‘Onderwijs kan je niet reduceren tot prestaties of cijfers’ - Francis Loyens
Met Francis Loyens (64) koos Katholiek Onderwijs Vlaanderen voor een voorzitter met een verankering in het onderwijsveld en een brede bestuurlijke ervaring. Hij zit de raad van bestuur van Katholiek Onderwijs Vlaanderen voor en volgt bisschop Johan Bonny op, die vijftien jaar lang voorzitter was. Daarmee is hij de eerste leek in deze functie.
Wat leidde u naar het voorzitterschap van Katholiek Onderwijs Vlaanderen?
‘Ik noem het geen carrière, maar een weg, bijna volledig vormgegeven door het onderwijs. Ik beleef mijn opdracht in het onderwijs. Een roeping is voor mij geen stem uit de hemel die zei: ‘jij moet het onderwijs in’, maar een rode draad die je achteraf leert herkennen. Als oudste van zes kinderen kreeg ik al vroeg een zekere verantwoordelijkheid. Ik hielp mijn jongere broers en zussen met lezen en met hun huiswerk. Natuurlijk dacht ik toen niet: dit is mijn roeping. Maar achteraf zie ik daar wel iets van een eerste spoor. Dat diepe verlangen maakte dat ik voor onderwijzer studeerde, maar ik stond nooit echt voor de klas van de lagere school. Vervolgens ben ik immers in Leuven pedagogie gaan studeren. Later ging ik van docent naar het beleid. Eerst in de lerarenopleiding, vervolgens in de hogeschool en later in mijn opdrachten als bisschoppelijk gedelegeerde en bestuurder van het katholiek onderwijs. En nu dus als voorzitter. Het lijken verschillende functies, maar voor mij zijn ze altijd rond dezelfde overtuiging blijven draaien: onderwijs doet mensen groeien. Natuurlijk moeten kinderen en jongeren kennis verwerven, maar onderwijs moet hen ook helpen om als mens te groeien: vertrouwen krijgen, talenten ontdekken, verantwoordelijkheid opnemen en zich verbinden met anderen. De persoonlijke relatie met de leerling is de kern van alle pedagogie.’
Er is in de loop van de jaren veel gebeurd, zoals de schaalvergroting in het onderwijs …
‘Neem alleen al het hoger onderwijs. Toen ik afstudeerde, waren er in Vlaanderen nog honderdtachtig, vaak kleine hogescholen. In 30 jaar tijd is er dus veel veranderd. In 2004 werd ik directeur onderwijs in wat toen nog de Katholieke Hogeschool Limburg heette, die nadien opging in de Hogeschool UCLL. We maakten de academisering mee. Er was de inbedding in de bachelor- en masterstructuur, de internationalisering … Er zijn belangrijke ontwikkelingen gebeurd, zoals het realiseren van het ‘zalmprincipe’, waardoor studenten verder en hogerop kunnen geraken. (Volgens het zalmprincipe beginnen studenten op een bepaald niveau en kunnen ze, als blijkt dat ze meer aankunnen, doorstromen naar een hoger onderwijsniveau, nvdr.)’
Roeping is een religieuze term. Wat betekent dat nu voor u in deze functie?
‘Noem het dienstbaarheid. En mijn christelijk geloof ligt daar voor mij niet bovenop als een soort extra laag. Het is de inspiratie van waaruit ik naar onderwijs kijk. Ik geloof dat iedere mens/leerling een unieke waardigheid en bestemming heeft. Als je dat gelooft, kun je onderwijs nooit reduceren tot prestaties of cijfers. Dan gaat het uiteindelijk over de vraag: welke mens willen wij dat een jongere wordt? Misschien is dát voor mij de betekenis van roeping: niet dat je precies weet waar je naartoe moet, maar dat je achteraf ontdekt dat bepaalde dingen in je leven bij elkaar horen. En op die weg heb ik mij altijd gedragen geweten.’
U bent de eerste leek in deze functie? Wat houdt het voorzitterschap voor u in?
