Het oude bisdom Brugge
Artikel door Noël Geirnaert in Kerk·in·Zicht april 2025
| Vervolg op 'Het oude bisdom Brugge - Oprichting en de eerste jaren van het bisdom Brugge: een moeizaam proces (1559-1616)', verschenen in Kerk·in·zicht oktober 2024, pagina 8-9. |
Nadat we in enkele vorige artikelen de kerkgeschiedenis van onze regio vóór de oprichting van het bisdom Brugge hebben behandeld, komt nu de geschiedenis van het oude bisdom Brugge aan bod. Het eerste deel van deze bijdrage kon je lezen in Kerk·in·zicht van oktober 2024 (p. 8-9).
Pas vanaf het episcopaat van Antonius Triest (1617-1622) kon de Contrareformatie, of de katholieke hervorming, definitief wortel schieten in het bisdom Brugge. Triest, geboren in 1577, behoorde tot een Gentse adellijke familie. Hier kan worden aangestipt dat de meeste Brugse bisschoppen van het ancien régime afkomstig waren uit de adel of de (zeer) hoge burgerij, met twee uitzonderingen: Matthias Lambrecht (1596-1602), afkomstig van een familie van herenboeren uit Sint-Laureins, en Servatius de Quinckere (1630-1639), zoon van een eenvoudig timmermansgezin uit Brugge.
Voor zijn benoeming tot bisschop was Triest hofkapelaan aan het hof van de aartshertogen Albrecht en Isabella, de toenmalige vorsten in de Habsburgse of Zuidelijke Nederlanden, waaronder stilaan een einde kwam aan de oorlogsomstandigheden.
Triest kon definitief starten met de heropbouw van kerken en kloosters in heel het bisdom. Hij inspecteerde op geregelde tijdstippen al zijn parochies, hij probeerde met wisselend succes het niveau van de geestelijkheid op te krikken en probeerde ook de leken opnieuw de voorschriften van de Kerk te doen naleven: zondagsplicht en -rust, paasplicht… Hij trad op tegen de nog resterende protestanten: zij moesten vertrekken. Hij gaf het bisdom een nieuwe structuur, volgens de gewijzigde politieke situatie, wat betekent dat hij West-Zeeuws-Vlaanderen definitief als verloren voor het bisdom beschouwde.
In 1622 werd hij bisschop van Gent, wat toen als een promotie werd beschouwd. Hij zou er bisschop blijven tot aan zijn dood in 1657.
Na bisschop Triest werd het katholicisme gedurende de hele 17de eeuw geconsolideerd. De priesteropleiding bleef problematisch: 14 seminaristen in 1614, 18 in 1628. In 1632 volgde de sluiting van het seminarie door bisschop De Quinckere, wegens (vermeende?) wantoestanden. Vanaf 1638 werden priesterstudenten naar Leuven gestuurd. Dit had een positief resultaat voor het peil van de opleiding.
De seculiere geestelijkheid (dekens, pastoors, onderpastoors) groeide langzaam aan. Ook hun intellectueel en religieus peil verbeterde, maar slechts langzaam, tot ca. 1650, want pas dan waren de Brugse geestelijken op een voor die tijd ‘aanvaardbaar peil’.
Bij de leken was de zondagsmis bijwonen lange tijd helemaal niet vanzelfsprekend, ook door de materiële omstandigheden. Het doopsel was wel algemeen voor iedereen. Het vormsel werd pas vanaf de tweede helft van de 17de eeuw regelmatig toegediend. De paasplicht, de jaarlijkse verplichte biecht en communie werden wel al heel vroeg gerespecteerd, onder andere door de strikte controle. Sacramenteel leven ‘uit devotie’ werd slechts door een minderheid beoefend, maar werd wel sterk gestimuleerd (denk maar aan de Sacramentsbroederschappen). Pas rond het midden van de 17de eeuw was er ook in de meeste parochies voldoende godsdienstonderricht en ander onderwijs voor de volksklasse.
In de meeste parochies werden broederschappen opgericht ter ere van Onze-Lieve-Vrouw en het Heilig Sacrament, soms ook ter ere van de Heilige Drievuldigheid, voor het vrijkopen van christelijke slaven. Nieuwe bedevaartplaatsen ontstonden ter ere van Onze-Lieve-Vrouw, bijvoorbeeld in Assebroek en Onze-Lieve-Vrouw van het Boompje in Sint-Andries, oude devoties kregen een nieuwe impuls (de Heilige Godelieve, het Heilig Bloed). Het geloof ging gaandeweg opnieuw zijn rol spelen als stevig houvast voor de mensen, van hoog tot laag.
