7 Bijbelse vragen aan Bahattin Koçak: ‘Koran leert dat we allemaal kinderen van Adam zijn’
#1 Wat is je naam? (Lucas 8,30)
In het Turks betekent Bahattin zoiets als ‘de pracht van het geloof’. De naam komt uit het Arabisch en wordt uitgesproken als Baha-ud-din. Als kind is je naam gewoon het woord dat klinkt wanneer je moeder je roept om te komen eten of je vader omdat je iets hebt uitgespookt. Later begin je te voelen dat een naam ook richting geeft. Niet omdat je de betekenis ervan altijd waarmaakt, want dat zou te eenvoudig zijn. Maar eerder omdat hij je eraan herinnert waar je naartoe mag groeien.
Ik ben opgegroeid in een streek in Limburg waar namen uit vele talen door elkaar klonken: Italiaans, Pools, Turks, Marokkaans, Vlaams. De mijnen hebben hier generaties samengebracht. Onder de grond maakte je naam niet zoveel uit. Daar telde vertrouwen. Misschien heeft dat mijn kijk op geloof gevormd. Geloof is voor mij niet eerst een systeem van regels of een identiteit die je tegenover anderen plaatst. Geloof kan mensen zachter maken en uitnodigen om zorg te dragen voor elkaar.
In de islam wordt vaak gezegd dat God schoonheid liefheeft. Misschien is dat ook wat mijn naam mij herinnert: dat geloof op zijn mooist is wanneer het menselijkheid voortbrengt.
#2 Waarover praat je veel? (Lucas 24,17)
Over ontmoeting. Niet als een theoretisch idee, maar als iets heel concreets. Samen eten. Elkaar uitnodigen. Elkaar verhalen laten vertellen. Ik organiseer vaak ontmoetingen tussen mensen van verschillende religies en levensbeschouwingen, en telkens zie ik hetzelfde gebeuren: abstracte ideeën krijgen een concreet gezicht.
De Koran zegt: ‘Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden leren kennen.’ (49:13) Dat vers heeft mij altijd geraakt. Het zegt dat verschillen geen probleem maar een uitnodiging tot ontmoeting.
Onder de grond in de mijnen maakte je naam of afkomst niet zoveel uit. Daar telde vertrouwen. Misschien heeft dat mijn kijk op geloof gevormd.
Bahattin Koçak
Ook in de Bijbel zie je dat. Jezus zit aan tafel met mensen die door anderen worden gemeden. Hij spreekt met vreemdelingen, tollenaars, mensen die buiten de kring staan. Waar identiteit wordt gebruikt om muren te bouwen, probeer ik mensen eraan te herinneren dat geloof ook een brug kan zijn. Misschien praat ik daar zoveel over omdat ik telkens opnieuw zie dat kleine ontmoetingen grote gevolgen kunnen hebben.
#3 Wat wil je dat Ik voor je doe? (Matteüs 20,32)
Eigenlijk vraag ik in mijn gebed zelden om grote dingen. Ik vraag enkel iets eenvoudig maar tegelijk moeilijk: een open hart. In de islam bestaat een bekend gebed uit de Koran: ‘Mijn Heer, verruim mijn borst en maak mijn taak licht.’ Dat gebed raakt me omdat het niet vraagt om macht, maar om innerlijke ruimte. Om niet bitter te worden. Om mild te blijven, zelfs wanneer het publieke debat soms hard en polariserend wordt.
Volgens de islamitische overlevering werd Abraham gestraft omdat hij het geloof in één God verkondigde en werd hij veroordeeld tot de brandstapel. Op dat moment zou de engel Gabriël hem zijn verschenen met een vraag: ‘Heb je hulp nodig?’ Abraham stelde slechts één vraag terug: ‘Weet God dat ik hier sta?’ Dat was genoeg voor hem. ‘Als mijn Schepper weet dat ik hier sta, dan weet Hij ook wat Hij moet doen.
Dat verhaal heeft mij altijd geraakt. Het leert iets over een geloof dat niet altijd vraagt om wonderen of onmiddellijke oplossingen, maar dat vertrouwt dat God ziet wat er gebeurt. Wanneer ik naar Jezus kijk in het evangelie, zie ik iets gelijkaardigs. Zijn kracht ligt niet in macht, maar in een bijzondere innerlijke vrijheid. Hij ontmoet mensen zonder angst, zonder superioriteit, maar met een open blik.
Misschien is dat uiteindelijk ook wat ik vraag in mijn gebed: dat mijn hart groot genoeg blijft om mensen niet te reduceren tot labels. Als mijn werk, hoe klein ook, kan bijdragen aan een wereld waarin mensen elkaar minder vrezen en meer vertrouwen, dan is dat al een groot antwoord op mijn gebed.