‘Ik zie het niet als een bekroning van een loopbaan. Eerder als een opdracht en een verantwoordelijkheid die je toevertrouwd krijgt. Op mijn veertigste heb ik een tweejarig managementtraject gevolgd. Achteraf bekeken was dat een sleutelervaring. Je leert er natuurlijk veel over organisatieontwikkeling, leiderschap en veranderingsprocessen. Maar gaandeweg ontdekte ik iets wat misschien nog belangrijker is: het krachtigste instrument voor verandering in het onderwijs ben je uiteindelijk zelf. Dat vind ik ook belangrijk aan een voorzitterschap: je moet niet voortdurend bewijzen dat jij het allemaal weet. Je moet vooral luisteren, verbinden, richting helpen geven en ervoor zorgen dat mensen samen verantwoordelijkheid kunnen opnemen. Misschien is dat ook de reden waarom deze functie mij aanspreekt. Ze brengt de drie sporen van mijn leven samen: onderwijs, beleid en inspiratie.’
Waar staat Katholiek Onderwijs Vlaanderen vandaag? Is het een koepel, een werkgeversvereniging, …?
‘Katholiek Onderwijs Vlaanderen is verschillende dingen tegelijk. En dat maakt de organisatie soms ook moeilijk uit te leggen. In de eerste plaats zijn we een ledenvereniging en netwerkorganisatie van schoolbesturen. De schoolbesturen zijn de eigenlijke inrichtende machten van de scholen. Zij dragen de eindverantwoordelijkheid voor hun scholen en zijn de werkgevers van het onderwijspersoneel. Er zijn meer dan 450 schoolbesturen, grote, kleine, diocesane, congregationele, lokale vzw’s, … Het is een bonte verzameling die ook kleur geeft aan het onderwijslandschap. Tegelijkertijd hebben we zelf ook een belangrijke werkgeversrol. We hebben heel wat medewerkers die voor onze besturen en scholen werken: pedagogische begeleiders, maar ook mensen die expertise leveren op het vlak van infrastructuur en bouwdossiers, financiën, juridische ondersteuning, administratie, bestuur en zoveel meer.’
‘Belangrijk is ook de belangenbehartiging. Wij vertegenwoordigen onze leden tegenover de overheid en andere maatschappelijke actoren. Dat is ook wat van een onderwijskoepel verwacht wordt: de stem van de schoolbesturen en van het werkveld meenemen in het onderwijsbeleid. Maar ik zou het woord netwerkorganisatie misschien nog het meest willen benadrukken. Want we zijn niet een organisatie die zegt: ‘Wij beslissen in Brussel (in de Guimardstraat) en de scholen voeren uit.’ Integendeel. Onze leden participeren ook in de overleg- en beslissingsstructuren van de organisatie. Dat betekent wel dat we een bijzondere verhouding hebben met onze leden. En daar ligt voor mij vandaag een belangrijke uitdaging.’
Wat is volgens u de belangrijkste uitdaging?
