Hij hoopte dat ik denken zou vertalen als bidden – Mark Van de Voorde [column]
Of hij 'bidden' bedoelde, heb ik hem niet gevraagd. Hij zou het ontkend hebben. Hijzelf kon het woordje ‘bidden’ niet uitspreken. Uit een letterlijk onvermogen: hij gelooft niet. In zijn fluisterend uitspreken van het werkwoord denken hoorde ik iets anders.
Nochtans is die man er stellig van overtuigd dat er geen God is. Lang geleden al besloot hij: ‘Ik ben atheïst.’ De consequentie zou even stellig moeten zijn: als God er niet is, heeft bidden geen zin. Zo simpel als dat. Misschien is het toch allemaal niet zo simpel. Anders zou die mens niet aan mij hebben gevraagd of ik aan hem wilde denken, terwijl ik aan zijn blik zag ik dat hij hoopte dat ik denken zou vertalen als bidden.
Is het niet vreemd dat uitgerekend een atheïst via de omweg van het werkwoord denken vraagt om voor hem te bidden? Als God niet bestaat, zoals mijn vriend beweert, dan bestaat Hij niet alleen niet voor wie niet in Hem gelooft. Als die man echt overtuigd is dat er geen God is, kan volgens hem God toch niet tegelijk er niet zijn (voor hem) én er wel zijn (voor mij).
Zo simpel is het dus blijkbaar toch niet. Je mag dan wel zeker zijn dat God niet bestaat, je weet eigenlijk toch maar nooit. Het ongeloof van mijn vriend – en van velen – is geen zekerheid maar een in steen gekapte twijfel.
Ik geloof niet in God, maar ik mis Hem.
Julian Barnes
Ik denk niet dat die twijfel van mijn vriend en van velen vandaag het begin van geloof zou zijn. Ik denk veeleer dat die versteende twijfel het eindpunt is van een lang proces van ondraaglijk gemis. De Britse schrijver Julian Barnes verwoordde het kernachtig in zijn boek Nothing to be frightened of: ‘Ik geloof niet in God, maar ik mis Hem.’
Afscheid nemen van God gebeurt wel eens met lawaai, maar nooit met feestgedruis. God van je levensperspectief afknippen, is een amputatie die je blijft voelen: de zenuwen van de geloofszin zitten er nog in en ze blijven trekken, vooral bij slecht weer. Soms voel je zelfs het geamputeerde lidmaat: de ‘niet bestaande’ God lijkt er soms te zijn. God als fantoompijn.
Het loslaten van God is het afbreken van een relatie. Mensen gaan niet uiteen met toeters en bellen. Mens en God ook niet. Soms met slaande deuren, zoals het tussen mensen ook kan gebeuren. Soms wordt het afscheid van God een vechtscheiding. Dan wordt de boosheid om het verlies regelrechte haat. Een haat die de langgerekte schreeuw van verlatenheid is: ‘Ik mis je!'
Soms voel je zelfs het geamputeerde lidmaat: de ‘niet bestaande’ God lijkt er soms te zijn. God als fantoompijn.
In zijn roman Het Lam laat de Amerikaanse schrijver (met de Nederlandse naam) Peter de Vries de hoofdfiguur Wanderhope over diens atheïstische gespreksgenoot Stein zeggen: ‘Hij kon God maar niet vergeven dat Hij niet bestond.’
Mensen kunnen God niet vergeven, omdat ze ondanks alles Hem niet kunnen vergeten. Ik moet misschien beamen wat de kerkhervormer Luther eeuwen geleden schreef: ‘Niemand is God meer nabij dan de vertwijfelden die God haten en lasteren.’ Dan toch het begin van geloof?
Wat kan ik doen voor die man die me vroeg om ‘aan hem te denken’, en voor al die anderen in wier woorden ik het bitter en het zuur proef van een groot gemis? Bidden. Bidden opdat zij ook weer zouden kunnen… bidden.