#4 ’Waar is je geloof? (Lucas 8,25)
Er zijn momenten waarop geloof niet vanzelfsprekend voelt. Niet omdat je God verliest, maar omdat je vertrouwen in mensen wankelt. Wanneer je ziet hoe snel samenlevingen kunnen verharden. Hoe gemakkelijk mensen elkaar in hokjes plaatsen. Hoe angst soms sterker lijkt dan hoop. Ik herinner me momenten waarop het publieke debat rond religie of identiteit plots heel hard werd. Dan voel je hoe kwetsbaar samenleven kan zijn. Op zulke momenten stel je jezelf vragen: heeft het wel zin om te blijven spreken over dialoog? Is er nog ruimte voor vertrouwen? Maar geloof is niet alleen een gevoel. Het is ook een keuze.
De Koran zegt: ‘Met elke moeilijkheid komt ook verlichting.’ (94:6) Toen Abraham volgens de overlevering werd veroordeeld tot de brandstapel omdat hij in één God geloofde, werd hij vastgebonden aan een katapult om hem in het vuur te slingeren. Op dat moment wandelt een kleine mier richting het vuur, met een minuscuul druppeltje water op haar rug. De andere mieren lachen haar uit. ‘Denk je echt dat je met één druppeltje dat vuur kunt blussen?’ De kleine mier antwoordt: ‘Ik wil tenminste laten zien aan wiens kant ik sta.’ Misschien voel ik mij soms een beetje zoals die mier.
Je weet dat jouw kleine woorden of gebaren de grote branden van deze wereld niet meteen zullen doven. Maar je kunt wel laten zien aan welke kant je staat: de kant van geloof, van hoop, van menselijkheid. Misschien is geloof uiteindelijk precies dat: blijven vertrouwen dat de mens tot meer in staat is dan angst en, hoe klein ook, proberen het goede zichtbaar te maken.
#5 Waar zou jij je leven voor geven? Matteüs 16,26)
Voor menselijke waardigheid. In de islam staat dat God de mens heeft geëerd en hem verantwoordelijkheid heeft gegeven op aarde. Dat betekent dat ieder mens een waardigheid bezit die niet afhankelijk is van afkomst, religie of status. Als dat waar is, dan betekent het ook dat we elkaar nooit mogen reduceren tot stereotypes.
Ik voel me soms een beetje als de mier die met één druppeltje op haar rug een brand wil blussen. Daarmee toon je tenminste aan welke kant je staat.
Ik zou mijn leven niet geven voor een ideologie of een vlag. Maar wel voor het idee dat mensen elkaar niet hoeven te haten om verschillend te zijn. Wanneer ik kijk naar grote religieuze figuren, of het nu Mozes, Jezus of Mohammed is, zie ik telkens opnieuw dat hun boodschap uiteindelijk terugkomt op één kern: dat de mens geroepen is om rechtvaardig te zijn en zorg te dragen voor elkaar. Misschien is dat wel het hoogste doel waarvoor een mens kan leven: bewaker worden van elkaars menselijkheid.
#6 Waarvoor ben je bang? (Matteüs 8,26)
Niet zozeer voor verschillen, maar voor onverschilligheid. Het moment waarop mensen stoppen met luisteren. Wanneer we elkaar alleen nog zien als vertegenwoordigers van een kamp. Wanneer empathie verdwijnt uit het gesprek. Samenlevingen vallen zelden uiteen door verschillen. Ze vallen uiteen wanneer mensen elkaar niet meer als medemens zien. Als vader en jonge grootvader denk ik daar soms aan. In wat voor wereld zullen onze kinderen en kleinkinderen leven? Mijn hoop is dat zij een samenleving erven waarin diversiteit niet wordt gezien als een bedreiging, maar als een kans om van elkaar te leren. Mijn angst is dus eenvoudig: dat we vergeten hoe belangrijk het is om elkaar te blijven ontmoeten.
#7 Wie zijn jouw broeders en zusters? (Matteüs 12,48)
Vanuit mijn geloof zijn mijn broeders en zusters natuurlijk de mensen van mijn eigen gemeenschap. Maar de Koran leert dat alle mensen uiteindelijk kinderen van Adam zijn. Dat betekent dat er een diepe verwantschap bestaat tussen alle mensen. Dat besef maakt het moeilijk om iemand als een volledig vreemde te zien. Daarom voel ik mij ook verwant met christenen, joden, humanisten en met mensen die zichzelf niet religieus noemen maar wel streven naar rechtvaardigheid en compassie.
In de islam wordt Jezus/Isa gezien als een profeet en als een teken van Gods barmhartigheid. Zijn moeder Maria/Maryam wordt zelfs met grote eerbied genoemd in de Koran. Wanneer ik daarover nadenk, besef ik hoe sterk onze tradities met elkaar verweven zijn. Misschien begint broederschap precies daar: waar we elkaar niet eerst vragen tot welke groep we behoren, maar waar we elkaar herkennen als medemens.









