De 1ste dag: De gedachten van bisschop Lode bij de Goede Week
Christenen spreken terecht van een ‘Goede week’, want deze dagen tonen ons het hart het evangelie, de goede, blijde boodschap. Het gaat erom, dat God in Jezus ook vandaag naar ons toekomt, zoals Hij eens zijn intocht deed in Jeruzalem. Christus wil bij ons zijn en zich voor ons geven. Dat blijkt duidelijk bij het laatste avondmaal met de gebaren van het gebroken brood en met de voetwassing. Op Goede Vrijdag beleven we van dichtbij het sterven van Christus mee. Zijn dood en Godverlatenheid bepalen de sfeer op Stille zaterdag. En daarop volgt in de paasnacht de doortocht van de dood naar het leven.
Wat heeft dat alles te betekenen? De evangelisten antwoorden op die vraag door te vertellen wat er gebeurde in de paasdagen in het jaar 30 van onze jaartelling.
Palmzondag
Wanneer Jezus als rabbi naar Jeruzalem komt, is het om het paasmaal te vieren. Het is uitzonderlijk dat Hij dit niet doet in familieverband zoals in elk Joods gezin. Neen, Jezus viert het met zijn leerlingen, die immers zijn broeders en zusters zijn als in een nieuwe familie. Zijn komst in Jeruzalem gaat niet onopgemerkt voorbij. Er is enthousiasme onder het volk: er worden kleren als tapijten op de weg gelegd en er wordt met palmtakken gezwaaid. Er klinkt een psalmtekst, die we nog steeds zingen wanneer we het Laatste Avondmaal herdenken. “Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer. Hosanna in de hoge”.
Om te beklemtonen dat Jezus niet in eigen naam, maar in Gods naam, gekomen is, heeft de liturgie er wijselijk een vers aan toegevoegd uit het roepingsvisioen van Jesaja. De profeet Jesaja is totaal overrompeld door de grootheid van de Heer. In zijn visioen ziet Hij God op een troon in de tempel zitten met een reusachtige mantel die reikt tot de uiteinden van het gigantisch tempelplein (het besloeg zowat 140.000 m²). In Jesaja’s visioen zingen de engelen “Heilig, heilig, heilig de Heer, de God der hemelse machten.” De Heer is inderdaad de heilige, dit betekent: de allerhoogste en de alleraantrekkelijkste. Wat we zingen in elke eucharistie toont feilloos de kern van ons geloof. God, de allerheiligste die het heelal te boven gaat, komt naar ons toe in Jezus, die zich klein maakt en zich aan ons geeft in onze nood en onze dood.
De avond van Witte donderdag
Dat alles wordt concreet bij de aanvang van het Paastriduüm. Voor de Joden begint de dag niet ’s morgens zoals bij ons, maar in de vooravond. Welnu, op de vooravond van de Goede Vrijdag (de eerste dag van het triduüm) toont Jezus zelf de zin van de brutale dood die zou volgen. Dat Jezus uit de weg zou worden geruimd, was geen verrassing, na de terechtstelling van Johannes de doper. Maar in de ogen van Jezus is die dood geen blind toeval, geen zinloos noodlot dat Hem treft. Dat drukt Hij uit in een soort mime, in woorden en daden die Hij stelt op de laatste avond met zijn leerlingen.
Jezus geeft er zichzelf. Hij had kunnen vluchten, maar dat doet Hij niet. Hij wil tot het eind solidair blijven met de slachtoffers van de geschiedenis. Die nabijheid bij mensen in nood, dat is de “wil van de Vader” en tot het eind heeft Jezus die wil laten geschieden.
Aan tafel geeft Jezus zichzelf in de gestalte van brood en wijn. Het ongedesemde brood en de gedeelde wijn, die aan de uittocht uit het slavenhuis van Egypte herinneren, betrekt Hij op zichzelf. Hij geeft zich als gebroken brood en dat doet Hij uit liefde, zelfs al kost het Hem zijn leven. Daar komt bij wijze van spreken een kernexplosie te midden van de dood en op Pasen zal blijken dat die liefde sterker is dan de haat.
Jezus vraagt zelf om dit te blijven doen tot zijn gedachtenis. In de Bijbel betekent ‘gedachtenis’ niet enkel een opfrissing van het geheugen, maar een actualisatie van wat vroeger is gebeurd en van wat zich steeds weer vernieuwt. Wanneer wij Jezus gedenken, zijn we betrokken in zijn liefde: het gaat om hetzelfde leven dat zich geeft voor de ander, dat zich breekt. In de praktijk van onze navolging en in onze trouw aan de liturgie gedenken wij Jezus, zoals Hij het vroeg.
