‘Oma, vertel nog eens over ...’ - Christophe Vekeman [Dossier grootouders, deel 6]
Een mens weet natuurlijk nooit echt wat hij mist, of waaraan hij zoal ontsnapt is, maar het grootste nadeel aan geen kinderen te hebben, lijkt er mij persoonlijk in te bestaan dat je desgevallend ook nooit grootouder zult kunnen worden. Terwijl, als je mij vraagt wat ik mij voorstel bij de woorden ‘vrede op aarde’, ik spontaan denk aan een kleine jongen die met bengelende beentjes naast zijn opa op een bank gezeten is, in de lentezon, en lachend naar hem omhoogkijkt.
Veel mensen die, anders dan ik, wel degelijk ervaringskundig zijn, zullen het bevestigen: kinderen opvoeden is keihard werken, maar dat harde werk wordt vervolgens ruimschoots beloond door het geluk en het plezier dat je kleinkinderen je plegen te schenken. In de ogen van die kleine kinderen, dan weer, is er geen veiliger haven om in aan te meren en om in te schuilen voor de stormen van het leven dan bij moemoe en vava, mamoeke of papoeke, omake of opake, mémé of pépé, nanou of papou, – de lijst is vrijwel eindeloos.
Dat de bijzondere band tussen grootouder en kleinkind vraagt om bijzondere en soms zelfs unieke namen die de beiden aan elkander geven, als om de exclusieve kwaliteiten van hun relatie extra te benadrukken, blijkt onder meer uit het boek dat de Nederlandse tv-maker en schrijver Kees van Kooten in 2007 uitbracht en dat Episodes heette, een titel die rechtstreeks verwees naar de gewoonte van zijn kersverse kleinzoon Roman om de schrijver ‘Epi’ te noemen. Van Kooten laat zich dit zeer welgevallen. ‘Als Roman er niet was geweest, zou ik nooit hebben geweten hoe ik diep vanbinnen en in wezen heette,’ tekent hij op, en voorts maakt hij er melding van ‘zeeziek van liefde’ te zijn. De opluchting om niet langer een ‘Nee!’ roepende strenge vaderfiguur te hoeven wezen is groot, en Van Kooten maakt van zijn grootvaderschap zelfs gebruik om zich – hilarisch genoeg – tot een gewillige slaaf van zijn beminde kleinkind te ontpoppen. Hoort hij zijn koosnaam ‘Epi’ op enigszins dwingende of dringende toon weerklinken, dan spitst hij de oren, vertelt hij, dan veert hij op, dan ‘ben ik er al, desgewenst op handen en knieën’
Maar niet enkel geven kleinkinderen exclusieve namen aan hun grootouders, ook het omgekeerde is het geval
Maar niet enkel geven kleinkinderen exclusieve namen aan hun grootouders, ook het omgekeerde is het geval. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de novelle die de Vlaamse literaire grootheid Willem Elsschot in 1934 publiceerde met als titel Tsjip. Het boek werd door Elsschot opgedragen ‘aan mijn kleinzoon Jan Maniewski’, die door de ik-figuur van het verhaal, jazeker, ‘Tsjip’ wordt genoemd. ‘Ik blijf staan en zeg “Tsjip”. En in zijn mondhoeken ontluikt een glimlach. Ja jongen, voortaan heet jij Tsjip. Je komt mij hier ontzetten uit mijn hoofdrol en dan mag ik je wel herdopen, vind ik.’
Tsjip is natuurlijk een wel héél aparte naam, maar daarom ook past hij zo wonderlijk goed bij het joch: ‘Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter.’ Prachtig is het om te lezen hoe de ouder wordende man zich door de geboorte van zijn kleinkind ‘bevrijd’ voelt en vrijwel terstond evolueert van een norse binnenvetter tot een gemoedelijke doch tevens zeer daadkrachtige plannensmeder-van-stavast. ‘Samen zullen wij door dik en dun gaan,’ belooft hij zijn lieveling, ‘ik voorop.’
