De jacht op een eenhoorn — Dennis Pauwels [column]
Op zondag waren we nog samen in de speeltuin, drie dagen later ligt opa in een stalen bed in het ziekenhuis met een verlamde linkerkant. De opa van mijn zoon kreeg geheel onverwacht, zoals dat gaat, een hersenbloeding.
De clichés die de fragiliteit van het leven benadrukken, zijn veelal gestoeld op de rationaliteit. We wéten dat het kan gebeuren en wat de effecten zijn. Het voelen moeten we zelf doen. Ik bots vaak op de praktische kant, waarvoor volgens mij nog geen clichés bestaan, buiten dat het leven altijd en gewoon voortgaat. Concreet wilde ik bijvoorbeeld weten hoe je een kind voorbereidt op een bezoekje aan de veranderde opa.
Zonder in detail te treden, vertel ik mijn zoon dat opa misschien anders zou praten, en dat armen of benen niet meer zouden werken. Hij zou wellicht niet uit het bed kunnen opstaan. Terwijl ik het uitleg, besef ik iets vreemds: mijn zoon heeft zijn grootvader nog nooit zien liggen. Alleen zitten, staan en lopen, dus bereid ik hem daar ook maar op voor. Opa in een bed.
Het bezoek zelf is niets bijzonders. Alles wat ik mijn zoon voorspeld had, komt uit of is minder erg. Op de terugweg naar huis vraag ik de kleine hoe hij het beleefd heeft. Vindt hij opa raar nu, of is hij bang, of heeft hij vragen? Nee, niets. We rijden langs huizen, verkeerslichten en mensen die honden uitlaten. Ik ben trots op mijn zoon. Opa is nog steeds opa. Dat ziet hij ook.
Pas als we bijna thuis zijn, zegt hij geheel spontaan: ‘We moeten op zoek naar een eenhoornhoorn.’
We moeten op zoek naar een eenhoornhoorn.
Even moet ik nadenken wat hij bedoelt, wat hij gezien kan hebben dat met eenhoorns te maken heeft, en dan lach ik. ‘Dat klopt! Dat wordt geen gemakkelijke klus,’ zeg ik.
Ik leg het u uit.
We lezen al een hele tijd Monster Zoo voor het slapengaan. Het is een boek waar de vader van het hoofdpersonage gebeten is door een enorme en zeldzame slang. De vader ligt daarom verlamd in het ziekenhuis. Er is maar één remedie: de gemalen hoorn van een eenhoorn. De zoon neemt de taken van zijn vader over (het openhouden van de Monster Zoo) en gaat ondertussen op zoek naar het medicijn in de Indische jungle.
We weten nog niet of de hoorn gevonden wordt, dus lezen we die avond gretig verder.
Nog later vertel ik dit verhaal vol trots aan mijn moeder. Ik presenteer het als bewijs dat kinderen anders omgaan met tegenslag dan we vaak denken. Dat ze het allemaal wat minder dramatisch opnemen dan wij, en dat ze minder bang zijn. Geen angst voor verlamming, geen vragen voor de toekomst. Alleen de praktische vaststelling dat we dringend een eenhoornhoorn nodig hebben.
Voor ik goed en wel ben uitgesproken, mengt mijn zoon zich in het gesprek: ‘Dat is wel maar een verhaal, hé.’
Hij klinkt geërgerd. Alsof hij zich tegenover volwassenen nog moet gaan verdedigen dat hij helemaal niet in magische oplossingen gelooft. Alsjeblieft, zeg. Hij is verdorie bijna acht.
We moeten er niet meer van maken dan nodig is, wil hij wellicht zeggen. Hij geloofde natuurlijk niet in eenhoorns. Hij vond alleen dat opa er een verdiende.