Wanneer Johannes rond de jaren 90 zijn evangelie schrijft, viert de kerk al tientallen jaren de eucharistie. Maar Johannes vertelt bij het laatste avondmaal niet opnieuw over brood en wijn, maar herinnert aan een ander teken. Waarom? De eucharistie mag aan het eind van de eerste eeuw niet loskomen van de dienst aan de broeder en zuster want daarin ligt juist zijn diepe betekenis: het gaat erom, het leven te geven voor zijn vrienden. Het sacrament van het altaar gaat juist verder in het sacrament van de broeder. Johannes vertelt plechtig, in slow motion, hoe Jezus van tafel opstaat, zijn kleren aflegt, zich omgordt, water in het bekken giet, neerknielt en de voeten wast van de verbouwereerde leerlingen. Zo maakt Jezus van God ‘goed nieuws’, evangelie voor ons. Hij geeft het voorbeeld voor elke christen: brood breken, wijn doorgeven en elkaar de voeten wassen.
De namiddag van Goede vrijdag
Deze tragische dag is eerder een anti-feest, een dag waarop het lijden van Jezus centraal staat, nog zonder perspectief op de verrijzenis. We vieren wat er gebeurde in Jeruzalem op vrijdag 7 april in het jaar 30 van onze jaartelling.
De aanleiding van Jezus terechtstelling lag in een aantal profetische woorden en daden, vooral de tempelreiniging en zijn kritiek op de religieuze leiders. Er vindt geen volledig proces plaats in het Sanhedrin, maar wel een uitlevering aan Pilatus, de landvoogd die na enkele verhoren Hem laat geselen en kruisigen tezamen met een aantal misdadigers, mogelijks als een maatregel om de rust te handhaven of omdat Jezus’ boodschap in tegenspraak kwam met de politieke ideologie van de Romeinse keizer.
Voor de Romeinen was de kruisiging de meest wrede straf, de ‘mors turpissima’, zegt Cicero. Voor Joden was het een teken van excommunicatie en van vervloeking door God (Dt 21,23: “Vervloekt die aan het hout hangt”). Jezus sterft in schande, naakt, opgehangen, afgewezen door de burgerlijke overheid en verworpen door de leiders van zijn eigen volk en godsdienst.
Jezus is “tussen de boosdoeners gerekend” (Lc 22,37): Hij is solidair met de zondaars, Hij wordt als een slaaf, zegt Paulus, vernederd tot de dood, tot de dood aan het kruis (Fil 2,8). Iedereen die lijdt, die in schande is, die vervloekt is of sterft, vindt daarom Jezus aan zijn zij. Hier toont Jezus dat God werkelijk liefde en barmhartig is: Hij geeft zijn leven voor de mensen, vooral voor de verworpenen. Omdat Jezus aan de kant wil blijven van wie slachtoffer is, wordt Hij zo solidair met hen dat Hij, nochtans de rechtvaardige, goede mens, op de onrechtvaardigheid van de wereld botst en zijn leven voor slachtoffers geeft. Dat is het evangelie, het goede nieuws van die vrijdag, die wij terecht Goede Vrijdag noemen: God wijkt niet van de zijde van een mens in nood.
Stille zaterdag
Wat valt er te zeggen van een stille, sprakeloze zaterdag? Niets, strikt genomen. Het is een dag van stilte, het lijkt een dag van dood en zinloosheid. Ook de evangelisten zwijgen over deze “grote sabbat”: ze onderbreken hun verhaal na Goede vrijdag en hernemen pas op de ochtend van de derde dag. Toch is de middelste dag van het Triduüm niet zonder zin.
Op Stille zaterdag hebben wij in de Westerse, Latijnse liturgie de allerenigste dag zonder eucharistie, zonder enige viering. Het is een a-liturgische dag. De klokken zwijgen, de kerken zijn naakt, het altaar leeg, er klinkt geen gezang en je ziet geen brandende kaarsen. Toch is er stil gebed vol hoop en verwachting op wat komen kan. Voor vele mensen en volken is dit trouwens een atmosfeer die veel langer duurt dan één dag. Denken wij aan de vorige eeuw met de stilte van de Goelags en de kampen van de nazi’s. Ooit zei een bisschop uit de Chinese kerk, die geen banden kon onderhouden met Rome: “Wij beleven hier een lange stille zaterdag, maar wij wachten op Pasen en dat Pasen zal komen”. Ook bij ons in het Westen is het voor vele christenen vaak een langere Stille zaterdag: God lijkt afwezig, de samenleving houdt het geloof liefst in de private sfeer en zeker oude mensen hebben veel heimwee naar het Rijke Roomse Leven dat ze helemaal hebben zien afbrokkelen, terwijl ze de aansluiting missen met kleinere kernen van authentiek christelijk leven.
Voor Jezus’ leerlingen is de dag na Jezus’ dood op Golgota een dag van schuldgevoel, van zinloosheid, van ondraaglijk verdriet, van afscheid van hun Heer. Waar is God toch? Waar is God, die gezegd had bij de doop van Jezus: “Gij zijt mijn Zoon, in wie Ik welbehagen heb” (Mc 1,11) of op de Tabor: “Dit is mijn veelgeliefde zoon” (Mc 9,7). Op het kruis is God op het eerste zicht niet tussenbeide gekomen. Jezus heeft stervend tot Hem geroepen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” (Mc 15,34). Heeft God Hem werkelijk in de steek gelaten?
