‘De geest van Christus in ons’ - Pinksterboodschap bisschop Lode Aerts
Onder de grote feesten is Pinksteren vaak het lelijke eendje. We vieren eerbiedig Kerstmis en Pasen en terecht. Want zonder Kerstmis is God geen mens geworden zoals wij. En zonder Pasen is Christus niet verrezen en zijn wij volgens Paulus de meest beklagenswaardige van alle mensen. Het klopt: we kúnnen niet zonder Kerstmis en Pasen. Maar christenen kunnen ook niet zonder Pinksteren, want dan komt Christus’ Geest in ons wonen en dat beseffen we te weinig.
In zijn Pinksterverhaal stelt Lucas het nochtans heel plastisch voor. Eerst blijven de leerlingen dagenlang te Jeruzalem in de bovenzaal, op de plek van Jezus’ Laatste Avondmaal. Na zijn gruwelijke dood zijn ze bang om naar buiten te komen. Ze zijn bijeen in het cenakel en volharden daar in gebed, in het besef dat Jezus beloofde om hen niet verweesd achter te laten. Niet toevallig is Maria in hun midden met haar grote geloof. Op de vijftigste dag gebeurt het wonder: Gods Geest komt hen bezielen als een vuur. Hij drijft hen naar buiten, te midden van de pelgrims die uit alle windstreken naar het Joodse Pinksterfeest waren gekomen. Nu spreken de leerlingen zo onbevreesd en zo openhartig, dat niemand meer een vertaling nodig heeft (vgl Handelingen 2).
Het Pinksterverhaal doet me denken aan twee soorten uitspraken van paus Franciscus. Telkens wanneer hij het woord nam, vroeg hij dat de Kerk naar buiten zou komen en zich vuil zou durven maken. Hij had gelijk. We moeten onze oude comfortzones verlaten en het geloof delen met wie God nog niet kent: allereerst door wie we zijn, maar ook door wat we zeggen. Tegelijk vroeg paus Franciscus op het eind van elk gesprek om te bidden: voor hem en voor de hele Kerk. Hij had gelijk. Want hoe kan de Geest van Christus in ons komen wonen, wanneer we er niet om vragen? De Geest van Pinksteren werkt inderdaad binnen én buiten. Hij bezielt ons als we bidden en het goede doen.
Op die manier maakt de Geest ons tot Gods Kerk in de onrustige wereld van vandaag. Paulus schrijft: ‘De vrucht van de Geest is vrede’ (Galaten 5,22). Jezus beloofde het net voor zijn dood: ‘Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u’ (Johannes 14,27). In elke eucharistie brengen we dat in herinnering: ‘Heer Jezus Christus, Gij hebt aan uw apostelen gezegd: ‘Vrede laat Ik u’.’ Dit is de hartenwens van onze nieuwe paus: Jezus’ Geest sticht vrede, ook in onze geloofsgemeenschappen. In een Kerk die brozer en kleiner wordt, wil Gods Geest muren slopen en tweedracht overwinnen. Wanneer we daarvoor bidden en werken, komt de Geest over ons ‘in de gedaante van een duif’ (Matteüs 3,16) en… niet langer als het lelijke eendje.
+ Lode Aerts
Bisschop van Brugge