Van het begin tot de 19e eeuw

Laatst bijgewerkt op 11/09/2026 om 10:53

12e - 14e eeuw: Beginperiode 


Stichting

Rond het einde van de 12de eeuw richt kanunnik Arnulfus, een priester verbonden aan de Sint-Walburgakerk te Oudenaarde, buiten de stadsmuren een toevluchtsoord op voor reizigers en pelgrims die na het sluiten van de stadspoorten geen onderdak meer vonden. Hij doet hiervoor beroep op een aantal vrome vrouwen en mannen en legt op die manier de grondslag van de congregatie. Vrij vlug breidt de zorg voor pelgrims en reizigers zich uit naar zieken en andere noodlijdenden. Zo wordt het toevluchtshuis een hospitaal, gesteld onder de bescherming van de H. Maagd Maria.

In 1224 schrijft Walterus, bisschop van Doornik, een eerste levensregel voor aan de gemeenschap, waarin hij haar prijst om haar 'toewijding aan God en aan de armen'. In 1237 wordt deze regel bekrachtigd door paus Gregorius IX.

Het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal en de orde van Cîteaux

Door toedoen van Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, wordt in 1232 een cisterciënzerabdij gehecht aan het O.-L.-Vrouwehospitaal te Oudenaarde. Het was een poging om armenzorg en ziekendienst te verenigen met het monastieke leven van gebed en bezinning. De weerslag van deze aanhechting is groot geweest, ook al bleek na een jaar dat actieve ziekendienst en het cisterciënzerleven moeilijk te verenigen waren. De abdij wordt verplaatst naar Ath. Maar dank zij Johanna van Constantinopel wordt de stichting van Arnulfus opgenomen in de spirituele beweging van de Cisterciënzers en kan de religieuze gemeenschap te Oudenaarde zowel haar religieuze roeping als haar apostolische zending naar de allerarmsten enten op de spiritualiteit van de Cisterciënzers. 

14e - 16e eeuw: bloei en crisis

Naar de binnenstad

Na bijna tweehonderd jaar aanwezigheid buiten de stadsmuren van Oudenaarde, verhuist het hospitaal in 1379 naar de binnenstad in de onmiddellijke nabijheid van de St.-Walburgakerk. Het blijft een tehuis voor armen en zieken tot in de 15de eeuw. Nadien krijgt de ziekendienst de voorrang.

Godsdiensttwisten

Met Luther, Calvijn, Zwingli, maar evengoed met Hendrik VIII, koning van Engeland, ontstaat er in de 16de eeuw in de Rooms-katholieke kerk een definitieve breuk. Zowel de kerk als de katholieke vorsten trachten die Reformatie ongedaan te maken. Niets kon echter het protestantisme tegenhouden. In de eerste helft van de 16de eeuw kennen de Zuidelijke Nederlanden opeenvolgende golven van 'protestantse' of hervormingsgezinde bewegingen.  In Oudenaarde breekt de Hervorming pas door na 1550. Was de situatie aanvankelijk nog leefbaar te noemen, dan is er vanaf 1572 sprake van een ware godsdienstoorlog waarbij de stad en het O.-L.-Vrouwehospitaal veel schade lijden.

18e eeuw: het verhaal van priorin Long 

Françoise Marie Long is een "scharnierfiguur" geweest, die te midden van een complexe historische context het O.-L.-Vrouwehospitaal en de daaraan verbonden religieuze gemeenschap, voor de toekomst gered heeft. In de wirwar van politieke, sociale en kerkelijke gebeurtenissen die de overgang van de 18de naar de 19de eeuw kenmerken, heeft Françoise Marie Long het voortbestaan van het O.-L.-Vrouwehospitaal bevochten, ook wanneer zij op 31-jarige leeftijd als enige religieuze in het O.-L.-Vrouwehospitaal overblijft.

19e eeuw: 
Een nieuwe naam, nieuwe noden en nieuwe opdrachten

Een nieuwe naam

Uit verschillende documenten uit de eerste helft van de 19de eeuw blijkt dat de naam van de zusters wijzigt. Waar ze lange tijd als 'hospitaalzusters van Oudenaarde' zijn gekend, verandert hun naam in de loop van de 19de eeuw in 'zusters Bernardinnen van Oudenaarde' en sinds de spirituele affiliatie bij de Strikte Observantie van de Orde van Cîteaux worden de zusters officieel 'zusters Bernardinnen-Cisterciënzerinnen' genoemd.
 

Nieuwe noden, nieuwe opdrachten

De openheid op de nieuwe noden geeft aan de gemeenschap in het O.-L.-Vrouwehospitaal te Oudenaarde een nieuw élan naar de toekomst. In Bassevelde hebben de zusters de kans om, buiten de Commissie om, nieuwe kandidaten aan te nemen. Zij worden er geconfronteerd met nieuwe noden, waaraan zij trachten tegemoet te komen. Naast ziekendienst in Oudenaarde, leggen zij zich in Bassevelde toe op de opvang van weeskinderen, het onderwijs voor volkskinderen en de zorg voor bejaarden en gebrekkigen.

De moeilijkheden met de Commissie van de Burgerlijke Godshuizen hebben bij priorin Torné niet alleen het plan laten rijpen om een nieuwe communiteit buiten Oudenaarde te beginnen. Ook in de stad zelf zoekt ze naar een uitweg voor het geval de aanwezigheid van de zusters in het hospitaal niet langer op prijs wordt gesteld. Een uitbreiding in de richting van het onderwijs, zoals gebeurd is in Bassevelde, is één van de mogelijkheden.