Waarom? — Ine Pauwels [column]
In oktober vorig jaar liep ik voor het eerst een halve marathon. Het ging vlot, ik liep de wedstrijd precies binnen de tijd waarvoor ik getraind had en ik vond het een hele bijzondere en verbindende ervaring. Wel voelde ik een klein knobbeltje in mijn onderbeen. De week daarop kwamen er steeds knobbeltjes bij. In mijn omgeving werd er naar de loopwedstrijd verwezen: ‘Hebt ge u niet wat overdaan?’ De ontstekingen voelden warm aan en waren erg pijnlijk. Het werden er ook elke dag meer.
De huisarts stuurde me naar de reumatoloog. Die schreef medicatie voor om mijn immuunsysteem te doen kalmeren. Hopen en proberen. Ik leerde mezelf injecteren en kocht een pillendoos waar meerdere geriatriepatiënt jaloers op zou zijn. Voorlopig zonder succes.
Ik vraag me af of het mijn schuld is. Omdat ik altijd zo ijdel ben geweest.
‘Ik ben moe’, geef ik toe aan de huisarts wanneer ik voor haar zit om nog maar eens mijn bloed te laten controleren. ‘Ik ben de pijn in mijn lichaam zo beu. Ik vind het vreselijk dat m’n haar steeds dunner wordt, dat ik nu ook m’n wimpers begin te verliezen. En … — Ik zeg het haast fluisterend — ik vraag me af of het mijn schuld is. Omdat ik altijd zo ijdel ben geweest. Omdat ik het belangrijk vind om mooi te zijn. Is het daarom dat ik ziek ben geworden?’
Bam. Daar liggen ze: de waarom-vraag en de schuld-vraag.
Mijn huisarts moet lachen: ‘Is dit niet het soort gesprekken waarvoor patiënten normaal gezien naar u komen?’
Ik heb deze vragen zo vaak met veel geduld bij patiënten beluisterd. Is het daarom dat ik ze voor mij uitgeduwd heb? Dat ik ze ontweken heb, weg geredeneerd, tot ze me wat pesterig kwamen inhalen?
‘Misschien’, zegt de huisarts heel voorzichtig, ‘zou je toch moeten proberen te aanvaarden dat je leven anders geworden is? Dat het niet meer zo zal worden als het vroeger was.’
Gefrustreerd trek ik m’n loopschoenen aan. Want lopen, dat ben ik blijven doen. Veel langzamer dan vroeger, minder kilometers ook. Maar ik loop nog steeds.
Het repetitieve van m’n voeten zorgt ervoor dat er plaats in mijn hoofd komt. Ruimte voor verdriet, maar ook voor dankbaarheid en voor de vragen die me bezighouden. Vlak voor ik thuis kom, gaat de gedachte door m’n hoofd dat hardlopen en bidden veel gelijkenissen hebben. Het herhalende maakt open, maakt zachter, milder. Bovendien is hardlopen steeds weer opnieuw een stap zetten zonder dat je de hele weg al kunt overzien.
Aanvaarden, dat zal nog niet voor vandaag zijn. En ook niet voor morgen. Maar ik wil wel blijven vertrouwen. De beweging van het lopen is steeds dezelfde, maar ik ben niet meer dezelfde wanneer ik thuis aankom.





