Elk jaar denk ik in de advent: nu is het toch echt tijd dat God komt – Stijn Van den Bossche
Vorige zondag startte een nieuw liturgisch jaar voor de Kerk. Binnen zo een jaar zijn er twee grotere periodes die samen het diepste geheim van ons geloof belichten: dat God mens is geworden om de mens te verheffen tot bij God. Het gaat dan natuurlijk om de kerstcyclus en de paascyclus.
De kerstcyclus, die bestaat uit de advent en vervolgens de kersttijd, viert dat God mens wordt voor ons. En in de advent bereiden we ons voor op Kerstmis.
Nochtans lijkt het of we daar nog niet veel van hebben gemerkt in de lezingen die we zondag hoorden: zowel Jesaja, Paulus als Mattheus spraken veeleer over de eindtijd, die nog voor ons ligt. Waarom toch deze lezingen als voorbereiding op Kerstmis? Advent betekent letterlijk toe-komst, ad-ventus. Wij her-inneren ons vooral in deze periode een dimensie die wel altijd tot ons geloof behoort: het uitkijken naar God, hem verwachten, zelfs klagen om zijn afwezigheid, maar ook hopen op zijn komst. God is altijd ook degene die op ons toekomt, de Komende.
Joodse dimensie: blijven wachten op de Messias
Daarmee her-inneren we ons de Joodse dimensie van ons geloof, want vergeten we niet: Jezus was geen christen (die bestonden nog niet!), hij was een Jood! En dat Joods-bijbelse geloof weet al te goed: de wereld is van God, maar hij is ook nog niet van God. De wereld is geschapen door God, maar hij is niet op orde. Er gaat van alles mis in de wereld, en nog geen klein beetje…
Het bidden van Joden is daarom een klagen omdat God nog steeds niet in de wereld is gekomen, maar tegelijk een hopen op zijn komst. Joden bidden klagend aan de klaagmuur, maar tegelijk schuiven ze kleine gebedsbriefjes in de spleten tussen de stenen met daarop hun smekingen en alles waarop ze hopen. En als een paus Jeruzalem bezoekt, zal hij niet nalaten ook naar de klaagmuur te gaan en er ook zijn briefje in te stoppen. Ja, ook wij christenen klagen om Gods uitblijven en hopen op zijn naar-ons-toe-komst, advent.
Het is niet moeilijk de actualiteit daarvan te zien. Elk jaar denk ik in de advent: nu is het toch echt tijd dat God komt, want zoals de wereld er nu aan toe is heeft hij God dringend nodig… Ik hoef de grote problemen van onze wereld vandaag niet nog eens op te sommen, u kent ze… Maar ook in mijn eigen kleine leven moest ik, enkele weken geleden nog maar, afscheid nemen van mijn zus die overleed aan kanker, zij was twee jaar jonger dan ik. 'God, waar zijt gij, kom ons toch redden uit onze verlorenheid…'
Enkele weken geleden moest ik afscheid nemen van mijn zus die overleed aan kanker, zij was twee jaar jonger dan ik.
Uw Rijk kome...
En zo zal ieder van ons wel iets kunnen noemen waarvoor God de laatste toevlucht is, en dat zal ook volgend jaar zo zijn, en elk jaar… tot het einde der tijden waarover de lezingen het hadden. Maar Hij zal komen: daar moeten we naar leven, maande Paulus aan, en dat mogen we echt niet vergeten, waarschuwde het evangelie ons: 'Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.'
Hoe belangrijk dat smeken om een nieuwe wereld vervuld van God is, blijkt ook uit de wijze waarop Jezus als Jood bad en zijn leerlingen en ons leerde bidden. Alles waar het Onzevader om vraagt is precies dat: God, uw naam worde opnieuw geheiligd die de wereld heeft ontheiligd, uw Rijk kome in plaats van de vele goddeloze rijken die de wereld in hun greep houden, uw wil als uw heilsplan voor onze wereld geschiede, kome tot stand op aarde zoals in de hemel…
Wat volgt in het tweede deel van het Onzevader is nog slechts een bidden om wat wij nodig hebben onderweg naar dat doel van het rijk Gods: ons dagelijks brood, veel vergeving voor anderen en voor onszelf, en dat we niet bezwijken in de beproeving. En Jezus vat samen: 'God, verlos ons van het kwade…'
Is de Liefde nog aanwezig?