Het 18de-eeuwse bisdom Brugge: van hoogtepunt naar crisis
Bisschop Willem Bassery (1690-1706) overleed plots in volle Spaanse Successieoorlog (1700-1713). In die periode lagen de bisschopsbenoemingen stil. Pas in 1716 kwam Hendrik Jozef van Susteren (1716-1742), de ‘zonnebisschop’, aan in Brugge.
Hij was geboren in Amsterdam in 1668, uit een familie die door handel rijk geworden was, vervolgens in de adelstand verheven, en als katholieke Noord-Nederlanders naar de Zuidelijke Nederlanden gekomen. Hij was een vertrouweling van aartsbisschop Humbert de Precipiano (van 1683 tot 1690 ook bisschop van Brugge) en werd benoemd in 1715, gewijd in 1716, en op 29 maart 1716 in Brugge geïnstalleerd.
Van Susteren was van hoog intellectueel niveau, wat ook zou blijken uit zijn episcopaat. Hij zorgde voor een nieuw seminarie: het werd gevestigd in het Hof van Pittem, het huidige Bisschopshuis. Hij besteedde ook bijzondere aandacht aan de ‘naschoolse’ priesteropleiding, met systematische examens, ‘concursus’, voor pastoorsbenoemingen. Hij wilde een hoog moreel en intellectueel niveau voor zijn priesters. En ook het volksonderwijs werd door hem sterk gestimuleerd.
Tegelijk had hij ook veel zin voor decorum en luxe, zo bouwde hij het nog steeds bestaande kasteel Rooigem, aan de Bisschopsdreef in Sint-Kruis-Brugge, als zijn zomerresidentie. Toch had hij ook veel aandacht voor armenzorg en persoonlijke liefdadigheid. Hij ging zelf regelmatig op zieken- en armenbezoek. Hij weigerde om bisschop van Gent te worden. Hij was zeer plichtsbewust, zonder persoonlijke ambitie of streven naar meer rijkdom. Zijn opvolgers (De Castillion, Caïmo, Brenart) wilden op hetzelfde elan verder werken, maar ze slaagden daar slechts gedeeltelijk in.
Het 18de-eeuwse bisdom Brugge telde ongeveer 132.000 inwoners, verdeeld over 115 parochies. De bisschopsstad Brugge zelf telde ongeveer 30.000 inwoners. In 1786 waren er in het bisdom 388 priesters. Iets minder dan de helft van de parochies hadden een pastoor en een onderpastoor. De meeste pastoors en onderpastoors leidden een onberispelijk leven, beter dan een eeuw eerder.
Het gelovige volk, zo goed als iedereen gedoopt, hield, behalve enkele uitzonderingen massaal zijn paasplicht. De zondagsplicht werd in acht genomen. Sacramenten werden algemeen ontvangen volgens de geldende richtlijnen. De bevolking werd door de geestelijkheid begeleid van de wieg tot het graf. Ook het onderwijs werd volledig door de Kerk gecontroleerd (zowel basis-, middelbaar als hoger onderwijs). Volksdevoties, lekenbroederschappen hielden stand, maar leken hun oorspronkelijke elan te hebben verloren. Toch kleurden ze het dagelijkse leven van de gewone mensen.
Bisschop Felix Brenart (1777-1794) was eigenlijk al beïnvloed door de ideeën van de Verlichting, maar hij wantrouwde sterk de ideeën van de Franse filosofen. Twijfelachtige volksdevoties werden door hem afgeschaft. Hij moest ook optreden tegen kerkdiefstallen, drankmisbruik op zon- en feestdagen rond de kerken, verslapping en misbruiken bij de geestelijkheid.
Toen de ‘Brabantse Omwenteling’, eigenlijk een conservatieve revolutie tegen keizer Jozef II, uitbrak in 1789, steunde hij de opstand ook in Brugge. Maar hij onderwierp zich aan de Oostenrijkers toen de Revolutie mislukt was. Hij ontpopte zich als een fel tegenstander van de Franse Revolutie, en hij spoorde de bevolking aan tot verzet. In juni 1794 sloeg hij op de vlucht voor de Fransen. Hij overleed enkele maanden later, op 25 oktober 1794, in Duitsland.
Met deze laatste bisschop verdween het bisdom in feite. Het bisdom werd formeel afgeschaft in 1801. In het bisdom Brugge werd na 1794 het kerkelijke en religieuze leven zo goed als mogelijk in stand gehouden. Men moest ook gedogen dat kloosters en abdijen werden afgeschaft. Toen vanaf 1797 de Franse regering van de geestelijken eiste dat zij de ‘eed van haat aan de monarchie’ zouden afleggen was de crisis voor Kerk en godsdienst compleet. Toch zou al na enkele jaren een nieuwe situatie zich aandienen: de organisatie van het kerkelijke leven veranderde volledig in 1801 na het Concordaat met Napoleon.