Het geloof en de Kerk – Christophe Vekeman [column]
Natuurlijk, sprak de vrouw op toegeeflijke toon, kon zij begrijpen dat ik geloofde. Sterker nog, in zekere zin geloofde zij zelf ook, en meer bepaald dan in ‘iets’ of ‘iets hogers’, iets wat ik in haar plaats gerust ‘God’ noemen mocht, al gaf ze daar zelf de voorkeur niet aan. Maar geloof, kortom, was het probleem niet. Nee, het probleem was de Kerk.
Geloof en de Kerk, vond zij, waren niet alleen twee totaal verschillende zaken, ze waren compleet onverenigbaar met elkaar.
Geloof, immers, dat was op zich iets goeds, omdat het troost schonk en voldoening, en omdat het mensen soms steun bood in moeilijke tijden. Terwijl de Kerk? De Kerk, anderzijds, was door en door slecht. Dat hoefde geen betoog, toch? Of alleszins geen betoog dat langer duurde dan de opsomming van de volgende woorden: kruistochten, inquisitie en kindermisbruik!
De Kerk was door en door slecht. Dat hoefde geen betoog, toch?
Vanzelfsprekend, legde ze uit, bedoelde zij met ‘de Kerk’ niet de wereldwijde gemeenschap van gelovigen. Ze had het over ‘het instituut’, het was het institúút dat zij verfoeide, in die mate zelfs dat zij het onvoorstelbaar vond dat christenen soms wél nog met diezelfde Kerk, het Vaticaan en allerlei klerikale hotemetoten geassocieerd wilden worden. Je had de Kerk toch niet nodig om te geloven?
Het is een kwestie, die laatste, die je als katholiek bijzonder vaak krijgt voorgeschoteld.
Lees ook
Zelf maak ik desgevallend graag de vergelijking met een ander ‘instituut’, namelijk de universiteit. Liepen en lopen aan onze universiteiten de dingen altijd zoals het zou moeten? Wordt er in de academische wereld nooit fraude gepleegd, is misbruik er volslagen onbekend, zijn alle professoren altijd even zuiver op de graat?
En toch, al waren de wantoestanden er nog tien keer erger dan ze zijn, dan nog zou het, denk ik, onzin zijn te stellen dat wetenschap en universiteiten niets te maken (mogen) hebben met elkaar. Het zou absurd zijn van bijvoorbeeld jonge chemici te verwachten dat zij in hun dooie eentje wetenschap bedrijven, of in een toffe vriendengroep, zonder dat zij dus zouden kunnen profiteren van de kennis en de inzichten die in de loop der tijden aan de universiteit werden verzameld en er, generatie na generatie, aan studenten doorgegeven zijn. Dat zou absurd zijn, ja. Even absurd als van gelovigen te verlangen dat zij het allemaal, in de ijlte van hun isolement, zelf maar moeten uitzoeken, wat het christelijk geloof juist inhoudt, wat de Bijbel ons leert, wat de Kerkvaders ons leren, wat het betekent om christen te zijn.
Zonder de Kerk, zonder de traditie en het verleden die door de Kerk – onder meer ook in de liturgie – belichaamd wordt en binnen ons aller bereik wordt gebracht, zou het nog oneindig veel moeilijker zijn dan het al is om je eigen, persoonlijke weg naar God te kunnen vinden. Daarom, alle perikelen en smerigheden ten spijt, waar dringend en op de meest doortastende wijze komaf mee moet worden gemaakt, dient zij, de Kerk, blijvend naar waarde te worden geschat. Ondanks zichzelf, ja. Nu en tot in eeuwigheid.
Ook dát is iets wat ik geloof.
• Christophe Vekeman is schrijver.





