Waarom ik aan de vasten deelneem – Christophe Vekeman [column]
Veel van wat we doen en denken heeft te maken met beloning. We gaan werken, bijvoorbeeld, met het oog op – het woord zegt het zelf al – een loon. Als wij een periode lang genoeg gewerkt hebben, en voldoende loon vergaard, belonen wij onszelf met een vakantie, die wij wel verdiend hebben. Presteren wij het om zowat een leven lang te werken, dan worden wij daarvoor beloond met een pensioen, enzovoort, enzoverder.
Ik heb een schrijfster gekend die telkens als zij een geslaagde bladzijde bij elkaar had gepend, zichzelf op een glas wodka trakteerde. Helaas bleef een en ander niet zonder gevolgen wat de kwaliteit van haar boeken betrof, maar goed, daar gaat het nu niet over, u begrijpt wel wat mijn punt is: veel van wat wij zoal doen en laten, blijken wij vooral te doen en te laten in de hoop of de veronderstelling dat er iets uit zal voortkomen wat aangenaam of gunstig is voor ons. Sommige gelovige mensen steken zelfs niet onder stoelen of banken dat zij, wanneer zij goede daden verrichten en pakweg hun medemens helpen, doelgericht bezig zijn, zoals dat heet, hun hemel te verdienen.
Ik wil geen resultaten boeken, ik wil al vastend niets bereiken.
Het deelnemen aan de christelijke vastenperiode lijkt op dat alles nogal haaks te staan. Wie een tijdlang op dieet gaat, onderneemt zulks teneinde gewicht te verliezen. Maar wat wenst de christen te bereiken die veertig dagen lang zich allerhande lekkernijen en andere geneugten ontzegt? David in de Bijbel heeft op onderhavig vlak in elk geval zijn conclusies getrokken. Toen zijn pasgeboren zoon doodziek was, vastte hij nog in de hoop op die manier God te kunnen vermurwen de jongen in leven te laten. Maar het kind overleed.
‘Wat zou ik nu vasten?’ roept David hierop uit. ‘Daarmee kan ik het toch niet terughalen.’ (2Sam. 12:23) Met andere woorden: als vasten geen nut heeft, waarom toch zouden wij het dan doen?
Alles wat ik ditmaal hoop, is dat in zekere zin het vasten zelf mijn beloning wordt.
Persoonlijk vind ik het idee dat vasten in concrete zin juist nergens waarlijk goed voor is en geen echte, duidelijk aanwijsbare functie heeft bepaald niet onaantrekkelijk, eerlijk gezegd. Het is nu voor de vierde achtereenvolgende keer, geloof ik, dat ik aan de vastentijd deelneem, en waar ik de eerste keren de hoogste verwachtingen koesterde, is alles wat ik nu nog verlang eenvoudig dat ik op mijn honger blijf zitten. Niets meer en niets minder. Ik wil geen resultaten boeken, ik wil al vastend niets bereiken. Zelfs op de gewaarwording van blijdschap die de vaster overvalt wanneer ten langen leste, oef zeg, Pasen aanbreekt en hij zich weer à volonté te goed kan doen aan wat de vetpotten in overvloed in petto hebben, mik ik ditmaal niet. Het tegendeel is waar.
Alles wat ik ditmaal hoop, is dat in zekere zin het vasten zelf mijn beloning wordt. Dat ik de smaak ervan te pakken krijg, en dat ik eindelijk zal opstaan, straks, of ooit, in het besef dat alles in dit leven wat niet waarlijk nodig is in wezen overbodig is, en misschien zelfs ballast.


