Wie was de zalige graaf Karel de Goede?
Artikel door Marc Van Eenoo, verschenen in Kerk·in·Zicht maart 2024.
Karel was twee of drie jaar oud toen zijn vader, Knut IV, de heilige koning van Denemarken (1080-1086), vermoord werd. Zijn moeder, Adela, dochter van Robrecht I, de Fries, en zus van Robrecht II van Jeruzalem, beiden graven van Vlaanderen (van 1071 tot 1093 en van 1087 tot 1111), kwam daarom als jonge weduwe naar Vlaanderen terug, met de kleine Karel. Ze gingen wonen aan het grafelijk hof in Brugge en in Torhout-Wijnendale, daar genoot Karel het grootste deel van zijn opvoeding.
Als jongeling ondernam Karel een bedevaart naar het Heilige Land en enkele jaren na zijn terugkomst, wellicht in 1117, huwde hij met Margaretha, dochter van Reinout II, graaf van Clermonten-Beauvaisis. Bij de dood van zijn neef, graaf Boudewijn VII van Vlaanderen (1111-1119), zoon van Robrecht II, bekwam Karel op aanwijzen van de graaf de heerschappij over Vlaanderen in 1119. Hij werd in 1127 opgevolgd door Willem Clito en later door Diederik van den Elzas, die de kostbare relikwie van het Heilig Bloed naar Brugge bracht.
Hoe was Karel?
De karakteristieken van Karel de Goede worden eenstemmig en uitvoerig geprezen, met verifi catie van talrijke concrete feiten door tijdgenoten, zoals zijn twee biografen, Walter van Terwaan, secretaris van de bisschop van Terwaan, Jan van Waasten, en Galbert van Brugge, de eminente getuige uit de kring van het Sint-Donaaskapittel. Vrijgevigheid, naastenliefde, ijver voor rechtvaardigheid en kerkbetrokken zijn volgens hen Karels voornaamste deugden.
In de strenge winter van 1125-1126, toen hongersnood het land teisterde door een kleine ijstijd, kwam vooral zijn zorg voor het welzijn van het volk tot uiting. Hij nam maatregelen tot de bestrijding van de woeker en tot het garanderen van de voedselvoorziening. Daarbij spaarde de graaf zijn eigen goederen niet om de massa behoeftigen te helpen. Aangezien kerkelijke instellingen een cruciale rol speelden in het voorzien in de behoeften van veel mensen, voorzag Karel hen met ruimere rentegronden en beschermde hij hun bezittingen. Hij ijverde voor de stabiliteit van abten en monniken in hun klooster en priesters in hun kapittel. Zo werd de vrome graaf niet alleen de vader van de armen, maar ook een verdediger van kerkelijke instellingen en het geldende recht in een feodale maatschappij.
Krachtdadig, met geweld als het moest, bedwong hij de permanente onrechtvaardigheden in een maatschappij van clerici, edelen, poorters, vrijen, horigen en lijfeigenen. Misdadigers die door brandstichting, plundering en doodslag alles in de war stuurden, bracht hij voor een tribunaal, van straffeloosheid kon geen sprake meer zijn. De private wraakneming werd meer en meer door het optreden van de rechtbanken vervangen, onterecht naar de mening van heel wat edelen, die hun geschillen liever zelf met wapengeweld uitvochten.
De kandidatuur van graaf Karel tot het koningschap van Jeruzalem en tot het keizerschap van het Heilige Roomse Rijk moet ongetwijfeld gebaseerd zijn op zijn reputatie als een uitstekende bestuurder. De koningskroon van Jeruzalem werd hem daardoor in 1123 aangeboden, in 1125 kon hij keizer van het Heilige Roomse Rijk worden.
Macht en intrige
Het geslacht van Erembald had in de tijd van Karel de Goede met Bertulf als familiehoofd een erg belangrijke figuur in de rangen. Bertulf was al 27 jaar proost van het Sint-Donaaskapittel, een functie die hem kanselier maakte in het bestuur van het graafschap, een belangrijke bestuurlijke functie. Een toeval bracht aan het licht dat de Erembalden, ondanks hun aanzien en fortuin, grafelijke lijfeigenen waren, onvrije ridders, ‘ministeriales’. Dat betekende dat de Erembalden deel waren van de lagere adel, een groep die minder macht had ten opzichte van de graaf en daardoor vaak met hem in aanvaring kwam. Misnoegd over de nauwe betrekkingen tussen de machtige familie Erembald en de hem vijandig gezinde groep edellieden, liet de graaf door een rechtbank de rechten vaststellen die hij op de leden van de familie Erembald bezat; niet om hen van hun ambten en lenen te beroven, maar om hen meer aan zijn gezag te onderwerpen. De Erembalden wilden dat niet zomaar accepteren.