Maar zoals na regen zonneschijn komt, zo komt na zonneschijn soms regen, en zo gebeurt het ook dat de voornoemde ‘vrede op aarde’ alsnog door conflict en geruzie besmeurd wordt: zelfs tussen grootouders en hun kleinkinderen komt er bijwijlen een kink in de kabel. Heel vreemd of onlogisch is dat ook niet, want de befaamde ‘generatiekloof’ die tussen ouders en hun kinderen dikwijls zorgt voor de nodige problemen, is in het geval van grootouder en kleinkind natuurlijk dubbel zo groot.
In het schitterende, in 1961 verschenen Klok zonder wijzers (Clock Without Hands), de laatste roman van de Amerikaanse schrijfster Carson McCullers, botsen het wereldbeeld en de leefwereld van de genaamde Jester op zó hevige wijze met die van zijn grootvader dat er niet anders dan verwijdering tussen hen beiden kan ontstaan. Waar Jester overloopt van rechtvaardigheidsidealen en daarenboven zekere gevoelens koestert voor een zwarte weesjongen, daar blijft grootvader zweren bij zijn oerconservatisme en zelfs bij zijn racistische opvattingen. In zo’n geval brengen exclusieve koosnaampjes natuurlijk geen enkel soelaas meer. ‘Weet je nog dat je me als klein jongetje altijd Grote Papa noemde?’ doet grootpa nog een wanhopige poging om zich te beroepen op wat voorbij is. De poging brengt geen resultaat met zich mee: ‘Jester bleef onbewogen bij de herinnering en ergerde zich aan de tranen in zijn grootvaders ogen’…
Toch is het ook juist de ‘oneigentijdsheid’ van grootouders die door hun kleinkinderen soms als een kwaliteit wordt ervaren, waarbij eerstgenoemden niet zelden fungeren als een soort van menselijke teletijdmachines van wie de verhalen kunnen dienen als evenzovele linken met een tijd die hun kleinkinderen zelf nooit meegemaakt hebben: ‘Oma, vertel nog eens over…’ Of zoals de moeder en de dochter die samen het countryduo The Judds vormden het in 1986 zongen: Grandpa, Tell Me About The Good Old Days. Zo bekeken zijn grootouders ten dele ook leveranciers van een tijdbeeld dat misschien wel vooral zo aantrekkelijk is, en zo romantisch aandoet, omdát het ons door onze geliefde, beminde, bedaarde grootouders op kalme, rustgevende wijze geschetst wordt.
Al kunnen grootouders vanzelfsprekend ook hun kleinkinderen al vertellend of al (dagboek)schrijvend in verbinding stellen met tijden die jongere mensen alleen maar blij kunnen stemmen dat zij voorbij zijn. Denk aan een roman als Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, of aan Tussen Oder en Zenne van Joseph Pearce. Veelzeggende ondertitel van dat laatste boek: Twee rivieren, twee grootvaders, twee wereldoorlogen.
In mijn eigen boek Tot God heb ik getracht om na te gaan hoe groot de invloed van mijn grootouders op mijn leven geweest is, en meer bepaald dan op mijn geloofsleven en op de aantrekkingskracht van het katholicisme die ik op zeker ogenblik, nu enkele jaren geleden, op doorslaggevende wijze begon te ervaren.
Ik heb al vaker te kennen gegeven dat ik ter wereld ben gekomen met aan weerskanten van mijn bloedbaan enerzijds een kroeg, en anderzijds een kerkgebouw. Mijn grootmoeder langs moederkant, immers, door mij aanvankelijk ‘moemoe’ en later ‘moe’ genoemd, baatte – weliswaar voordat ik geboren werd – een visserscafé uit in de Bazelse polders, terwijl in hetzelfde dorp mijn grootvader langs vaderkant, die ik ‘pépé’ noemde, de koster was. Aan beiden bewaar ik de mooiste herinneringen, maar ook: het verschil tussen beiden kon maar moeilijk groter zijn.
