Gehoorzaamheid vraagt soms moed – Barbara Mertens [column]
Uitgeteld lig ik met koorts op de zetel als ze plots een filmpje doorstuurt vanop haar werkplek in Homs. ‘Kijk hoe we als ratten in de val zitten!’ Met negen collega’s zitten ze samen aan minuscule bureaus rond een mazoutkacheltje. De indringende geur wakkert haar onderliggend neusprobleem aan. Ze heeft al twee dagen koorts en is de hele dag draaierig.
‘Waarom ga je niet naar huis als je je zo slecht voelt?’, vraag ik ongerust. Als alleenstaande moeder draaide ze de voorbije weken al op overdrive door enkele onvoorziene tegenslagen. Nu dit erbij. ‘We mogen maar één dag per maand ziek zijn en ik krijg geen onbetaald verlof’, zegt ze moedeloos. Ik weet niet wat te antwoorden. Als ik later die dag polshoogte neem, hoor ik dat ze naar de dokter geweest is en zware medicatie kreeg. Ze kan er hopelijk weer tegenaan.
Als ik één ding met vallen en opstaan telkens weer moet leren – niet in het minst na mijn operatie – is het wel gehoor geven aan mijn herstellende lichaam. Aartsmoeilijk vind ik dat soms, zeker wanneer het betekent dat engagementen die me dierbaar zijn vertraging oplopen. Maar dat ik kan doen wat nodig is voor mijn gezondheid, voelt na het horen van haar verhaal plots als een privilege aan. Gehoor geven of moeten gehoorzamen, het houdt me bezig.
Gehoorzaamheid vraagt soms moed. De moed om gehoor te blijven geven aan wat ten diepste in ons weerklinkt, ook als de buitenwereld soms iets heel anders vraagt.
Onlangs gingen we met een verdiepingsgroep in op de betekenis van gehoorzaamheid voor Franciscus van Assisi. In de leefregel schrijft hij dat kandidaat-broeders na een proeftijd ‘in de gehoorzaamheid worden opgenomen’. Het broederschap is als een ruimte van gehoorzaamheid voor Franciscus. Wie toetreedt tot de orde is niet langer alleen een ‘ik’ of een ‘zelf’. Je gaat deel uitmaken van een groter zelf, een lichaam waar iemand anders aan het hoofd staat. Maar, voegt Franciscus eraan toe, wie als minister aan het hoofd staat moet zowel het broederschap als geheel, als het zielenheil van elke afzonderlijke broeder dienen. Voor machtsmisbruik is hij altijd beducht.
Zijn uiteindelijk niet al onze belangrijke relaties in zekere zin ‘ruimten van gehoorzaamheid’? Mijn naaste en mijn professionele omgeving zijn een deel van mij en ik ben deel van hen, binnen de afspraken en verhoudingen die ons met elkaar verbinden. Trouw zijn aan mezelf betekent ook trouw zijn aan de mensen en de omgevingen waartoe ik me verhoud. In die ruimten gehoorzamen betekent dan: samen écht gehoor geven aan de a/Ander, maar ook aan wat er in of aan mij gebeurt.
De volgende dag klinkt haar stem iets krachtiger. De medicatie doet haar werk, al volgen er nog onderzoeken. ‘Ik moet op zoek naar iets anders,’ zucht ze aan de telefoon. ‘Dit houd ik niet vol.’ Toch weet ik hoe graag ze haar job doet. Gehoorzaamheid vraagt soms moed. De moed om gehoor te blijven geven aan wat ten diepste in ons weerklinkt, ook als de buitenwereld soms iets heel anders vraagt. Want is de diepste vorm van gehoorzaamheid niet precies de oprecht luisterende liefde die ons ten volle (mede)mens maakt?




