Bisschop Lode Aerts: "Pasen, een feest van hoop"
Nergens in het evangelie wordt de verrijzenis van Jezus beschreven. Wat er zich in de paasnacht heeft afgespeeld, lezen we niet in de Bijbelteksten. Dat is vreemd, want na eeuwen van christelijke kunst hebben we wel een aantal voorstellingen in onze collectieve verbeelding. Kijk naar zoveel schilderijen in kerken en musea. Er lijkt geen twijfel mogelijk: in de tuin van Jozef van Arimathea is het graf geopend, Jezus is duidelijk geïdentificeerd door zijn kruiswonden aan handen en voeten en in zijn zijde. Desondanks staat Hij fier rechtop, vaak met een vaandel in de hand; zijn gelaat schittert uit alle macht en soms wordt zijn lichaam al enige meters boven het graf afgebeeld in een sierlijke beweging op weg naar de hemel…
Wat opvalt in vergelijking met deze schilderijen is de spaarzaamheid van de evangelisten in hun relaas.
Ze schrijven alleen over enkele vrouwen, die het lichaam van de dode Jezus willen zalven. Ze zitten in zak en as. Eens had Jezus hen hoop en waardigheid gegeven, maar dit alles lijkt hun nu voltooid verleden tijd. Dat zijn kruis niet het einde is, begint hen pas te dagen wanneer een engel hun de paasboodschap brengt. Ook zij krijgen daarover geen enkel detail te horen. Ze vernemen alleen een bijna ongelooflijk wonder: jawel, Jezus is in een graf gelegd, maar zelfs het duister van de dood kan Gods licht niet doven. Jezus is opgewekt en volgens het credo dat we op zondag belijden, “is Hij neergedaald ter helle”.
Voor velen van ons klinkt dit bijzonder vreemd en achterhaald: “een nederdaling ter helle”. Maar onschuldige burgers in Gaza of Oekraïne en slachtoffers van misbruik twijfelen niet of er een hel bestaat. Ze maken die dagelijks mee. Echter, de kern van het evangelie is dat Christus midden in die afgrond van pijn en smart aanwezig komt. Hij brengt er Gods liefde, “die nooit vergaat” zoals Paulus in het Hooglied van de liefde schrijft (1Kor 13,8).
Dit is het geheim van Pasen: Christus redt ons niet uit de dood. Hij redt ons veeleer ín de dood.
lees verder onder de afbeelding
Het is pas wanneer we de pijn van lijden en sterven ernstig nemen, dat we de realiteit van het nieuwe leven beseffen. Pasen is geen sprookje, dat zich in een afbeelding laat vatten. Het gaat om het broze leven, midden ín de dood. Wellicht moeten we naast Goede Vrijdag en de paasdag meer aandacht besteden aan de dag daartussen, aan Stille Zaterdag. Dit is de dag van slachtoffers die in stilte treuren. Het is de dag die voor zoveel mensen herkenbaar is, omdat God dood lijkt die dag.
In elk kerkgebouw wordt die ervaring bijzonder uitgedrukt op die middelste dag van het Triduüm. Het altaar is naakt. Het tabernakel leeg.
Geen eucharistie, geen brandende kaarsen, geen gezangen en geen gelui van klokken. Alleen een stille aanwezigheid bij wie lijdt. Net daar gebeurt het wonder. Te midden van het duister en de schaduw van de dood ontsteekt God een licht dat nooit meer dooft.
Laten we vanuit dit geloof dan toch maar naar de werken van schilders kijken, en het liefst nog naar paasiconen. Die schilderen geen idyllische tuin met een open graf, maar een duistere krocht in de onderwereld. De verrezen Heer Jezus baadt er in een stralend licht. De poorten van de hel zijn uit hun hengsels geslagen en liggen verbrijzeld aan zijn voeten neer. Met beide handen trekt Jezus Adam en Eva uit hun graven. Hun namen spreken boekdelen: adam is Hebreeuws voor mens en eva betekent levend wezen. Inderdaad: God brengt mensen tot leven. Hij gaat met ons doorheen de dood. Hij sticht hoop, waar onze wereld zo een grote nood aan heeft. Ja, “Christus is onze hoop” (1 Tim 1,1). Vertrouwend op Hem zeggen we met recht en reden: zalig Pasen!
+ Lode Aerts