De bijzondere band tussen grootouder en kleinkind vraagt om bijzondere en soms zelfs unieke namen die ze aan elkander geven
‘De moe’ was voor de buitenwereld, als ik dat tenminste goed kan inschatten, een nogal baldadige vrouw, met wie je het liever niet aan de stok kreeg, en die in elk geval haar mannetje kon staan. Het maakte dat de uitverkorenen die zich in haar liefde koesteren konden, zoals ik, zich daar enkel maar nóg gelukkiger om konden prijzen. Daar mijn ouders allebei uit werken gingen, bracht ik grote delen van de vakanties en ook, in mijn lagereschoolperiode, de woensdagnamiddagen en vele uren na school bij haar door. Ze bood me geen zogeheten ‘warm nest’ – een uitdrukking die ik altijd verfoeid heb –, nee, ze gaf mij de wereld cadeau: ze leerde me niet bang te zijn en de koe bij de horens te vatten.
Bij pépé en zijn vrouw ‘oma’ kwam ik vanzelfsprekend, want je kan maar op één plaats tegelijk zijn, veel minder over de vloer, maar ook bij hen heb ik mij altijd thuis en in mijn nopjes gevoeld. Ook hier was van een ‘warm nest’ godlof geen sprake, maar de sfeer die hen omgaf, was toch wat huiselijker, een klein beetje verfijnder en klassieker ook – en katholieker. De moe rookte eigenhandig gerolde Drum-sigaretjes, pépé rookte, al dan niet met de pastoor aan zijn zijde, sigaren. De moe dronk op zondag een fris pintje, oma prefereerde porto. U begrijpt wat ik bedoel.
Pépé was een zwijgzame, zeer zachtaardige man, wat oma ruim de kans gaf zelf zowat onophoudelijk haar welbespraaktheid te etaleren. Samen brachten ze mij de waarde van de contemplatie én de kracht van het woord bij. Het belang van goede kleren ook: ik heb oma nooit op pantoffels gezien, en daar ben ik haar eeuwig dankbaar voor.
Oma, pépé en de moe (wier man stierf voor mijn geboorte, helaas): drie fel uiteenlopende stromen die uiteindelijk zijn uitgemond in het woelwater dat ik ben. Zelfs mijn ouders heb ik te danken aan hen.
Ik ben zelf een kind van acht gebleven, dat kind is nooit doodgegaan
Annie M.G. Schmidt
Mijn grootouders zijn allemaal allang gestorven – de moe was de laatste om te gaan, in januari 2013 –, en als gezegd heb ik zelf geen kinderen en dus evenmin kleinkinderen. Misschien, echter, los van mijn persoonlijke situatie, is het wel even belangrijk om het kind in jezelf te bewaren als om nageslacht te vergaren. Dat lijkt althans te zijn wat Annie M.G. Schmidt ooit beweerde: ‘Ik ben zelf een kind van acht gebleven, dat kind is nooit doodgegaan.’
Het moge waar zijn, maar tezelfdertijd is Annie M.G. Schmidt in mijn beleving altijd in gelijke mate oma als meisje geweest: zoals de Nederlandse rockzanger, schilder en dichter Herman Brood zichzelf uitriep tot ‘zoon van alle moeders’, zo moet Annie M.G. Schmidt, schepper van Jip, Janneke, Pluk van de Petteflet en ander klein, aandoenlijk grut, ons aller literaire grootmoeder heten, bij wie wij steeds terecht kunnen.
In haar gedicht Aan een klein meisje weet zij op uniek evenwichtige wijze zowel te waarschuwen als gerust te stellen. En is dat inderdaad niet wat grootouders doen, of althans horen te doen? Samen met jou kind wezen, het kind in zich laten herleven omdat zij uit ervaring weten dat volwassen zijn toch ook niet alles is? Je laten voelen dat je veilig bent, ondanks al het gevaar van de wereld?
Schmidt verwittigt het meisje tot wie zij zich richt, en gebruikt zelfs dreigende taal, maar stelt haar tegelijk gerust. Ze sist haast, maar sust ook. Eén levensles slechts, lijkt ze te zeggen, is van tel: geniet ervan, nu het nog kan. Het gedicht eindigt als volgt:
Een bos is hier alleen maar een boel bomen en de soldaten zijn niet meer van tin. Dit is het land waar grote mensen wonen…Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

