Wie was Augustinus van Hippo? De 'zoeker die vond', inspirator van paus Leo XIV
Op 28 augustus vieren we de feestdag van de heilige Augustinus. Niet alleen een filosoof en theoloog die zich mengde in moeilijke theologische debatten, maar ook een medemens die met zijn tijdloze vragen over God dicht bij het leven van iedere gelovige staat. Paus Leo XIV, zelf een augustijn, laat zich alvast door hem inspireren.
Onrustig is ons hart, tot het rust vindt in U. Het is een zin die men vaak citeert. Wellicht omdat hij zo goed aansluit bij een gevoel waarin we als mensen allemaal soms delen. Hij is afkomstig van de heilige Augustinus. In zijn Belijdenissen schrijft deze Augustinus over zijn bekeringsverhaal en laat hij diep in het eigen hart kijken. Het werk wordt getypeerd als de oudste autobiografie in de Westerse literatuur. We spreken dan over het einde van de 4de eeuw.
Augustinus wordt geboren op 13 november 354 in Tagaste, het huidige Algerije. Hoewel hij de Romeinse nationaliteit draagt, is hij dus Noord-Afrikaan. Later zal hij uitgelachen worden om zijn Noord-Afrikaanse tongval.
Augustinus gaat retoriek studeren en wordt docent. Vanaf zijn 17 jaar heeft hij een relatie met een meisje dat anoniem zal blijven. Nochtans zijn ze 15 jaar samen en krijgen ze een zoon, Adeodatus, die op jonge leeftijd sterft.
Oorzaak van lijden en kwaad
Augustinus’ leven wordt gedreven door een zoektocht naar waarheid. Aanvankelijk hoopt hij die te vinden in het christelijke geloof van zijn moederMonica. De vele bijbelse verhalen over een wraakzuchtige God stoten hem echter tegen de borst.
Dat drijft hem naar het manicheïsme, een oude christelijke variant. Augustinus voelt zich aangetrokken tot de rationele verklaring van de werkelijkheid die deze stroming belooft. Volgens het manicheïsme is de werkelijkheid het resultaat van twee krachten die voortdurend met elkaar in strijd zijn: een goede God en een slechte kracht. Voor Augustinus biedt dit een antwoord op de aanwezigheid van lijden in de wereld. Dat lijden heeft niets met God te maken, maar is het resultaat van die slechte krachten aanwezig in de werkelijkheid.
Onrustig is ons hart, tot het rust vindt in U.
Augustinus van Hippo
Toch vindt Augustinus’ hart ook geen rust in het manicheïsme. Hij twijfelt zelfs of er wel ergens waarheid gevonden kan worden.
Wanneer hij tot staatsprofessor retoriek benoemd wordt in Milaan, zetten concrete ontmoetingen hem echter terug op het spoor van het christendom. Ambrosius, de lokale bisschop van Milaan, leert Augustinus om moeilijke bijbelse teksten niet letterlijk, maar symbolisch te lezen. Bovendien komt Augustinus in contact met het neoplatonisme, wat hem nieuwe inzichten geeft over het samen bestaan van Gods almacht en het lijden in de wereld. Volgens deze filosofie is er maar één goede God. Het kwaad is niet afkomstig van Hem, maar wordt door de mens zelf veroorzaakt wanneer deze zich afkeert van God.
Dubbele bekering
In 387 zal Augustinus zich laten dopen door Ambrosius in de paasnacht. Toch ervaarde hij dit eerder als een filosofische bekering. Pas enkele jaren later zal hij dat christelijke geloof ook volledig doorleven, wanneer hij als bij toeval geroepen wordt om priester te worden van de lokale kerk in Hippo.
Hoewel hij zich als bisschop later ook sterk zal engageren voor de bredere kerk en dikwijls betrokken was in theologische debatten, bleef Augustinus heel dicht bij zijn concrete gemeenschap. Hij preekt er tot de mensen en verzorgt de liturgie, maar is ook heel actief in het sociale welzijn van zijn mensen en spreekt er recht als een vrederechter avant la lettre.
Breng mijn boeken weg uit Noord-Afrika.
Augustinus van Hippo
In 397 schrijft Augustinus de Regel voor de Gemeenschap, die later bekend zou staan als de oudste Westerse kloosterregel. In deze Regel wordt het samenwonen van religieuzen omschreven als het actualiseren van een liefdesgemeenschap die op weg is naar God. Met de eerste christelijke gemeenschap zoals omschreven in Handelingen 4,32-35 als ideaal, vormen gemeenschap van goederen en gemeenschappelijk gebed de basis om toe te groeien naar die intieme vriendschap met elkaar én God.
Had Augustinus op het einde van zijn leven gevonden waar hij zo naar zocht? Hij besefte de relativiteit van zijn eigen denken. Zo liet hij Nalezingen na, waarin hij zijn geschriften overloopt, fouten toegeeft en zaken corrigeert. Toch zou hij op zijn sterfbed in 430 maar één ding aan zijn vrienden hebben gevraagd: Breng mijn boeken weg uit Noord-Afrika. Die wens maakt alleszins dat wij ze vandaag ter hand kunnen nemen en er herkenning zowel als een mogelijk antwoord in kunnen vinden tijdens onze eigen rusteloze zoektocht zolang we nog onderweg zijn.