Zuster Elisa viert 100ste verjaardag: ‘Geweend van dankbaarheid dat ik nog mee mag naar Lourdes’
Op 6 januari mocht zuster Elisa Laenen in het woonzorgcomplex Mariënhove in Westmalle honderd kaarsjes uitblazen. ‘Gelukkig niet letterlijk’, grapt de zuster van Vorselaar met gevoel voor humor, ‘want dat zijn er wel heel veel’. Voor haar verjaardag haakte ze roosjes die ze uitdeelde aan wie meevierde. Aan elk roosje hing ze een kaartje met de woorden ‘dank om zoveel’. ‘Dat meen ik oprecht. Ik heb vandaag een heel dankbaar gevoel in mij. Om zoveel. Hoe lang ik nog zal krijgen, weet ik niet. Dat leg ik in Gods handen. Maar ik hoop ook met zo’n dankbaar gevoel te mogen sterven.’
Elisa Laenen werd op 6 januari geboren, als tweede van vijf kinderen. Ze groeide op in Schoten en liep er school bij de zusters der Christelijke Scholen van Vorselaar, later in ’s Gravenwezel. “Weet je wat mijn jeugddroom was”, vraagt ze alsof ze me een groot geheim gaat verklappen. “Ik wilde altijd al verpleegster worden. Ik wilde graag naar Sint-Vincentius voor mijn opleiding, maar mijn vader vond dat ik al genoeg tijd tussen de zusters gespendeerd had. Uiteindelijk zou ik in Mechelen mijn diploma behalen.”
Geroepen?
Na een eerste baan bij de mutualiteit werd ze hoofd van de heelkundige dienst in het Sint-Elisabethziekenhuis in Mechelen. Over haar roeping zegt ze bedachtzaam: ‘Ik heb altijd problemen gehad met het woord roeping. Ik ging geregeld naar huis op bezoek in het weekend. Omdat mijn moeder hardhorig was en ik er dus weinig klap aan had, liep ik steevast even langs bij de zusters van Vorselaar. Op een mooie dag sprak een zuster mij aan: Nu moet je toch eens de knoop doorhakken, Elisa: trouwen of intreden. Je bent al 23 jaar. En toen ben ik ingetreden. Ik stond er niet zo bij stil, maar achteraf gezien neigde ik al langer naar het religieuze leven. En kijk, nu ben ik al 77 jaar een zuster van Vorselaar.’
Ik was graag gaan missioneren in Venezuela, maar het mocht niet zijn.
zuster Elisa Laenen
In de congregatie ging ze aan de slag bij de oude en zorgbehoevende zusters in Westmalle. ‘De beginjaren waren moeilijk. De samenwerking met verpleegsters die bij de zusters opgeleid waren, liep niet altijd vlot. Ik genoot mijn opleiding buitenaf en had de zaken anders geleerd’, blikt ze terug, om meteen te relativeren: ‘Zo gaat dat in het leven. Iedereen heeft moeilijke periodes en goede momenten.’
Ze verhuisde naar Vorselaar, waar ze een tiental jaar als verpleegster werkzaam was.
Daarna ging het via een korte tussenstop in Westmalle naar een nieuwe vestiging in Hoogboom, waar ze tot haar pensioen als verpleegster aan de slag was. ‘De ziekenbedevaarten naar Banneux, waarmee ik vele jaren als verpleegster meeging, en de reizen naar Lourdes met de Antwerpse diocesane bedevaart waren de mooiste momenten van mijn leven. In Lourdes was ik maar liefst veertig keer.’
Haar gelaat licht op als ze enthousiast vervolgt: ‘Zopas kreeg ik de bevestiging dat ik dit jaar opnieuw mee mag met de diocesane bedevaart naar Lourdes. Dat is een droom die werkelijkheid wordt. (Ze krijgt de tranen in haar ogen). Toen ik dat bericht kreeg, heb ik geweend van dankbaarheid.’
Horen, zien en zwijgen
Ondertussen bevindt Elisa zich aan de andere kant: van verpleegster is ze nu zelf zorgbehoevende geworden. ‘Na mijn pensioen verhuisde ik naar Mariagaarde. Na een val en een opname in het ziekenhuis belandde ik hier in Mariënhove. Als je altijd zelf verpleegd hebt, is het niet makkelijk om je te laten verzorgen. Omdat ik het zelf soms anders geleerd heb, of het anders zou aanpakken. Horen, zien en zwijgen, is mijn motto.’
Als je zelf verpleegd hebt, is het niet makkelijk om je te laten verzorgen. Horen, zien en zwijgen, is mijn motto
zuster Elisa Laenen
‘Als ik terugblik op mijn leven, doe ik dat met een goed gevoel’, besluit de honderdjarige. ‘Mijn warmste herinnering heb ik aan mijn thuis. Ik had een goede en een warme thuis, met ouders die alles voor hun kinderen deden. Mijn grootste pijn is dat ik, toen de zusters van Vorselaar begonnen te missioneren, niet naar Venezuela ben kunnen gaan. Ik had me opgegeven, maar het mocht niet zijn.’
Ze mag dan honderd zijn, ze voelt zich nog lang niet afgeschreven. ‘Ik ben wel wat minder goed ter been. (Ze wijst en knipoogt.) Die rollator gebruik ik voor korte afstanden. Voor de lange afstanden heb ik een rolstoel. Maar voor de rest trek ik mijn plan. Ik was me zelf en laak mijn eigen bed op. Ik ben bij de pinken en speel graag een potje Rummikub. En ik heb nog heel veel toekomstplannen.’
Op mijn vragende blik reageert ze meteen: ‘Wel, meegaan naar Lourdes. En met Kerstmis vorig jaar beloofde ik hier dat ik voor de kerstmarkt van dit jaar 12 kerstmannen zal breien. De wol ligt al klaar, nu alleen eraan beginnen. Ik hoop dat ik ze alle twaalf kan afwerken …’