De misnoegdheid van de Erembalden werd haat, toen graaf Karel tegen Burchard, een van de Erembalden, een straf liet uitvoeren, omdat hij het domein van de heren van Straeten, het huidige Sint-Andries en een deel van Varsenare, had verwoest, de goederen en bewoners had geplunderd en verscheidene landlieden had gekwetst of gedood. Graaf Karel, die zelf van een expeditie in de dienst van zijn leenheer, Louis VI, terugkwam, constateerde die schending van de Godsvrede in de vasten, aanhoorde de klachten van het boerenvolk en was erg verbolgen. Hij liet zijn raad bijeenkomen en besliste de toen gebruikelijke straf voor de schending van de Godsvrede toe te passen: de woning van Burchard in Brugge werd in brand gestoken op 28 februari 1127. Heel kort daarna, op 2 maart, nam de familie Erembald het heft in eigen handen.
Ze wisten dat Karel dagelijks de vroegmis bijwoonde in de collegiale kerk van Sint-Donaas in Brugge. Burchard en zijn kompanen hadden zich daarom vooraf op die mistige morgen verzameld in de ‘Friese schuur’ op het domein van Ter Straeten. Daar dronken ze zich eerst moed in om vervolgens naar de kerk te trekken. Daar sloeg Burchard graaf Karel met een zwaardslag neer en zes medeplichtigen voltrokken de moord.
Relieken en verering
De ontsteltenis en verontwaardiging was algemeen: in Brugge zelf, maar ook in de andere steden van het graafschap, bij de clerici en de meeste edelen, vrijen en horigen. Men sprak vanaf toen niet meer over ‘de Deen’, maar over ‘comes bonus’, de goede graaf, oftewel: Karel de Goede. Voor de rechtvaardigheid had hij zijn bloed vergoten en werd hij als martelaar vereerd. Vrij vlug werd zijn lijk overgebracht naar de SintKristoffelkerk aan de Markt, later werd hij begraven in de Sint-Donaaskerk op de Burg. Daar werden Karels stoffelijke resten bewaard en vereerd tot aan de Franse Revolutie. In die woelige periode werden ze door Leonardus-Donatianus Arents, kanunnik en kerkmeester van de toenmalige kathedraal, zorgvuldig verstopt. In 1804 overhandigde hij het koffertje aan de kerkmeesters van Sint-Salvators. Op 23 april 1827 werden de relieken, die men in een nieuw schrijn had geborgen, overgebracht naar de Sint-Lievenskapel in de noordelijke kooromgang van de toenmalige Sint-Salvatorskerk.
Zaligverklaring
Pas in 1882 heeft paus Leo XIII Karel de Goede zalig verklaard en als co-patroon van de stad en het bisdom Brugge aangewezen, hij zou voortaan gevierd worden op 2 maart. De kerkelijk erkende zaligverklaring gebeurde dus pas ruim 750 jaar na zijn dood en toch is het slechts een bevestiging van een devotie van quasi acht eeuwen. Belangrijk voor de zaligverklaring was het ruime archief over Karel dat kanunnik Adolf Duclos verzamelde op vraag van de toenmalige bisschop van Brugge, Mgr. Joannes-Jozef Faict.
In Vlaanderen zelf werd Karel de Goede door de ‘roep des volks’ onmiddellijk zalig of heilig verklaard, in die tijd werden beide woorden vlot door elkaar gebruikt. Jaarlijks vonden grote plechtigheden plaats in de SintDonaaskathedraal, waar hij begraven en vereerd werd. Vandaag rusten de relieken in de Sint-Salvatorskathedraal. Nu we meer over de fi guur achter de devotie te weten gekomen zijn, blijkt dat het om een uitzonderlijke persoon ging die ook hedendaagse gelovigen kan aanspreken met zijn levensvisie.
Dit artikel haalt inspiratie uit verschillende boeken, waaronder De zalige Karel de Goede, Graaf van Vlaanderen; De geschiedenis van den zaligen Karel de Goede, graaf van Vlaanderen, martelaar; Karel de Goede 1127-1977 (850); De moord op Karel de Goede (twee afzonderlijke uitgaven van het Mercatorfonds en het Davidsfonds); Zonsverduistering boven Brugge; De geuren van de kathedraal; Dan liever dood, over martelaren en hun religieuze drijfveren en Kris, kras door Brugge, stadswandeling Karel de Goede en …, criminelen en strafpraktijken.





