Plechtige uitvaartmis voor slachtoffers treinongeval Adamuz in teken van verbondenheid
Sinds 18 januari weet iedereen Adamuz liggen. Die noodlottige dag ontspoorde een trein, waarop een hogesnelheidstrein in botsing kwam met de omgevallen wagons en van een helling stortte. Balans: 45 doden en 22 gewonden. Vijf gewonden vechten nog altijd voor hun leven.
In een overvolle zaal namen zondag zo’n 600 mensen deel aan de uitvaartmis voor de slachtoffers. Behalve familieleden en buurtbewoners – die massaal de handen uitstaken voor de eerste hulp – waren ook leden van de civiele bescherming en de hulpdiensten aanwezig, net als de lokale politie en politici. Sommige mensen volgen de dienst buiten in de regen.
El País beschrijft een minutenlange omhelzing van vier mensen. Het blijkt te gaan om familie van een jongen die nog in het ziekenhuis ligt. Ze omhelzen hun held, José Luis Mena, een buurtbewoner die hun neefje vorige week zondag uit een wagon haalde en begeleidde naar het opvangcentrum. De tantes van de jongen hadden hem geschreven dat ze naar de dienst zouden komen en hem wilden ontmoeten. ‘Ze noemen me een held, maar ik help gewoon graag’, zegt hij terwijl de tantes hem met tranen in hun ogen aankijken en vertellen dat hun neefje goed herstelt.
‘Ze noemen me een held, maar ik help gewoon graag.’
José Luis Mena
Vrijwilliger Adamuz
De mis werd voorgegaan door de bisschop van Córdoba, Jesús Fernández, die stelde dat ‘heel Andalusië in verdriet is ondergedompeld’ en de nabestaanden opriep om zich in te spannen om al het goede te herinneren dat ‘onze dierbaren ons hebben geschonken’. Tegenover de media betreurde hij evenwel dat de autoriteiten na het drama geen rekening hadden gehouden met de mogelijkheid om priesters toegang te verlenen tot de zone Zero om stervenden nabij te zijn op dat moment, al kon hij dat plaatsen: ‘Het was een moment van grote verwarring, iets wat we niet gewend zijn, en de autoriteiten evenmin.’ De pastoor van Adamuz besloot: ‘Het woord van de barmhartige Samaritaan staat in het hart van het volk gegrift’.
Bron: El País