‘Het lidmaatschap is soms te vrijblijvend. Een netwerkorganisatie werkt maar als het netwerk ook werkelijk functioneert. Vandaag zijn er schoolbesturen die heel actief participeren, gebruikmaken van onze ondersteuning, mee nadenken en verantwoordelijkheid opnemen. Maar er zijn ook besturen die het lidmaatschap soms nogal instrumenteel bekijken: ze betalen hun lidgeld en verder is de betrokkenheid beperkt. Daar wringt iets. Want we worden als Katholiek Onderwijs Vlaanderen wel aangesproken op het geheel. Wanneer er bijvoorbeeld ergens een ernstige problematiek is of een school een negatieve inspectiebeoordeling krijgt, wordt dat gemakkelijk verbonden met ‘het katholiek onderwijs’. Onze naam en reputatie zijn dus gemeenschappelijk. Dan vind ik het niet meer dan logisch dat daar ook een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid tegenover staat. Ik wil niet naar een systeem waarin Katholiek Onderwijs Vlaanderen zich als een centrale directie boven de schoolbesturen plaatst. Maar vrijheid betekent voor mij wel verantwoordelijkheid. Als je deel uitmaakt van een netwerk, dan kun je niet alleen de voordelen van dat netwerk opnemen wanneer het je goed uitkomt. Je draagt ook mee verantwoordelijkheid voor de kwaliteit, de reputatie en de toekomst van het geheel. Ik zou graag evolueren van een eerder transactioneel lidmaatschap — ‘ik betaal en krijg dienstverlening’ — naar een engagementsrelatie: we zijn samen eigenaar van een pedagogisch project en nemen daar ook samen verantwoordelijkheid voor. Dat is overigens geen eenrichtingsverkeer. Als wij meer engagement van onze leden vragen, moeten wij als netwerkorganisatie ook goed uitleggen wat we doen, beter luisteren naar wat besturen nodig hebben en zorgen dat onze dienstverlening en belangenbehartiging echt meerwaarde bieden. Ook daar ligt een verantwoordelijkheid van Katholiek Onderwijs Vlaanderen.’
U staat tegenover een activistische minister van Onderwijs.
‘We leven vandaag in een politieke context waarin het middenveld het soms moeilijk heeft. Politiek wil begrijpelijkerwijs snel resultaten boeken. Maar een onderwijsbeleid dat alleen van bovenaf wordt gemaakt, loopt het risico dat het onvoldoende rekening houdt met de werkelijkheid in scholen. Ik zou onze positie daarom willen omschrijven als onafhankelijk, constructief en kritisch. Daarom geloof ik nog altijd sterk in overleg. Niet in overleg als doel op zich — eindeloos rond de tafel zitten — maar in overleg om tot beter beleid te komen. En daar ligt volgens mij ook een belangrijke opdracht voor Katholiek Onderwijs Vlaanderen: de stem van duizenden scholen en honderdduizenden leerlingen vertalen naar het beleid, zonder ons op te sluiten in ons eigen belang.’
Waarvoor leiden we kinderen en jongeren eigenlijk op? Alleen voor de arbeidsmarkt?
Ongetwijfeld ziet u nog meer uitdagingen voor het onderwijs?
‘Ik zie vandaag verschillende grote uitdagingen die met elkaar samenhangen. De eerste is de kwaliteit van het onderwijs. We moeten opnieuw heel scherp zijn over wat leerlingen op het einde van hun schoolloopbaan moeten kennen en kunnen. De dalende leerprestaties mogen ons niet onverschillig laten. Maar kwaliteit is voor mij meer dan leerprestaties alleen. Een school moet leerlingen ook vormen tot mensen die verantwoordelijkheid kunnen opnemen, met anderen kunnen samenleven en zich kunnen engageren voor de samenleving.’
‘Een tweede grote uitdaging is het lerarentekort en ook het tekort aan directies. We moeten het beroep opnieuw aantrekkelijker maken, beginnende leraren beter ondersteunen en ervoor zorgen dat leraren opnieuw meer tijd en ruimte krijgen voor hun kerntaak: lesgeven en leerlingen begeleiden. In die zin verwacht ik wel veel van het loopbaanpact. Minstens zo belangrijk is dat onze scholen een sterk verhaal hebben.’
‘Een derde uitdaging is de groeiende diversiteit. Onze scholen weerspiegelen de samenleving. Ik zie dat niet als een probleem. En dan is er natuurlijk de digitale revolutie en de artificiële intelligentie. Ik ben wel uitermate geboeid door de vraag hoe we nu duurzame kennisstructuren opbouwen. Onze didactiek moet herdacht worden. In de klas gaan andere dingen gebeuren dan voorheen.’
‘Ten slotte is er de vraag naar de zin van onderwijs zelf. Waarvoor leiden we kinderen en jongeren eigenlijk op? Alleen voor de arbeidsmarkt?’
Een school kan de maatschappelijke problemen niet oplossen.
