als rivalen.
Paus Leo XIV
Het Concilie wil een duidelijk antwoord geven. 'Voor de gelovigen', zegt Gaudium et Spes, 'is dit een vaste overtuiging, namelijk dat de individuele en gezamenlijke activiteiten van de mensen, anders gezegd, die grootse onderneming waarin de mensen in de loop der eeuwen moeite doen om hun levensvoorwaarden te verbeteren, in zichzelf beschouwd met de bedoeling van God corresponderen' (n. 34).
Integendeel, zegt de Constitutie, 'verre van te dromen dat de werken die de mensen door hun natuurlijke talenten en werkkracht presteren aan de macht van God tegengesteld zijn alsof het redelijk schepsel een soort concurrent van de Scheppers wordt. De christenen zijn er dan ook van overtuigd dat de overwinningen van de mensheid veeleer een teken zijn van de grootheid van God en de vrucht van zijn onuitsprekelijk raadsbesluit' (ibid.). In feite heeft God aan mannen en vrouwen een schepping toevertrouwd die nog in statu viae is, dat wil zeggen op weg, groeiend opdat zij het door hun wijze activiteit tot voltooiing kunnen brengen. (2)
Hier klinkt een belangrijke verwijzing naar het mysterie van de menswording. De mensheid – en met haar de arbeid, de vooruitgang en de autonomie van de geschapen werkelijkheid – wordt niet opgeslokt of opgeheven door de ontmoeting met God. Integendeel, zij wordt opgenomen in zijn heelheid door te blijven bestaan, in Christus, vrij en werkdadig. Inderdaad, in Hem vindt zij haar volle waarheid en vrijheid. Bovendien, in de viering van de Eucharistie, wordt de vrucht van de menselijke arbeid, vertegenwoordigd door brood en wijn, elke dag op het altaar gezet om veranderd te worden in het Lichaam en Bloed van Christus.
Om God te ontmoeten, moet de mens zijn aardse werkzaamheden niet opgeven. Hij kan de eigen roeping volledig beleven door het dagelijkse en heiligende werk goed te doen.
Vanzelfsprekend moet de aardse vooruitgang onderscheiden worden van het rijk van Christus. In ieder geval, het Concilie zegt dat 'dergelijke vooruitgang, in de mate dat die kan bijdragen tot een betere opbouw van de menselijke gemeenschap van groot belang is voor het rijk van God. (…) Alle goede vruchten van de natuur en van onze arbeidzaamheid zullen wij, na ze in de Geest van de Heer over heel de aarde volgens zijn gebod verspreid te hebben, opnieuw terugvinden, maar bevrijd van elke smet, verlicht en omgevormd' (n.39).
Laten wij ten slotte ons herinneren dat, om waarlijk menselijke vooruitgang te worden – geheel de mens en alle mensen –, de technische en wetenschappelijke vooruitgang moet bezield en gestuurd worden door de naastenliefde. Alleen op die wijze kan hij altijd op post zijn ter verdediging van de waardigheid van de mens en de levensvoorwaarden bevorderen van allen, vooral van de meest benadeelden.
Geliefde broeders en zusters,
Het Tweede Vaticaans Concilie nodigt ons uit het brood van het kennen en van het kunnen te delen opdat elke mens en ieder volk zijn mogelijkheden zou kunnen ontwikkelen zodat we samen, met Gods hulp, een betere toekomst kunnen opbouwen.
(1) Cfr H. de Lubac, Le drame de l’humanisme athée (1044, tr. It. Brescia 2013).
(2) Cfr Catechismus van de katholieke Kerk, nn. 302,306, 307.2
(3) H. Johannes-Paulus II, Omelia per la canonizazione di Josemaria Escriva de Balaguer (6 oktober 2002)
Vertaling uit het Italiaans: Marcel De Pauw msc

