Jongens willen niet meer verdwijnen - Dennis Pauwels [column]
De afgelopen maanden verschenen er zoveel artikels over de manosphere dat je bijna zou denken dat jonge mannen pas recent bestaan. Meestal verlopen die teksten volgens hetzelfde patroon: een influencer zei iets grotesks over vrouwen, ouders schrikken dat ook hun jongens ernaar luisteren, en niet zelden valt het woord ‘toxisch’.
Er werd opvallend veel veroordeeld en verrassend weinig begrepen.
Misschien ben ik niet de geschikte persoon om wéér een stuk over dit fenomeen te schrijven. Ik begrijp het zelf niet volledig, en als zoon van een afwezige vader herken ik de onderliggende honger die jongens naar zulke figuren drijft.
Ik herken me uiteraard niet in het simplisme of de agressie van die online figuren. Daarvoor ben ik te oud, of te ervaren. Aan de andere kant begrijp ik ergens wel de aantrekkingskracht van mannen die met zoveel zekerheid zeggen hoe je hoort te leven. Misschien omdat mannen zoals ik vooral geleerd hebben zichzelf te corrigeren.
Wees niet te luid. Niet te hard. Niet te dominant. Niet te gesloten. Het zal niemand verbazen dat ik nogal onzichtbaar was in mijn vormende jaren.
Mijn zoon is bijna acht. Ik merk dat hij steeds meer begint te kijken naar mannen rondom zich. Naar mij, hoe ik spreek of reageer als hij onderhandelt over een dessert net voor slaaptijd. Maar evengoed naar anderen. Hoe zijn teamgenoten een goal vieren. Hoe een ouder kind de boomhut claimt en zegt dat er maar plaats is voor vijf kinderen terwijl hij het zesde is. De invloed van de buitenwereld blijft voorlopig beperkt. Hij kent de meeste influencers gelukkig nog niet.
Ik weet als vader steeds beter welke man ik niet wil dat hij wordt. Alleen vind ik het moeilijk om positief te formuleren wie hij dan wel kan zijn. Een mens kan zich niet eindeloos vormen via ontkenning.
Lees ook
Dit is geen pleidooi voor een terugkeer naar de man van vroeger. Ik weet niet eens wat die man was. Mannen die ik kende waren anders dan de mannen in films of reclames. Ze waren zelden almachtige patriarchen. Vaker waren ze afwezig, onzeker, heel vaak zwijgend en soms ietwat vreemd. Maar ook lief en zelden gevaarlijk. Als ik al ergens voor pleit, dan is het voor de moed om die existentiële behoeften van jongens weer serieus te nemen.Op een bepaald moment willen die immers weten wat ze moeten doen met boosheid of verlangen. Met trots of competitie. Als daar alleen ironie, wantrouwen of therapietaal voor beschikbaar is, moeten we misschien niet verbaasd zijn dat andere stemmen luider klinken.
Wat me ongemakkelijk maakt aan de manosphere is niet alleen dat ze soms slechte antwoorden geeft, maar dat ze terrein claimt waarover elders angstvallig wordt gezwegen. Ze spreekt in groteske vormen over iets wat niet belachelijk is: de nood aan richting, voorbeeld, overdracht. En misschien raakt ze nog wel het meest aan de nood om gezien te worden. Een jongen die geleerd heeft zichzelf onzichtbaar te corrigeren, vindt er een plek waar hij kan zijn.
Kritiek is er genoeg. De moed iets op te bouwen lijkt zeldzamer geworden.
Dat geldt trouwens niet alleen voor mannelijkheid. We zijn als cultuur bijzonder goed geworden in analyseren, problematiseren en ontmantelen. Van traditie tot religie, van autoriteit tot geschiedenis, van rollen tot rituelen. Sommige dingen daarvan verdienden het om afgebroken te worden; maar je kunt niet eeuwig wonen op een bouwwerf.