We leven in een tijd van ‘polycrisis’: crisis van gezag, ouderschap … Kinderen die in armoede opgroeien, geen Nederlands spreken…
‘Ik denk dat we eerst moeten erkennen hoe complex de opdracht van scholen vandaag geworden is. Een school kan de maatschappelijke problemen niet oplossen. Armoede los je niet op met een goede school alleen. Problemen rond ouderschap, psychisch welzijn, taal, migratie of gezag evenmin.En daar raakt voor mij de maatschappelijke opdracht van katholiek onderwijs rechtstreeks aan het evangelie. In Mattheüs 25 zegt Jezus: ‘Ik had honger en je hebt Mij te eten gegeven. Ik was vreemdeling en je hebt Mij opgenomen.’ Dat zijn geen abstracte geloofsuitspraken. Dat zijn opdrachten. Daarom vind ik het zo belangrijk dat katholiek onderwijs niet alleen spreekt over excellentie, maar ook over zorg voor wie het moeilijk heeft. Dat zit ook expliciet in ons pedagogisch project.Dat is voor mij een heel christelijke manier van naar onderwijs kijken. Ik verwijs daarvoor naar het Pedagogisch Credo van onze Katholieke scholen. Dat betekent ook dat we van scholen niet het onmogelijke mogen verwachten. Leraren kunnen niet tegelijk leraar, hulpverlener, psycholoog, maatschappelijk werker en opvoeder zijn. Maar ze hebben een opmerkzaam oog en zorgende aandacht. En dat is kostbaar. Tegelijkertijd moet de school samenwerken met ondersteunende begeleidingsdiensten en welzijn.’
Er zullen ongetwijfeld scholen komen (misschien zijn die er al) met nauwelijks christenen onder de leerlingen, maar ook onder leerkrachten.
‘Dat is een realiteit en misschien wel een van de moeilijkste vragen waarmee we vandaag geconfronteerd worden. Want een katholieke school kan natuurlijk niet alleen katholiek zijn omdat er ergens een kruis aan de muur hangt. Als er nauwelijks nog christelijke leerlingen zijn en ook bij leraren en directies de christelijke geloofsovertuiging minder aanwezig is, dan moeten we ons eerlijk de vraag stellen: waaruit leeft de katholieke identiteit van die school dan nog? Wie in een katholieke school werkt, hoeft niet persoonlijk christen te zijn, maar moet wel bereid zijn om het katholieke pedagogische project ernstig te nemen en eraan mee te werken. Daarom denk ik dat we vandaag niet zozeer moeten vragen: ‘Hoeveel christenen hebben we nog op onze school?’ maar ook: ‘Is het evangelie nog herkenbaar in de manier waarop wij school zijn?’
De drie (memorabele conferenties van Christen Forum Limburg)
- Timothy Radcliffe• Memorabele conferenties waren zeker deze met de Duitse benedictijn Anselm Grün en later met Timothy Radcliffe, de toenmalige magister-generaal van de dominicanen.
- Marc Desmet • Jezuïet en destijds palliatief arts in Hasselt, maakte deel uit van onze stuurgroep. Vanuit onze gesprekken distilleerden we thema’s die Marc uitwerkte tot conferenties.
- Jeanne Devos • Meermaals hadden we overvolle zalen, zoals die keer met zuster Jeanne Devos en later met de slotzusters van Lozen. Telkens opnieuw bleek de kracht van een authentieke getuigenis: wat echt doorleefd is, blijft beklijven.
Francis Loyens
- Geboren in 1962 in Tongeren, opgegroeid in Vlijtingen.
- Docent en vanaf 2004 directietaken aan de KHLim en hogeschool UC Leuven-Limburg.
- Sinds maart 2018 bisschoppelijk gedelegeerde voor onderwijs en communicatie van het bisdom Hasselt.
- Gehuwd met Bea Meertens, twee kinderen en drie kleinkinderen.
- Actief in Christen Forum Limburg