Of is Hij integendeel helemaal bij de lijdende mens aanwezig gebleven? Dat zeggen we elke week in het credo: “Hij is nedergedaald ter helle”. Dat vieren we op Stille zaterdag. In de stilte van deze zaterdag heeft God, “die altijd aan het werk is” (Joh 5,17) zijn Zoon het evangelie laten brengen aan alle mensen die leven in de hel. Jezus werd van het kruis genomen en in het graf gelegd en vandaar is Hij nog dieper afgedaald en ter helle gevaren. De Kerk lijkt hierover het stilzwijgen te verkiezen, maar de oude kerkvaders nemen toch het woord. Epifanes uit Cyprus (begin vijfde eeuw) zegt in een preek: “Vandaag heerst er een diepe stilte op aarde. Naar het vlees is God gestorven. Hij is afgedaald om de onderwereld te doen sidderen. Hij gaat uit om Adam, het eerste maaksel van zijn handen, te gaan zoeken als een verloren schaap. Hij wil zich ontfermen of hen die in het duister en de schaduw van de dood gezeten zijn.” Ja, Christus vecht tegen de dood door in die dood binnen te stappen. Hij redt ons met andere woorden niet uit de dood, maar in de dood.
Door de nederdaling ter helle wordt de redding van Christus uitgebreid tot de hele kosmos. Christus raakt het hart van de hele schepping en komt tot in de helse diepten die schuilen in ieder mens, ja zelfs in de christen, ondanks ons verlangen om Jezus te volgen. Wie kent in zichzelf niet de gebieden die nog niet door het evangelie zijn geraakt? Plaatsen van ongeloof en twijfel, van haat en angst, onderworpen aan duivelse krachten? Pas als Christus ze aanraakt, kunnen ze genezen geraken. Dan veranderen ze van wat afgestorven is in humus, waarin het leven kan ontluiken. Deze verborgen aanwezigheid van Christus in ieder mens is het geheim van de Stille zaterdag: “Werkelijk, de Heer was hier aan mijn zij en ik wist het niet” (Gn 28,16).
Pasen
“De enige echte zonde, is het ongevoelig blijven voor de verrijzenis”, zegt Isaac de Syriër (7de eeuw). Op Pasen, de voornaamste dag van het Triduüm, gaat het inderdaad om het wonder van de verrijzenis als hoop voor de christen en voor elke mens. Met Pasen is Jezus’ dood veranderd van een slop of aporie tot een passage, een pascha, een doortocht naar het leven.
Op zich brengt de dood angst. Je bent geneigd je af te sluiten, je te verdedigen of agressief te worden. Tegen deze dood heeft Jezus gestreden. Zijn doodstrijd (agonia) was een gevecht (agon) tegen de dood, tot in de onderwereld toe. Deze strijd heeft Christus gewonnen: zijn liefde tot in de dood heeft de dood overwonnen. In het duister van de dood is het licht van de liefde Gods blijven branden en die liefde heeft de dood verwond. Dit is de mors mortis, het doden van de dood en wel door de dood van Christus.
Ook wie niet gelooft, vraagt zich af of het leven zinvol is, of er een hoop bestaat die sterker is dan de dood. De verrezen Christus is het antwoord op die vragen.
Maar om dit antwoord vandaag door te geven, moeten wij zelf de ervaring van de levende Christus uitstralen en ze dus ook zelf hebben beleefd. De angst voor de dood moeten we te boven komen. Dit is de boodschap aan de vrouwen bij het lege graf: “Vrees niet, wees niet bang. De gekruisigde leeft en gaat u voor”. Zo’n getuigenis van het evangelie is onmogelijk zonder een levensstijl die vandaag leven geeft aan mensen in nood. Het vergt van ons, christenen, dat we in het gezelschap leven van onze tijdgenoten en daar tonen dat de liefde sterker is dan de dood. Het vergt dat er gemeenschappen zijn waar het ‘ik’ niet alles overheerst maar waar verbondenheid is en vriendschap, vergiffenis en verzoening, vreugde en hoop, zelfs in moeilijke omstandigheden, medeleven en barmhartigheid voor ieder schepsel, rechtvaardigheid om mensen rechtop te krijgen, gebed en voorspraak voor wie kwaad doet, net zoals Jezus voor zijn beulen deed.
Pasen spreekt het diepste woord van ons geloof uit: “Het leven is sterker dan de dood, Gods is aanwezig bij zijn wereld en Hij laat niet varen het werk van zijn handen.” Daarom is er sinds Pasen hoop voor ieder mens.