Maar hoe zit het dan voor christenen, eens na Jezus’ verrijzenis en wanneer we in Hem Gods Gezalfde, de Christos (Gr) of de Messias (Hebr) herkennen? Dan slaan klagen en hopen inderdaad om in jubel en dank om Gods komst, in het Grieks: eucharistia. Wij zijn gered!
Maar we weten ook dat met Jezus’ komst op aarde de wereld nog niet meteen het rijk van God is geworden. Heel mooi wordt dat belicht in een klein boekje van Eric-Emmanuel Schmitt, getiteld Het kind van Noach, een mooi kerstcadeautje als u nog zoekt.
In deze kleine novelle die je op een avond uitleest, vertelt Schmitt over een priester in Frankrijk die joodse kinderen opvangt tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kinderen moeten zich naar de Duitse bezetter toe voordoen als katholieken, en gaan daarom elke dag naar de mis. Het is voor die Joodse kinderen een wonderlijk iets hoe aanwezig die God van de christenen is: in het hoge kerkgebouw dat bijna tot in de hemel reikt, anders dan de synagoge. In de persoon van Jezus in wie God mens werd. In de eucharistische aanwezigheid of ‘reële tegenwoordigheid’, waaruit al die katholieke sacramenten voortvloeien. Ze worden bijna jaloers van dat christelijk geloof dat ze leren kennen!
Maar voor de priester groeit een kwellende vraag als hij rondom zich kijkt: is de Liefde die God is, nog wel aanwezig in de wereld in oorlog, met die waanzinnige jodenhaat van het nazisme? Of heeft deze wereld zich van God afgewend, en moeten wij de Messias dringend smeken terug te komen, in zijn tweede en uiteindelijke komst?” Zo herontdekt deze priester de Joodse dimensie, ja de adventsdimensie van ons geloof.
Totdat Gij komt
En inderdaad, wanneer Jezus op de meest bijzondere wijze onder ons aanwezig is gekomen op het altaar, nodigt de voorganger ons uit: 'Belijden wij het mysterie van ons geloof.' En wij zingen: 'Heer Jezus, wij verkondigen uw dood, en wij belijden dat Gij verrezen zijt, tot Gij wederkeert.' Ik heb de zin hier even omgedraaid: want dat ‘tot Gij wederkeert’ of ‘totdat Gij komt’ is niet gewoon een tijdsaanduiding. Het heeft iets dwingends, zoals wanneer mijn kleinzoontje niet weg wil uit de speeltuin en ik hem zeg: ik wacht tot je komt (lees: je moet nu komen). Het heeft ook iets smekends, zoals toen ik ooit ’s nachts bij een oude buurman werd geroepen die ineens erg ziek was geworden. Ik belde de 100 en zei: ik kan niet veel meer doen dan wachten bij hem tot jullie komen… Het is toen gelukkig goed afgelopen.
Het heeft iets dwingends, zoals wanneer mijn kleinzoontje niet weg wil uit de speeltuin en ik hem zeg: ik wacht tot je komt (lees: je moet nu komen).
Maar ja, ondanks Gods aanwezigheid in onze wereld die een aanvang nam in de kribbe en die wij in de sacramenten mogen vieren, wachten wij en smeken wij God om zijn definitieve komst. Dat is zelfs het allerlaatste woord van de Bijbel, in het boek Openbaring: 'Amen, Kom, Heer Jezus!' (Apok 22,20)
Maar antwoordt God tenslotte ook op ons smeken? Het is de profeet Jesaja die heel de advent door Gods antwoord op ons klagen, smeken en hopen zal verkondigen: 'Schep weer moed, mijn volk, Ik kom u bevrijden.' Meest bekend is de lezing van de tweede adventszondag, over de wolf en het lam die dan samen leven en de zuigeling die speelt voor het hol van de adder. Maar ook op de eerste zondag klonk het al bij Jesaja: 'Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander, en niemand zal nog leren oorlog voeren. Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.'
En onze hoop op die wereld waarin God wel aanwezig is, zullen wij ook mogen uitdrukken in onze bijzondere aandacht in de advent voor mensen die geen vrede en welzijn kennen. Doorheen ons biddend smeken en ons hoopvol aan welzijns-zorg doen, komt God steeds dichterbij, tot hij God met ons zal worden: Emmanuel. Ik wens ons allen een mooie advent als voorbereiding op Kerstmis.










